facebook     twitter2  

 

Keerder dialect

’t rieëngent, ’t zieëngent de panne valle aaf
dao komme twie boerìnnekes die lòòpe op en aaf.
’t rieëngent, ’t zieëngent de panne weure naat
dao kaome twie boerìnnekes die valle op hun gaat
 (kinderrijmpje)


’t Waer (het weer)
door Jo Purnot

Het Keerder dialect maakt deel uit van ons cultureel erfgoed, het is ons immers nagelaten door vroegere Keerdenaren. Dat is ook de reden waarom we in elk jaarboek plaats inruimen voor dit dialect. Niet met een dialectverhaal, maar door u een artikel aan te bieden waar veel dialectwoorden en gezegdes in voorkomen.
Deze keer richten we onze aandacht op woorden en gezegdes die een relatie hebben met ’t waer (het weer). Een onderwerp dat in de dorpsgemeenschap van vijftig/zestig jaar geleden een veel grotere rol speelde dan tegenwoordig.
Voor de niet-dialectsprekers onder ons: de klank ae in waer wordt uitgesproken als in het Engelse air (lucht).

’t Waer een zaak van levensbelang
Voor onze vroegere dorpsgenoten was ’t waer een zaak van levensbelang. ’t Waer bepaalde binnen een agrarische gemeenschap immers voor een deel de werkzaamheden en de oogstopbrengst. Een flinke vriesnacht in het vuurjaor (voorjaar) of een fikse zomerse hagelbui kon een groot deel van de oúgs (oogst) wegvagen. Vooral bij de vele keuterboertjes en daagloenersj (dagloners) die zich vermeijde (verhuurden) kwamen zulke klappen extra hard aan, omdat ze nauwelijks financiële reserves hadden. Na zo een ‘ramp-oogst’ was het in de weenter (winter) in menig gezin op een houtje bijten. Tegenwoordig kunnen boeren hagelschermen aanbrengen om hun fruit te beschermen, vroeger daarentegen probeerde men het onheil af te wenden door een hagelkruis te plaatsen. Ook plantte men op Palmzondag gewijde paamtekskes (buxustakjes) aan de rand van het veld of het weiland om misoogsten te voorkomen.
Evenzo speelde het volksgeloof een grote rol bij de planning van de werkzaamheden. Zo zei men: Sint-Joep trèk ‘t zie-j klaed aan (vanaf 19 maart kan men de zaaischort voorbinden). Of mèt Sint-Jaan (24 juni) mòt me de diestele mie-je (rond de naamdag van Sint-Johannes moet men de distels maaien). Dat is nodig, omdat anders de zaadjes zich gaan verspreiden. Een ander oud gezegde was: mèt Sint-Jaokob en Sint-An, ’t koeëre in de sjeur of in de ban, dit betekende dat eind juli de rogge geoogst moest zijn. Een meer wereldlijke oeroude wijsheid was: in mieërt zuut m’r lever ‘ne woüf in t vêld, dan e pieërd (in maart ziet men liever een wolf in het veld dan een paard). Met andere woorden: dan is het eigenlijk nog te vroeg om met het paard in het veld aan het werk te zijn. Het belangrijkste markeringspunt was eigenlijk het viertal Ièsheilige, Sint-Mamertus, Sint-Pancratius, Sint-Servaos en Sint-Bonifatius (naamdagen 11, 12, 13 en 14 mei). Na die dagen kon men erop rekenen dat de nachten vorstvrij waren en men dus volop op het land aan het werk kon.

2010blz102

Een hagelkruis met een overjarige kroedwösj tussen de appelbomen op ’t Gasthuis (’t Gastes)

Wat vuur waer hèèt ‘r geraoje ? (welk weer is er voorspeld?)
Tegenwoordig kijkt de moderne boer op de buienradar als hij wil weten of
het nut heeft om te sjproeje (spuiten) of te hui-je (hooien). Een halve eeuw geleden was dat wel anders. Drie keer per dag luisterde hij naar het weerbericht op de radio. Niet naar het KNMI van De Bilt, maar naar het Belgische Ukkel. Toch had men er niet zo vreselijk veel vertrouwen in, want men sprak niet over ’t waer vuursjpèlle, maar over het waer raoje (weer raden). ‘Wat vuur waer hèèt ‘r geraoje?’ , was de gevleugelde vraag.
Veel buitenlui vertrouwden vooral op hun eigen waarnemingen. Zij meenden aan gedragingen van planten en dieren te kunnen zien welk weer op komst was. Deze ‘kennis’ was gebaseerd op eeuwenlange ervaringen die van generatie op generatie waren doorgegeven. Vooral de sjieper (herder) was een expert. Aan de wol van de sjäöp (schapen) kon hij zien welk weer te verwachten was. Wanneer de sjwalbere (zwaluwen) laag vlogen, wist hij dat slecht weer op komst was. Heel verklaarbaar aangezien er bij vochtig weer weinig thermiek is en vliegen de insecten laag. Hetzelfde geldt voor de grote aantallen donderbiesjkes. Deze kleine zwarte beestjes verspreiden zich bij voorkeur als het erg breu-erig (broeierig) is en vochtig weer op komst is. Maar ook wanneer de sjlekke (slakken) langs de plantenstengels omhoog kropen was dat voor de landsman een teken dat er regen op komst was. En es ’n spìn ’n web mak mèt ‘ne sjäör dan sjteit sjtuerrem vuur de däör ofwel wanneer een spin een web maakt met daarin een scheur dan staat storm voor de deur.
 Dit in tegenstelling tot es de mögke daanse (als de muggen dansen), want dan wordt het goed weer. Ook es de katúile buëke, kuump good waer (als de steenuiltjes huilen, komt goed weer). Wanneer echter de ròòk oet de sjouw um lieg sjlèèt (de rook uit de schoorsteen naar beneden slaat) wordt het sjlech waer.

