facebook     twitter2  

 

Aantekeningen van pastoor Wijnand Kikken (1)
door Lei Haesen

Wijnand Kikken groeide op in Keer en woonde als pastoor zijn gehele verdere leven in Cadier. Daardoor kende hij zijn parochianen door en door en was hij goed op de hoogte van het wel en wee in elk gezin. Zijn betrokkenheid met zijn 'schapen' weerspiegelt zich in de opmerkingen die de pastoor geschreven heeft in de doop-, huwelijksen overlijdensregisters.
Veel wat door de pastoor is opgetekend, heeft wellicht voor een neutrale lezer niet zo veel waarde. Toch hebben wij in onze keuze uit zijn notities die ogenschijnlijke details opgenomen, omdat deze een bijdrage leveren tot de vorming van een beeld van die tijd en van het leven en de denkwijze in ons dorp ongeveer 300 jaar geleden.

Na een inleiding over Wijnand en het gezin, waarin hij opgroeide, en een korte schets van de tijd, waarin hij zijn ambt uitoefende, zal in een aantal bijdragen aan zijn notities aandacht besteed worden.
De schrijver is onze medewerker drs. Simon Peters, classicus, zeer erkentelijk voor de vertalingen van deze in het Latijn geschreven aantekeningen.

Het gezin Kicken
Wijnand Kikken, zoon van Joannes Kicken en Maria Mertens, werd zeer waarschijnlijk in Keer geboren en in de kerk van Heer gedoopt (Keer behoorde tot de parochie Heer). In het oudste doopregister van Heer, beginnend in 1654, staan de doopsels ingeschreven van drie jongere zusters van Wijnand. Wijnand zelf en zijn andere zuster(s) en broers moeten vóór 1654 geboren zijn. Zijn ouders kwamen uit meer gegoede families, waardoor de priesteropleiding van Wijnand ook mogelijk werd gemaakt. De vrij hoge kosten van de opleiding waren namelijk geheel voor rekening van de student of zijn familie.
Vader Joannes, zoon van Christiaan Kicken en Barbara Jekermans, was dorpsmeester van Heer en Keer. Moeder Maria Mertens, dochter van Martinus Mertens en Petronelia Meusens, overleed tweede kerstdag 1662. Joannes bleef achter met acht nog in leven zijnde kinderen, van wie de jongste nog geen jaar oud was. Hij hertrouwde ruim een jaar later met Gertrudis Geurts uit Wijlre. En dat gebeurde niet zonder enige commotie, getuige de aantekening van pastoor Rutten in het huwelijksregister. De blijkbaar bijzonder aantrekkelijke (of rijke?) Gertrudis had heel wat potentiële vrijers rond haar zwermen, die in een soort 'wedstrijd' om haar hand dongen. Ook weduwnaar Joannes Kicken ontbrak het niet aan enige heroïek en romantiek. Samen met negen andere ruiters trok hij op naar Wijlre, schaakte zijn aanstaande bruid en bracht haar naar Keer. Van een ontvoering, aldus de pastoor, was geen sprake. Gertrudis had haar instemming gegeven. Er moest nu snel getrouwd worden. Reeds na de eerste roep (normaal drie roepen op drie opeenvolgende zondagen) werden zij in de echt verbonden. Dat gebeurde niet alleen omdat het wonen onder hetzelfde dak als oneerbaar werd beschouwd, maar ook omdat gevreesd werd voor een ongeluk, veroorzaakt door jaloerse rivalen uit de woonplaats van zijn bruid.
Het gezin Kicken werd nog uitgebreid met twee (half)zusjes. Moeder Gertrudis overleed vijf jaar na haar huwelijk in 1669. Vader Joannes was opnieuw weduwnaar. Voor de derde maal stapte hij in het huwelijksbootje, nu met Catharina Janssen, weduwe van Arnoldus van Geleen. In 1703 werd hij door zijn zoon begraven op het kerkhof van Cadier in het graf van zijn eerste echtgenote.

