facebook     twitter2  

 

Scholing en vorming voor Keerder vrouwen
door Jo Purnot

In 1930 besluit de Limburgse Land- en Tuinbouwbond in navolging van landelijke initiatieven meer zorg te besteden aan de ontwikkeling en de vorming van de boerinnen in deze provincie. De bond liet er geen gras over groeien. Kerstmis 1930 werden de Statuten van de provinciale boerinnenbond al door de bisschop goedgekeurd. Een normale procedure, want alle katholieke organisaties hadden in die tijd bisschoppelijke toestemming nodig. Het doel van de boerinnenbond was: "Bevordering van godsdienstige, maatschappelijke en vakkundige ontwikkeling der leden".

De oprichting in Cadier en Keer
Bijna vijf jaar na de oprichting van de provinciale boerinnenbond wordt hier op zondag 13 oktober 1935 in het patronaatsgebouw een bijeenkomst belegd voor vrouwen uit de agrarische sector. Op aandringen van de parochiegeestelijkheid is een flink aantal 'boerinnen' aanwezig. Buiten pastoor Durlinger geven ook twee 'kopstukken' van de provinciale boerinnenbond, de geestelijke Bemelmans en mejuffrouw Hendriks, acte de presence.
Tijdens de oprichtingsvergadering kiezen de dames een bestuur. Voorrzitster wordt mevrouw Heusschen-Huls. Mejuffrouw Anna Schevers neemt het secretariaat op zich en gaat de financiën beheren.
Mevrouw Claassens-Gilissen wordt bestuurslid. In hoeverre het bestuur spontaan is gekozen of vooraf door pastoor Durlinger is aangezocht, is niet meer te achterhalen. Kapelaan Riemersma wordt als geestelijk adviseur aangewezen en de vergadering kiest Sint-Barbara als beschermheilige. Verder besluiten zij om Broeder Michaël van Huize St. Joseph te vragen het technisch adviseurschap op zich te nemen. Als de pastoor de oprichtingsvergadering afsluit, kan hij tevreden zijn, 36 vrouwen melden zich aan. In het eerste jaar komen daar nog vier dames bij.

De boerenorganisatie
De boeren hadden zich al vele jaren eerder georganiseerd, ook in Cadier en Keer en Honthem. In een krantenartikel van 1889 lezen wij dat in ons dorp lezingen werden gegeven door een landbouwleraar. Ook werd drie jaar later het landbouwcasino opgericht; de eerste voorzitter was de pachter van de Meussenhof, Johann Joseph Hubert Vorage. Een paar jaar later volgde Johannes Wilhelmus Hubertus Douven van de Honthemerhof hem op, die op zijn beurt in 1897 de voorzittershamer weer overgaf aan Andreas Fraats, die bij Blankenberg woonde. Voor een vrouwenorganisatie was het toen nog veel te vroeg. Vrouwen volgden nauwelijks een opleiding en waren in zekere mate rechteloos. Het duurde tot 1957 voordat de wet een gehuwde vrouw handelsbekwaam verklaarde; tot die tijd mocht zij in feite nog geen paar klompen kopen zonder toestemming van haar man.

Overdracht van het voorzitsterschap
Jeanny Essers, Trinette Heusschen-Huls (aftredend voorzitster), Lies Lemmens-Blom, Pierre Bessems en Fien Bessems-Spronck (nieuwe voorzitster).

 

De boerin krijgt er taken bij
Ruim honderd jaar geleden onderging het boerenbedrijf een flinke verandering, want veel landbouwers moesten, onder druk van de economische omstandigheden, overgaan van akkerbouw naar gemengd bedrijf (landbouw in dienst van de veeteelt). Deze omslag had grote consequenties voor de werkzaamheden op de boerderij en dus ook voor de gezinsleden. Vooral voor de 'vrouw des huizes' betekende dit een hele verandering. Volgens oud gebruik zorgde de boerin niet alleen voor het huisgezin, maar ook voor de moestuin en het kleinvee (kippen, konijnen). Toen er (meer) vee in de stallen kwam, kreeg zij er dus nog een aantal taken bij; de koeien melken en boter en kaas maken gingen ook tot haar dagelijkse werk behoren. Dat was de reden waarom de provinciale boerenbond in 1930 vond dat er iets aan de ontwikkeling en vorming van de 'boerin' gedaan moest worden. Overigens, de katholieke kerk kwam het initiatief goed uit. Zij kon op die manier participeren en extra grip krijgen op de vorming van de huismoeders die voor het 'uitdragen' van het geloof binnen het gezin erg belangrijk waren.

