facebook     twitter2  

 

Verenigingsleven

Sprokkelingen uit de historie (1921-1942)

Fanfare Sint-Blasius (deel 1)
Door Jo Purnot

Een doorwrocht historisch artikel schrijven over de fanfare is nauwelijks mogelijk, omdat het archief van de secretaris van vóór de oorlog voor een groot deel verloren is gegaan. Althans momenteel onvindbaar. Alleen een aantal kasboeken is bewaard gebleven. Gelukkig heeft de eerste naoorlogse secretaris, Giem Vliegen, terugblikkend een samenvatting geschreven over de jaren 1921 – 1946. In latere jubileumboekjes is die samenvatting iedere keer weer overgenomen. Wij zullen de bekende gegevens aanvullen met ander historisch materiaal.

 

Fanfare Sint-Blasius, een laatbloeier
Fanfare- en harmoniemuziek klinkt al bijna twee honderd jaar over ons Heuvelland. Niet zo vreemd in het katholieke Zuiden met zijn processies, optochten, toneelspelen en weideconcerten. Bij al die activiteiten werd vóór 1921 in ons dorp een eigen muziekkorps node gemist en moest dus een muziekkorps uit een naburig dorp worden ingehuurd.
Vele van onze buren waren ons met de oprichting van ene fanfare of harmonie al voorgegaan: Mheer (1821), Gronsveld (1835), Heer (1851), Margraten (1852), Banholt (1895), Sint-Geertruid (1905), Bemelen (1914) en Eckelrade (1920).

 

De oprichting
Het verhaal gaat dat in 1921, tijdens werkzaamheden in de buurt van Huize Sint-Joseph (nu Keerpunt), Lambert Keulen (Laambér va Daam) en twee andere Keerdenaren aan de praat raakten met een inwoner van Heer. Deze vroeg zich af waarom het toch zo moeilijk was in Keer een muziekkorps van de grond te krijgen. Dit gesprek had de drie Keerdenaren flink geprikkeld. Ze praatten erover in het dorp met als gevolg dat een aantal mannen de kar wilde trekken: - Tossing Gilissen, 64 jaar, landbouwer en wethouder – Pierre Bessems, gemeente-ontvanger en landbouwer, 58 jaar – Winandus Spronck (va Nandsje), kantoorschrijver, 59 jaar – Joseph Leijsens, hoofdonderwijzer, 48 jaar. Zij vormden ook het eerste bestuur amen met: Henri Ernon, Wilhelmus Spronck, Petrus Volders en Petrus Spronck. Op Leijsens na, allen geboren en getogen Keerdenaren. Burgemeester Thomassen, die tevens burgemeester was van Heer, werd benoemd tot ere-voorzitter.

 

2009blz77

De fanfare kort na de oprichting, bij het Missiehuis.
Zittend vanaf links: Jan Daemen, Guilliam Schevers, Jozef Coolen, Jozef Brouwers, burgemeester Andrien Thomassen, Toussaint Gilissen, Jan Bessems, Nicolaas Spronck, Arthur Schreurs, Servaas Gilissen.
Eerste rij staand: Lambert Keulen, Chris Daemen, Pie Heusschen, Pierre Beijers, Jan Daemen, Michel Spronck, Jo Wolfs, Pie Spronck, Math Heusschen, Wöm Beijers.
Tweede rij: Pierre Brouwers, Jan Brouwers, Pie Gilissen, Dorus (Doosje) Bessems, Giel Brouwers, Jan Bessems, Casper Conings, Giel Spronck, Jeu Wolfs

 

De eerste taak van het bestuur was het inzamelen van geld om instrumenten te kunnen kopen en een dirigent aan te trekken. Begeleid door pastoor Bosch maakte hetbestuur een rondgang door het dorp. De opbrengst bedroeg 1587 gulden en 27 ½ centen. Hiermee werden instrumenten gekocht bij de firma Schulpen in Roermond, Als dirigent werd de in Heer woonachtige Gustaaf de Pauw aangetrokken, een ervaren muzikant. Hij had in die tijd ook de fanfare van Lummel (Limmel) en de Oude (blauwe) harmonie van Eijsden onder zijn hoede. Gustaaf was meer dan alleen maar dirigent; hij componeerde ook een aantal processiemarsen. Zijn eerste taak was de vijfentwintig kersverse leden solfègeles te geven, zodat ze muzieknoten konden lezen. Overigens valt niet uit te sluiten dat enkelen elders al bij een korps gespeeld hadden. Verder kregen de Keerdenaren muzikale versterking van buiten. Ze weten we dat Theike Schreurs van Groot-Welsden, lid van de harmonie van Margraten, in de beginjaren ook in Keer meespeelde. In die periode heeft hij hier zijn latere echtgenote Nèt Lemmens (va Bèrke) ontmoet.