Wijnand Kikken was aanvankelijk als kapelaan werkzaam in Sint Geertruid. Tussen 1678 en 1680 nam hij het pastoorsambt in Heer en Keer waar. Gelet op een aantekening van zijn hand in 1678 in het register van overlijden van Cadier, is het waarschijnlijk, dat hij vanaf genoemd jaar ook hier reeds assistentie verleende. In 1680 werd Wijnand benoemd tot pastoor van Cadier. Hier zou hij onafgebroken tot aan zijn dood in 1735 - bijna 55 jaar lang dus - leiding geven aan de parochie. Gedurende die periode bediende hij tevens de parochie Bemelen.
De ruim 80 jaar oude Wijnand vond, overeenkomstig de laatste wilsbeschikking, zijn laatste rustplaats in de kerk vóór het St. Nicolaasaltaar (één van de twee voormalige zijaltaren in de oude kerk).
Zijn testament had hij op 26 september 1729 notarieel laten opmaken. Hierin stichtte hij tevens een eeuwigdurend jaargetijde. Op zijn sterfdag (3 juni 1735) diende jaarlijks een hoog- en leesmis gecelebreerd te worden.
Ten slotte: Waarom de pastoor gekozen heeft zijn familienaam uiteindelijk met twee k's te schrijven en niet met ck, is een raadsel, temeer daar hij bijvoorbeeld het overlijden van zijn naaste verwanten later wel optekent met de geslachtsnaam Kicken.

jrg7blz77

De Dorpsstraat in het eerste kwart van de vorige eeuw met rechts de voormalige woning
van pastoor Wijnand Kikken (nu restaurant De Pastorij)
.

Tijdsbeeld 
De pastoor oefende zijn ambt uit in woelige tijden en onder moeilijke omstandigheden. De (protestantse) Hollandse bestuurders legden beslag op zijn inkomsten uit de pastorielanderijen, het kerkgebouw verkeerde in staat van verval, het hoofdaltaar was vernield en de inventaris armoedig. De zilveren monstrans en ciborie waren uit de kerk geroofd en veel ornamenten ontbraken of waren kapot.
Regelmatig trokken legers door onze regio. De Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successie Oorlog (1702-1713) lieten diepe sporen na en de lasten drukten zwaar op de bevolking. Leningen moesten worden afgesloten om aan de eisen van de vreemde machthebbers te kunnen voldoen. En was er dan eindelijk vrede, dan werd de bevolking weer getroffen door slechte economische omstandigheden, zoals in de periode 1720-1729, mede veroorzaakt door een crisis in de landbouw.
Ondanks deze moeilijke omstandigheden slaagde pastoor Kikken er niettemin in met veel moeite en improvisatie en vaak op eigen kosten (onder meer de aankoop van een nieuwe kerkklok in 1707) de parochie Cadier 'draaiende' te houden.

Het doopsel
Men geloofde dat een kind werd geboren met de erfzonde. Bij het doopsel werd met gewijd water en olie de erfzonde weggewassen.
Door de grote kindersterfte in het verleden werden de kinderen uit angst voor een plotselinge dood kort na de geboorte gedoopt. Zij zouden anders óf eeuwig blijven rondzwerven als 'dwaallichtjes' óf in het voorgeborchte komen, een plaats waar zij een natuurlijk geluk genoten, zonder de hemel te bereiken. Bij het doornemen van de doopregisters van onze parochie gebeurde het dopen in de tijd van Wijnand Kikken op de geboortedag zelf of, indien de geboorte in de late middag of avond plaatsvond, de volgende dag.