Ook sommige bloemen en planten gaven onze voorouders aanwijzingen over ’t waer. Verschillende bloemen gaan dicht wanneer regen op komst is; een voorbeeld is de piesblom (paardenbloem). De dennenappel wordt zelfs in het dialect waerraojer (weersvoorspeller) genoemd, omdat bij druug waer de schubben open gaan staan, zodat de zaden zich kunnen verspreiden.
Door alleen al naar de lucht te kijken wisten velen welk weer hun te wachten stond. Een rode gloed aan de hemel bij zonsopgang betekende regen: muerige roèd, water in de sjloèt (morgenrood, water in de sloot). Overigens bij rode gloed in de avondlucht zei men tegen de kinderen: loor, Sinterklaos ès waffele aan ’t bakke (kijk, Sint-Nicolaas is wafels aan het bakken).
Als de koeien door het weiland bijzde (rondrenden), de prame (soort vlieg) sjtoke (staken), of de kwakkersj oetbundig in de pole kwaakde (de kikkers uitbundig in de poelen kwaakten), wist men dat oonwaer (onweer) op komst was. Of, ès-te d’n hoond koes ruëke kump rieënge (wanneer je de hond kon ruiken was regen te verwachten). Men kon zelfs horen als regenweer in aantocht was. Men zei hier: iech huur de Belsje trèin, ’t weurd rieënge. Begrijpelijk, want dan was het westen wind.

2010blz104

Midden jaren dertig.
Vanaf links: onbekend en Giljam, Maurice en Gerard van Hoven maken een opslag van bieten vorstvrij door ze met grond toe te dekken

Rieënge (regen) – rieëngene (regenen)
De mate van regen wordt uitgedrukt met woorden als: ‘t rieëngent (het regent) en ‘t viêzelt of ‘t miemelt (‘t motregent). ‘n Sjoor rieënge is een bui regen. Er zijn heel wat gezegdes om duidelijk te maken dat het hard regent: - ’t rieëngent hêl -‘t rieëngent dat ‘t zègk - ’t rieëngent dat ’t verrèk - ’t rieëngent auw wiever -’t vélt mèt tobbe oet de loch -’t rieëngent dat ’t götsj - heej boeëve höbbe ze de sjluize oeëpe gezat.
Men beweerde dat als ’t bläöskes (blaasjes) op het water regende, het dagen achtereen zou blijven regen. Nog erger was het wanneer het op 2 juli regende: Es ’t rieëngent met Maria Ziep (2 juli) dan rieëngent ’t zès wieëke laank. Zo zei men ook: ‘ne muerige rieënge en ‘ne auwe wieverdaans dore neet lang (een ochtendregenbui en een oudewijvendans duren nooit lang), wat betekende: als het ’s morgens regent, is het gauw droog.
Wanneer de zon scheen terwijl het regende vertelde men aan de kleine kinderen: ’t ès kérmes in de hel (kermis in de hel) en volwassenen onder elkaar zeiden: d’n duuvel sjlèit z’n wièf (de duivel slaat zijn vrouw).
Een ‘losse’ regenbui in de maand mei, ‘ne meisjuuët, werd als gunstig ervaren. Maar ook in andere perioden was het belangrijk voor de vruchten in het veld dat het zo nu en dan regende. Men ving het op in de vele dorpspoelen. Ook stond onder elke kaansjel (dakgoot) en in ekere moostem (elke groentetuin) een rieënge-ton en hadden veel boerderijen ’n rieëngepöt (regenput). Het hemelwater was immers zeker op het Plateau waar geen stromend water was zeer kostbaar.