Verzet tegen de vrouwenorganisatie
Toch was met de oprichting van een organisatie die zich speciaal op vrouwen richtte, niet iedereen gelukkig. In de hele provincie waren protesten niet van de lucht. Men was bang dat een Boerinnenbond aanleiding zou zijn voor uithuizigheid, verwaarlozing van het huishoudelijke werk en van de taken die de vrouwen buitenshuis, in het veld of in de stallen moesten verrichten.

De vrouw als echtgenote en moeder
De vrouw was de spil van het gezin. Zij 'runde' het huishouden, kookte, poetste, waste, en zorgde dat iedereen kleren aan het 'lijf' had. Zij werkte in de groentetuin en voerde het vee dat op stal stond. Zij melkte, draaide de boter en als de nood hoog was, hielp zij mee op het land. Zij deed dit op de manier, zoals zij dat van haar moeder en grootmoeder had afgekeken. Van de vroege morgen tot de late avond was zij voor het gezin in de weer. Kortom, van de vrouw werd verwacht dat ze altijd bezig was. Een algemeen gezegde was niet voor niets: 'n Vrouwehaand en 'ne pieërsjtaand maoge noets sjtèlsjtoeën. En, tussendoor baarde zij ook nog kinderen, veel kinderen, want gezinnen van meer dan acht personen waren tot de jaren vijftig van de vorige eeuw normaal.
Het kraambed was de enige plaats waar haar rust gegund werd; dan moest zij negen dagen in bed blijven. Hoewel, zelfs dan wist zij haar tijd nuttig te gebruiken, want menig paar sokken, sjaal en trui werden tijdens de kraamperiode gesjtriek (gebreid).

Leden van de boerinnenbond waren ook actief bij het schoonmaken van de noodkerk, een grote loods tegenover de voormalige molen Ackermans aan de Limburgerstraat.
Van links naar rechts: Annie Boumans, Trinette Heusschen-Huls, mevr. Janssen, Net Eijssen-Heijnen, Jeannette Sehevers, Berbke Spronck-van den Boorn, Lies Ackermans, Bèr Ackermans en Anna Bessems-Ackermans met voor haar dochter Kittie.

Al heel vroeg werden de meisjes voor hun taak gevormd. Hoewel het in ieder huisgezin anders was, moesten de oudste meisjes in het gezin een deel van de verzorging van de jongere broertjes en zusjes op zich nemen. Vaak was er een groot verschil tussen de tijdsbesteding van de jongens en de meisjes. Natuurlijk moesten de jongens ook mee aanpakken, maar ze hadden in het algemeen meer vrije tijd dan hun zusjes. Jongens vonden toch nog de gelegenheid om op straat rond te hangen of in groepjes het bos in te trekken. Als meisjes hun eigen karweitjes gedaan hadden, moesten zij sowieso hun moeder helpen. Ook 's avonds waren zij altijd bezig. Terwijl het mannelijke deel van het gezin zijn vrije tijd doorbracht met kaarten, was dat voor vrouwen en meisjes niet gepast. Er was altijd wel iets te sjtoppe (stoppen), te sjtriekke (breien) of te haoke (haken).