Verkeerde een kind bij de geboorte in levensgevaar, dan verrichtte doorgaans de vroedvrouw (wìjsvroûw) een nooddoop (giedûip) met gewoon water. De pastoor deed naderhand de doop nog eens over, omdat hij er zeker van wilde zijn dat deze volgens de regels was geschied. Een voorbeeld. Toen op een meinacht in 1695 Christianus, zoon van Egidius de Bie en Barbara Kicken, ter wereld kwam, werd het jongetje thuis met gewoon water gedoopt en 's morgen door de pastoor volgens de regels. De moeder van het kind was overigens een zus van Wijnand.
Tijdens het pastoraat van Wijnand Kikken worden door hem als vroedvrouwen met naam vermeld: Johanna Leentiens, Catharina van der Linden, Johanna Houben en Odilia Mees. Bij dopelingen uit Honthem wordt verder een aantal malen vroedvrouw Elisabeth Smeetz uit Bannet (Banholt) genoemd.

In het visitatierapport van 1712 van het bisdom Luik staat dat de vroedvrouw in de parochie Cadier (toen Odilia Mees) katholiek, geschikt en beëdigd was. De vroedvrouw moest daarvoor bij de pastoor op 'sollicitatiegesprek'. Zij moest onder meer blijk geven de doopformule te beheersen: "N.N., ick dope u inden naem des Vaders, inden naem des Soons, inden naem des H. Gheest. Amen".

jrg7blz79

Het hardstenen, laat-gotisch wijwatervat uit de zestiende eeuw, versierd met rozetten en aan de bovenkant vier uitstekende koppen,
is thans in gebruik als doopvont in onze parochiekerk.

In de tijd van Wijnand Kikken deed vermoedelijk een ouder doopvont nog dienst.
Deze, inmiddels in verschillende stukken gebroken, ronde kuip dateert uit of kort na 1266 (stichting van de parochie)
en fungeert momenteel als bloembak en staat op het grasveldje aan de Kerkstraat langs het pad naar het kerkhof.

Verder beloofde de vroedvrouw geen levenloos geboren kinderen te dopen. Zij moest zorgen dat de zwangere vrouw, alvorens deze in het kraambed kwam, eerst ging biechten en communiceren. Ook diende zij de pastoor te beloven hem te waarschuwen, indien het kindje te lang ongedoopt zou liggen.

Traden tijdens de bevalling complicaties op en kon het hoofdje van het kindje nog niet bereikt worden, dan "doope men over een der andere ledematen, om het dopen daarna over het hoofd te herhalen", aldus het officiële voorschrift. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een zoontje van Paschasius Smeets en Gertrudis Brouwers uit Keer. Het kindje kwam op 10 juli 1695 levenloos ter wereld. Het was kort daarvoor, toen het zich nog in de moederschoot bevond, door de vroedvrouw op een armpje gedoopt.
Een ongeboren zoontje van Gerardus Wijnants en Agnes Hons werd op 22 september 1715 op zijn voetje gedoopt. Ook dit kindje overleefde het niet. Vermoedelijk was in beide gevallen sprake van een stuitligging.

Wanneer de moeder in levensgevaar verkeerde, probeerde men eveneens het ongeboren kindje nog te dopen. Op 8 januari 1688 overleed plotseling tijdens de bevalling Gertrudis Horsmans, echtgenote van Egidius Colen. Het kindje werd uit voorzorg gedoopt op de kruin van zijn hoofdje, dat blijkbaar al zichtbaar of bereikbaar was. De moeder stierf 'onder de handen van de vrouwen'. Anders dan tijdens de bevalling was de verzorging van de moeder in het kraambed in die tijd een buren- of familieplicht. Dit verklaart dat, behalve de vroedvrouw, nog andere vrouwen in de woning aanwezig waren.