Kaad waer (koud weer)
De weenter was voor de dorpelingen een moeilijke periode. Het buitenwerk was door rieënge, kouw, iezel en sjniè  niet aangenaam. Sommige werkzaamheden liet men liggen tot het echt winterde. Dat was de tijd om op de sjeur (in de schuur) met de vlieëgel (vlegel) de vruchte te dieërsje (het graan te dorsen). Ook werd gewacht met de duënehèkge te sjaere (meidoornhagen te knippen) tot men weinig andere werkzaamheden kon verrichten. Flink ingepakt met hêsje aa (handschoenen aan), oèrkleppe (oorkleppen) op of ’n sjêrrep (sjaal) uëver de kop (over het hoofd) tegen de kou, ging men aan de slag. Wanneer dan ook nog de bìjs ging (de noord-oosten wind waaide) zei men tegen elkaar: ’t ès bièstig kaad of ’t ès sjpiets (snerpend koud). Het koud weer kon lang aanhouden. Men zei niet voor niets: ès ’t sjteingood bleujt kènt ’t nog erg sjpiets ziên. (Sjteingood zijn vruchten met een pit, bv. kersen of pruimen).
Voor de kinderen had de koudste periode van het jaar ook zijn leuke kanten. De dorpspoelen zorgden voor de nodige ijspret. Ze konden erop kei-je (glijden) en sjaatse. En de vele hoogteverschillen rond ons dorp boden ruimschoots de gelegenheid om met de ièssjtool en sjlèi-j erop uit te trekken. Wanneer een periode aanbrak dat het iets minder koud werd en sneeuw en ijs verdween, verzuchtten vele dorpelingen: gelökkig, ’t waer gèèt aaf.

Verandering van jaargetijde
Het duurde echter toch nog een tijd tot de dagen van de Iesheilige voorbij waren. De ervaring leerde: In miert en apreel kènt ’t erg sjoêw doeë. (In maart en april kan het nog slecht weer zijn). En, ès de daag lenge dan goeën ze sjtrenge. (Wanneer de dagen langer worden, wordt het kouder). Na zo een nachvros (nachtvorst) stonden in vele huizen de blomme op de roete. Had het licht gevroren dan lag bij dageraad een witte deken van roevros (rijp) over het land. Ook maakte in die tijd van het jaar de mies (mist) of daamp (nevel) de wereld ‘klein'.
In Honthem zei men dan: daamp in den Daal, good waer ueveraal (het wordt die dag goed weer). Daarentegen daamp op de bérreg dan rieëngent ‘t tot in d’n aarsj derrem (het gaat die dag flink regenen). Of, daamp ès de moor van eker waer met andere woorden na nevel kan het met het weer alle kanten op. Wanneer het ’s avonds flink regende en stormde noemde men dat sjelmewaer (schelmenweer) of sjmoekkelwaer (weer voor de smokkelaars).
De eerste tekenen dat ’t vuurjaor langzaam op gang kwam, waren de blauwe miertse fiejuulkes (maartse viooltjes). Deze groeiden vooral in de grave (talud) van de holle wegen. Ouders stuurden dan hun kinderen op zoondigenoon (zondagmiddag) het veld in om de bloemetjes, die toch als iets aparts gezien werden, te plukken. Thuisgekomen kregen ze een plaatsje voor het heilig Hartbeeld.

Oonwaer (onweer)
Oonwaer was de schrik voor velen. Bij elke blieksemfliets sloeg men een kruisteken. Er werd een kaarsje aangestoken en gewijde kroedwösj in het vuur gegooid. Sommigen baden zelfs het Sint-Jansevangelie. Wanneer het tijdens het onweer begon te regenen, werd dat als gunstig ervaren. Getuige het oud gezegde: ’t hommelt, ’t rieëngent, dan ès ’t noèdwaer gezieëngend. Hommele was een oud woord voor onweer.

2010blz107

Het oonwaer komt meestal na ‘ne wêrme daag als het breuerig (broeierig) aanvoelt. Vooral de periode van de honsdaag (19 juli tot 18 augustus) was berucht. Men zag het waerleechte of men hoorde het oonwaer al van ver aankomen, meestal vanuit zuidwestelijke richting. Als men dan op het land aan het werk was, zei men: kom heiversj (naar huis) ‘t begìnt te rommele boeëve de Maas. Was het hiervoor al te laat en kon men niet op tijd thuis komen dan werden heel wat schietgebedjes naar ‘boven’ afgevuurd, terwijl de gezinsleden thuis voor de werkers in het veld de roezekraans baejde (rozenkrans baden).
Er is een speciale heilige die mensen tegen blikseminslag moet beschermen: Sint-Donatus. In heel veel woningen kon men een huiszegen van die heilige vinden.

2010blz108

Winter in Honthem:
Maria, Michel en Pierre Schreurs

Ten slotte
Er zijn weerprofeten die menen te weten dat het weer zich elke honderd jaar herhaalt. Als dat waar is dan wordt 2011 een extreem droog jaar. Want uit oude krantenartikelen weten we dat in 1911 alle dorpspoelen droog stonden en destijds de inwoners van Honthem en Cadier en Keer wekenlang, 24 uur per dag, naar de Fontéin in de Daor en sommigen zelfs naar de Maas moesten om drinkwater te halen voor hun beesten.

Met dank aan:
Pierre Lemmens en de mensen van de werkgroep dialect:
Christien Beijers-Broers (†), Jean Beijers, Anneke Schiepers-Brouwers, Jean Janssen, Jean Keulen en Frans Mingels