 

Het verschil tussen een harmonie en een fanfare
In Keer koos men voor een fanfare en niet voor een harmonie. Het verschil wordt bepaald door de instrumenten. Bij een harmonie zijn de houten klarinetten de belangrijkste blaasinstrumenten. Bij een fanfare zijn dat de koperen bugels. Bij een fanfare (in het Keerder dialect fomfaar) kan men in het algemeen met wat minder muzikanten toe, omdat de klank van de bugel sterker is dan die van een klarinet.
Bij de start in 1921 bestond het instrumentarium van de fanfare uit:
vier pistons, zeven bugels, een cornet, een saxofoon, twee alto’s, een bariton, twee trombones, drie tuba’s, twee bombardons, een grote en een kleine trom.

 

D’n drappoo (vlag)
Bij een muziekkorps hoort
‘nedrappoo. Het toeval wilde dat bij de oprichting van de fanfare in een kast in het gemeentehuis (nu ’t Keerhoes) nog de vlag van het voormalig mannenkoor opgeborgen lag. Het was waarschijnlijk dezelfde vlag die ruim twintig jaar eerder voor een enorme heisa had gezorgd in ons dorp.

In die tijd (1896) waren hier twee koren: het kerkelijk zangkoor St. Cecilia en het Mannenkoor. Hoewel een aantal mannen van beide verenigingen lid was, konden de twee verenigingen het niet goed met elkaar vinden. Vooral de voortrekkers van St. Cecilia, Thomassen (burgemeester) en van het Mannenkoor, van de Ven (hoofdonderwijzer)konden samen moeilijk door één deur. Toen de leden van St. Cecilia, tijdens een rondgang door het dorp, de groene vlag van het Mannenkoor hadden ‘geleend’, was Keer in rep en roer: Over en weer verschenen in de Limburger Koerier, de krant die in die tijd in deze omgeving gelezen werd, venijnige artikelen over dit akkefietje. Het naar buiten brengen van de ‘vuile was’, en dan ook nog via de krant, was ongebruikelijk en paste niet binnen de cultuur van een gesloten dorpsgemeenschap. Menig Keerdenaar zal zich hiervoor hebben geschaamd. (uit: Ós Keer, ‘ne tiêd truuk).

Deze vlag was al die jaren niet helemaal ongeschonden doorgekomen, maar mejuffrouw Trinet Wolfs was zo bekwaam de vlag weer op te kalefateren en geschikt te maken voor de fanfare. Daarna werd het kleinood, zoals dat in deze streek betaamde, op plechtige wijze in de kerk gezegend.

Rond 1934 was d’n drappoo aan vervanging toe en werd de vlag van de inmiddels opgeheven fanfare Sint-Joseph van Gronsveld overgenomen. Op het vaandel stond niet, zoals gebruikelijk, een heilige of een muziekinstrument, maar een zwaan afgebeeld. Op die zwaan werden nogal eens toespelingen gemaakt. Zo vroeg tijdens een optreden in Maastricht een aanwezige ‘Hollander’ of hij van die zwaan een ‘jong’ kon krijgen als die had gebroed. De vlaggendrager antwoordde gevat: “Die zwaan wordt niet broeds, die houden we de kont nat”.

 

2009blz79

Weidefeest.
Leden van de fanfare op het podium.
Links voor het podium staat de vlag met de zwaan van de fanfare Sint-Joseph van Gronsveld

 

D’n drappoo-draeger (vlagdrager) in de beginjaren was Bèrke Roebroeks. Hij ontving volgens de financiële administratie van de fanfare voor elk optreden 1,40 tot 3 gulden. Voor die tijd een flink bedrag, als we weten dat in de crisisjaren een werkeloze voor het werken in de kiezelkuil van de gemeente één gulden per dag incasseerde. Ook degene die de dikke trom moest trekken, hoefde dat niet gratis te doen.