De wesj (was), een hels karwei
Dat het normale huishoudelijke werk op de schouders van de vrouw rustte, was vanzelfsprekend. En dat ging vóór de jaren zestig van de vorige eeuw voor een groot gedeelte zonder elektrische apparatuur, een situatie die wij ons tegenwoordig nauwelijks kunnen voorstellen. Het zwaarste karwei voor de huisvrouw was ongetwijfeld de wekelijkse was. In de grote gezinnen waren daar bijna drie dagen mee gemoeid. Dat begon op zondagavond als het vuile wasgoed in een grote wasketel achter op het fornuis in de week werd gezet. Op maandagmorgen werd het wasgoed uitgewrongen en ging de ketel met schoon water opnieuw op het vuur. Bij voorkeur gebruikte men opgevangen regen water, omdat daar weinig kalk in zit. Daarna begon het schrobben over de sjroomp (zinken geribbeld wasbord) die schuin in een teil werd gezet. Na het wassen moest meerdere keren gesjpeuld (gespoeld) worden, meestal met blauwsel in het water. Vervolgens werd het wasgoed met de hand uitgewrongen, dat vergde veel inspanning. Voor het grotere wasgoed riep de huisvrouw de hulp in van huisgenoten of de buurvrouw. Ten slotte werd de bonte was aan de waslijn gehangen om te drogen en de witte was op de bleik (bleek) gelegd om de zon de kans te geven de achtergebleven vlekken te verbleken. Ais dan het wasproces klaar was, had de huisvrouw rugpijn van het bukken, was zij misselijk van de ingeademde zeepsopdampen en had zij open gescheurde handen van het schuren. Vooral in de winter kreeg ze last van de beruchte weenterhan (handen vol kloven). Ondanks deze zware lichamelijke arbeid was het voor de huisvrouw een prestigezaak om de was witter te hebben dan haar buurvrouw. Vrouwen die hun was niet goed verzorgden, gingen door het hele dorp over de tong.

Scholing en vorming
Alle activiteiten van de boerinnenbond waren gericht op cursussen en vorming. Elk jaar probeerde het bestuur een gevarieerd winterprogramma (van november tot mei) op te zetten. Maandelijks werd een deskundige uitgenodigd om over een bepaald onderwerp iets te vertellen, dat varieerde van 'thee-demonstraties', hoe men 'vilthoeden kon schoonmaken', over 'het opfokken van kuikens' tot een voordracht over 'wellevendheid' en over 'de verbeteringen bij de Zuid-Limburgse watervoorziening'. Dit laatste was nodig, want in de vóóroorlogse periode was nog niet elke Keerdenaar ervan overtuigd dat water uit de kraan beter was voor de gezondheid dan het koele putwater. Soms werden de voordrachten begeleid door lichtbeelden. Een grote rol bij de scholing was weggelegd voor broeder Michaël. Hij nam elk jaar een gedeelte van het programma voor zijn rekening. Vooral onderwerpen over bloemen en planten, de groentetuin, de zuivelbereiding en hygiëne behoorden tot zijn specialiteit. Hij deelde ook planten uit en na een bepaalde periode werd dan gekeken wie haar plant het beste verzorgd had.

Deelneemsters aan een kookcursus in 1941
Mia Spronck-Beijers, Anna Bessems- Ackermans, Jes Daemen, Jet Munnix-Janssen, Maria Vaessen-Pinckers, mevr. Muijtjens (Heer), Lies Narinx (Honthem), Trinet Richelle-van Hoven, kapelaan Riermersma, Maria Mourmans (Bemelen), Mia Andriën (Bemelen) en mej. Visser (onderwijzeres koken).

Buiten de maandelijkse bijeenkomsten werden ook cursussen gegeven in 'het omgaan met naald en draad' en koken en bakken. Een kookcursus bestond uit acht lessen en kostte in totaal 2,50 gulden. Veel nadruk werd gelegd op de hygiëne bij het bereiden van het voedsel.
Ook de cursussen over de huisslacht konden op veel belangstelling rekenen. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw, lag bijna achter elk huis e verrekes (varkensstal) waarin een varken vetgemest werd. Was de plaatsruimte te beperkt of de aanschaf van een biggetje voor een huishouden te duur, dan hield men met twee of zelfs drie huishoudens samen een varken. De big werd vetgemest met het afval dat thans in de groene container terecht komt. Na de slacht werd het vlees onder de huishoudens verdeeld. De vrouwen leerden tijdens de slachtcursus hoe ze het vlees moesten verwerken en bewaren en ze wisselden recepten uit voor het maken van leverworst, leverpastei, zwoerdrolletjes, bloedworst en huidvleisj (hoofdkaas). In de periode dat mevrouw Boumans voorzitster was, stelde zij een varken en haar keuken voor de slachtcursus beschikbaar.