Een andere en zeer merkwaardige gebeurtenis vond in hetzelfde jaar plaats. Catharina Smeets, echtgenote van Petrus Willems, overleed op 12 oktober 1688 in Keer tijdens de bevalling van haar zevende kind. Het nog ongeboren meisje werd gedoopt. Pastoor Kikken schrijft, dat het kindje de volgende dag alsnog ter wereld werd gebracht maar overleed. Dit voorval doet ons denken aan excessen die elders plaatsvonden. Zo paste in de achttiende eeuw, in een dorp niet ver hier vandaan, een pastoor na het overlijden van de barende moeder eigenhandig een soort keizersnede toe. Hij wilde kost wat kost het kindje nog dopen. De Kerk maakte in 1899 een einde aan deze mensonterende handelingen. Er werd bepaald dat na de dood van de moeder alleen nog artsen een keizersnede mochten uitvoeren. 

Het zijn niet alleen maar tragische gebeurtenissen, waar Wijnand Kikken bijzonderheden over vertelt. Toen op 9 december 1697 Caecila Scruers gedoopt werd tekent de pastoor hierbij aan dat dit één dag oude meisje begon te lachen, toen hij tijdens de doop de ouders naar haar naam vroeg. Blijkbaar was hij ontroerd door dit leuke moment, want hij besteedt er bij de inschrijving nogal wat aandacht aan.
En blijkbaar verheugde hij zich bij de doop van het eerste kindje van Maria Smeets en echtgenoot op 5 april 1712, getuige de opmerking dat de moeder lange tijd onvruchtbaar was geweest. Deze opmerking vertelt ons nog iets. Wanneer uit een huwelijk geen kinderen voortsproten, was de moeder daar blijkbaar debet aan. Aan een mogelijke onvruchtbaarheid van de vader werd nog niet gedacht.

 Zigeuners?
De dorpsbestuurders deden er alles aan vreemdelingen te weren. Om de inwoners te vrijwaren tegen overlast vaardigde de rijproost van Heer en Keer in 1684 een verordening uit tegen het herbergen van 'Egyptenaren vulgo Tateren genoemd'. Hij gelastte de ingezetenen dit volkje uit de gemeente te verdrijven. Als boete tegen nalatigen werd drie goudgulden vastgesteld. In 1715 verbood het kapittel opnieuw het toelaten van heidenen en taters te Heer en Keer. Met Egyptenaren of Tateren worden zeer waarschijnlijk zigeuners bedoeld, maar zekerheid hebben wij hierover nog niet.

Ook in Cadier werd voor een harde aanpak gekozen. In de ambtsinstructie van de bode (veldwachter), bestaande uit liefst 38 artikelen, staat in het eerste en beste artikel: "Deze Boden zal gehouden zijn daaglyks zyn district om te gaan, de groote en andere Wegen te frequenteeren, zorge te draagen en toezigt te neemen, dat geene vreemde Bedelaars, Vagebonden of suspecte Persoonen zich binnen het district, daar hy aangesteld is, zich bevinden of ophouden. Maar zal dezelve arresteeren, en daarvan aanstonds kennis geeven aan de Borgemeesters van het district, om provisioneel in verzekering gesteld en bewaard te worden".

Maar ook vreemdelingen stichtten gezinnen. Waar vonden de vrouwen onder hen een plek om te bevallen, wanneer het onderdak verlenen aan deze personen verboden was? Pastoor Kikken geeft ons het antwoord. Een tweetal voorbeelden. Op 30 juli 1711 kwam in Keer 'in die Grubb onder die Wilgeboomen' een zoontje ter wereld van Joannes Bossman en zijn vrouw Anna Maria. De onder de 'blote hemel' geboren Petrus werd nog dezelfde dag gedoopt.

jrg7blz82

Geboren 'in die Grubb onder die Wilgeboomen'
(tekening Jean Keulen)

Vijf jaar eerder, op 8 september 1706, vonden Joannes Andreas en zijn hoogzwangere vrouw Anna Maria onderdak in de grotwoning van kluizenaar Joannes Lammeren te Bemelen. De vrouw beviel hier van een dochtertje, dat bij de doop de naam Maria kreeg.
Bij beide doopinschrijvingen noteerde de pastoor dat het hier 'Egyptenaren alias Tateren' betrof.

(wordt vervolgd)