 

2009blz81

Fragment uit het kasboek van 1925

 

Het eerste optreden
Nadat iedereen voldoende muziekkennis had opgedaan, werden de instrumenten uitgedeeld. Zoals hiervoor al is vermeld: de eerste instrumenten waren bij Schulpen in Roermond aangeschaft. Achteraf bleken die niet van de beste kwaliteit te zijn. Op de Einderweg ging men leren marcheren. In het voorjaar 1922 was men al zo ver dat men buiten het dorp durfde op te treden. Borgharen had de primeur. Borgharen was voor veel Keerdenaren een bekende plaats, omdat ze daar in september op bedevaart gingen naar Sint-Cornelius. Toen het korps onderweg van de gelegenheid gebruik maakte om de erevoorzitter, burgemeester Thomassen die in Heer woonde, een serenade te brengen, gaf die niet thuis en legde zijn erevoorzitterschap neer.

 

Repetitielokalen
Volgens de overlevering worden de eerste repetities in het schoolgebouw in de Limburgerstraat (’t Keerhoes) gehouden. Niet onlogisch, hoofdonderwijzer Joseph Leijsens is immers bestuurslid. In 1930 gaat het korps naar het café van Sjiel Spronck (va Nandsje) tegenover de kerk (tegenwoordig café Auwe Toeën). De vereniging en de caféhouder sloten een contract voor tien jaar. Wat er precies gebeurd is, is niet meer te achterhalen, maar in ieder geval ontstaat er onenigheid met de zaalhouder en duurt het verblijf toch maar enige jaren. Tijdelijk gaat men naar het café van Wöllemke Brouwers aan de Rijskweg (tegenover het Tolhuis). Wellicht is dat de meeste muzikanten te wiêd oet de kiêr (te veraf gelegen),want een paar maanden later, in juni 1934, wordt café Haesen, tegenwoordig ‘Old Inn’ repetitielokaal. Een zoon van de kastelein, Frans Haesen, herinnert zich nog dat het toen erg behelpen was. Het café was eigenlijk te klein voor dertig muzikanten en hun pepieters. Ook weet hij nog dat zijn moeder een keer per jaar een knìjnspartìj (konijneneetfestijn) moest organiseren. Zij zorgde dan dat voor iedereen een flink stuk konijn beschikbaar was. Geplaagd door ruimtegebrek strijkt de vereniging in 1936 neer in het café van Bèr va de Vleeg (vliegen-van de Weerdt), later café Pie va Tossing (Gilissen). Dit lokaal beschikt over een ruime zaal en daarmee is het ruimtegebrek eindelijk opgelost.

 

Weidefeesten

In onze streken waren tijdens de zomermaanden konzaers (weidefeesten) een bekend fenomeen. In elk dorp of gehucht werd een of twee keer per jaar zo een feest georganiseerd. Het hoofdthema was muziek, daarvoor zorgde de plaatselijke fanfare of harmonie. Vaak werd ook nog een muziekkorps uit de omgeving uitgenodigd. Dat laatste was lucratief omdat zo’n muziekgezelschap een grote schare supporters meebracht. Dat blijkt uit wat oudere Keerdenaren tegenwoordig nog met veel plezier vertellen over de konzaers in Bemelen en andere omliggende plaatsen waar onze fanfare optrad. Half Keer was dan in de feestweide te vinden.

Tijdens het weidefeest konden jongens en meisjes uit de verschillende dorpen elkaar ontmoeten. Die mogelijkheid deed zich anders alleen tijdens de jaarlijkse kermis voor. Danspartijen op andere zondagen waren hoogst zelden toegestaan. Van menig huwelijk is de kiem tijdens ’nkonzaer gelegd.
Op een weidefeest was meer dan alleen muziek. Voor de kinderen waren er en
sjokkel (schommel), trikkraom (touwtjestrekkraam), grabbeltonen een enkele keer zelfs een klein muëleke (draaimolentje). De volwassenen konden terecht bij de schiet- en ballentent. Vaak was er zelfs een waarzegster, deze was zeer in trekbij de tienermeisjes. De ‘bakvissen’ wilden graag meer weten over hun kansen op de huwelijksmarkt, hoeveel kinderen ze later zouden krijgen en of daar een tweeling bij was.