Geestelijke vorming
Natuurlijk zorgde de parochiegeestelijkheid ervoor dat jaarlijks in een aantal bijeenkomsten 'de verdieping van het geloof' aan de orde kwam. Die voordrachten gingen dan over 'de verering van O.L. Vrouw', over 'het zedelijk verval op het platteland', 'de verschijning in Fatima', het bijwonen van de H.Mis en allerlei andere geestelijke onderwerpen. Tijdens een van die bijeenkomsten werd de afspraak gemaakt dat in elke H.Mis minstens een lid van de boerinnenbond aanwezig zou zijn.

Ontspanning
Hoewel opleiding en vorming de boventoon voerden, was er ook tijd voor ontspanning. Zo was de naamdag van de patroonheilige van de bond, Sint Berb (4 december), een feestdag voor de dames. Dat begon 's morgens tijdens de H.Mis als ze gezamenlijk de H. Communie ontvingen. 's Avonds werd het feest voortgezet; de mannen van de boerenbond waren daar ook bij aanwezig. Zo een feestavond had vaak dezelfde invulling. Steevast werd begonnen met het zingen van het Limburgse volkslied: "Waar in 't bronsgroen eikenhout..." Verder was er een koffietafel; tijdens het eten werd veel tijd ingeruimd voor zang en voordrachten waarbij broeder Michaël zich niet onbetuigd liet. Zo nu en dan zorgde men zelfs voor dansmuziek zodat de beentjes van de vloer konden. De secretaresse schrijft enthousiast in haar verslag over een van die feesten dat de Valeta (een Spaanse wals) gedanst werd. Ook kregen de dames tot hun groot genoegen films van Charly Chaplin en de verschijning van de H. Maria in Lourdes voorgeschoteld. De feestavond werd altijd op gepaste wijze afgesloten met een avondgebed en met het zingen van "Aan U O Koning der eeuwen ... "

St. Nicolaasfeest in het Groene Kruisgebouw aan de Limburgerstraat (eind jaren zestig)
Van links naar rechts: Maj Bouchoms-Bessems, Anneke Schiepers-Brouwers, Mai Essers-Pirnaij, Maj Bessems-Germeaux, St. Nicolaas, Net Bisscheroux-Brouwers, Maj Brouwers-Schreurs, Tien Roijen-Brouwers en Lieske Bessems-Roijen.
(N.B. De namen van de twee pieten zijn niet bekend).

De boerinnenbond organiseerde ook bijeenkomsten waar niet-leden bij aanwezig mochten zijn. Vanaf midden-jaren-vijftig werd rond 11 oktober een moeder-bijeenkomst gehouden. Alle moeders van de parochie waren dan uitgenodigd. Bij de bijeenkomst van 1956 was zaal Gilissen als feestzaal ingericht en stand er een groot met bloemen versierd beeld van O.L.Vrouw met het kindje Jezus op haar arm. Er omheen brandden kaarsen en om een speciaal effect te krijgen werd het beeld door een schijnwerper verlicht. Volgens de verslaglegster maakte dit op de aanwezige vrouwen een geweldige indruk.

Minstens één keer per jaar trokken de dames met een bus erop uit. Het bestuur zorgde ervoor dat in het reisprogramma altijd een excursie was opgenomen, zodat in dat plezierreisje toch nog een leerelement aanwezig was. Tijdens een van die gelegenheden gingen zij met broeder Michaël naar Luik, waar ze een bezoek brachten aan de Grand Bazaar. In de voor de dames immens grote winkel was ook een roltrap, voor de meesten een novum. Sommigen die halverwege de trap waren, wilden weer terug, maar dat ging niet zomaar. Het gevolg was veel hilariteit, geschreeuw en gelach, tot groot ongenoegen van het winkelpersoneel. Al gauw klonk door de luidspreker het dringend verzoek of die pastoor met die vrouwen zich wat rustiger wilde gedragen. Broeder Michaël had de vermaning niet afgewacht en had zich al snel naar de uitgang begeven.

25-jarig jubileum L.V.B. (1960)

Zittend van links naar rechts:
pater Van Hout, Bep Heijnen, Marieke Bessems, Maij Huijnen-Spronck, Trinet Heusschen-Huls, juffrouw Keulers (voorzitster Kring Roermond), Maij Essers-Daemen (va Pietsje), pastoor Frissen, broeder Michaël
Staand eerste rij:
Maij Bessems-Germeaux, Eugenie Haesen-Steijns, Fien Heuts, Christien Kleijnen-Bessems, Fie Weusten-Drummen, A. Schillings-Drummen, mevr. Bastin-Lambie, Maria Lemmens-Brouwers, Anna Ubaghs-Nederlants, M. Janssen-Janssen, Berb Keulen-Daemen, Anna Daemen-Vrijens, mevr. Pluijmakers-Engelbert, Bertien Ernon-Spronck, mevr. Boumans en Annie Oostenbach-Hamers.
Tweede rij:
Net Eijssen-Heijnen, 
Agnes Kerckhofs-Jacobs, Liza Hoogenboom-Herben, mevr. Oostenbach- Widdersoven, mevr. Beckers-Heggen, Fien Bessems-Spronck, Sophie Vliegen-Janssen, Jeannette Vaessen-Claessens, Lène Kessels-Gilissen, mevr. Lemmerling-Deben, Catrien Heusschen-Riksen, Maria Lemlijn-Vaessen en Lucie Coninx-Boumans.
Bovenste drie:
Net Lemmens-Ackermans, Berbke Spronck-van den Boom en Anna Bessems-Ackermans.

De plaatselijke afdeling
De plaatselijke afdeling is in de afgelopen zeventig jaar niet alleen voor de vrouwen belangrijk geweest, maar de hele Keerder gemeenschap profiteerde van de activiteiten van de vereniging. Dat varieerde van het sokken breien voor Keerder jongens die tijdens de mobilisatie hun dienstplicht vervulden of het collecteren voor de gehandicapte kinderen tot het maken van paasmandjes voor de zieken en ouden van dagen en collecteren voor de bouw van de nieuwe kerk. Overigens, dat laatste deden zij op een originele manier door op een kermiszondag als bloemenverkoopsters met een melkwagentje vol met bloemen langs de deuren te gaan. Terwijl zij de bloemen 'aan de man' brachten zongen zij: "Ik heb rode rozen, hyacinten en narcissen ... "

Kortom wanneer plaatselijke verenigingen of individuele dorpsgenoten hulp nodig hadden, dan konden ze op de boerinnenbond rekenen.

De Keerder afdeling heeft niet alleen vele 'ups', maar ook enkele 'downs' gekend. Zo nu en dan klaagde het bestuur over de slechte opkomst bij lezingen. Ook de relatie met de provinciale bond was niet altijd om over naar huis te schrijven. De Keerder afdeling vond dat ze veel te veel contributie aan de provinciale bond moest afdragen. Dat heeft ook een tijdje tot een breuk geleid.

Van Boerinnenbond tot LVB en daarna Zij-actief.
Vanaf 1965 werd de naam van boerinnenbond gewijzigd in L(imburgse) V(rouwen) B(eweging) en richtte de organisatie zich niet alleen meer op boerinnen, maar op alle plattelandsvrouwen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er al vanaf de oprichting dames lid waren die niet direct als boerin door het leven stapten.
Ook veranderde de aard van de lezingen en cursussen. Had de organisatie in de eerste 30 jaar vooral oog voor de vrouw in het huisgezin, daarna richtte de bond zich op de vrouw in de maatschappij. In 1975 gaat (zelfs) een delegatie van de Keerder afdeling naar een emancipatiebijeenkomst in Utrecht. Of daar toen iedereen achter stond is de vraag. In 2001 wijzigt de LVB haar naam in Zij-actief.

Ook de invloed van de kerk is de laatste jaren steeds minder geworden, hoewel het verenigingsjaar elk jaar in mei wordt afgesloten bij de Lourdesgrot van het Missiehuis. De vrouwen hechten aan deze traditie. Bij dit treffen bij de Lourdesgrot zijn ook andere Zij-actief afdelingen aanwezig.

Ten slotte
Feit is dat de boerinnenbond/LVB/Zij-actief veel voor de plaatselijke vrouwen en de dorpsgemeenschap heeft betekend. Veel dames hebben de kar getrokken of zijn in de afgelopen zeventig jaar lid geweest. Namen noemen is onbegonnen werk. Trouwens, velen zijn op de bijbehorende foto's te zien.