Om de kas van de organiserende vereniging extra te spekken werd er entree geheven, een loterij georganiseerd en werd er rijkelijk bier geschonken. Ook zorgde de organisatie voor ‘ne sjwiek (houten dansvloer). Het was gebruikelijk dat het weideconcert werd afgesloten met de cramignon (reidans).

Ook in ons dorp werd jaarlijks ’n konzaer gehouden. In de beginjaren van de fanfare gebeurde dat in een weiland van de voorzitter, Tossing Gilissen of van Bèrke Lemmens. Ook de jonkheden van Honthem, 't Root‘ en Keer organiseerden weidefeesten waar de fanfare optrad. Het korps incasseerde hiervoor 30 gulden per concert.

Evenals andere verenigingen organiseerde de fanfare in de wintermaanden toneelvoorstellingen. Geliefde speeldagen waren tweede kerstdag en carnavalszondag.

 

Discussies om subsidie in de gemeenteraad
De financiële situatie was (en is nu nog) een bron van voortdurende zorg. De vereniging moest het hebben van contributies, bedelacties, konzaers, en subsidies. De subsidieverzoeken werden niet altijd door ieder raadslid even hartelijk ontvangen.

Het eerste verzoek werd ingediend eind 1924. Met algemene stemmen krijgt de vereniging voor het jaar 1925 een bedrag van 50 gulden toegekend. Niet echt ruimhartig, want de fanfare moest in dat jaar 45 gulden ‘vermakelijkheidsbelasting’  betalen. Een jaar later laat het gemeentebestuur zich weer van zijn goede kant zien. We lezen in het raadsverslag dat de vijftien gulden die de plaatselijke verenigingen tot dan toe aan belasting moeten betalen voor het organiseren van openbare vermakelijkheden, verlaagd wordt tot tien gulden. Wethouder Toussaint Gilissen, die ook voorzitter van de fanfare is, zegt dat de fanfare in financiële moeilijkheden verkeert en meent dat voor deze vereniging  volstaan kan worden met een belasting van 7,50 gulden. Dit voorstel wordt afgewezen omdat de overige raadsleden vinden dat dit niet rechtvaardig is in de richting van de andere verenigingen, die het volle bedrag moeten betalen.

 

2009blz83

Tijdens een weidefeest.
Vanaf links: Gilmon Brouwers, Pie Gilissen, Pierre Beijers, Harrie Coolen, Michael Spronck (va de Graet) en Sjeng Bessems

 

Op 13 juni 1927 gaat de fanfare op concours in Hoensbroek. Wethouder Gilissen vraagt tijdens de rondvraag in de raadsvergadering een bijdrage in de onkosten van de reis. Raadslid Bisscheroux stelt voor het subsidiebedrag gewoon te handhaven en toestemming te geven voor twee belastingvrije uitvoeringen in dat jaar. Het voorstel van raadslid J.G. Jacobs om de subsidie eenmalig te verhogen tot f 100,-- wordt aangenomen. Een aantal jaren later wordt, wellicht ingegeven door de financiële crisis, in de raadsvergadering van 28 oktober 1932 onder hevig protest van Kolla Spronck met ingang van 1933 géén subsidie meer verstrekt. De leden van de fanfare voelen zich genomen en een aantal schrijft een brandbrief aan de gemeenteraad waarin zij stellen dat het intrekken van de subsidie op een vergissing moet berusten. Zij vragen opnieuw voor subsidie in aanmerking te mogen komen. Enkele raadsleden onder aanvoering van Jacques Schoenmakers voelen zich door die brief geschoffeerd. Hierdoor krijgen zij het aan de stok met Tossing Gilissen en Kolla Spronck. Gilissen werpt de tegenstanders van de subsidie voor de voeten dat de fanfare elf jaar bestaat en pas drie keer subsidie heeft ontvangen. Na nog wat heen en weer gepraat stemmen Tossing Gilissen en Kolla Spronck vóór subsidie. Jacobs verlaat vóór de stemming de vergadering. Jacques Schoenmakers, Dionysius Bröcheler en Pierre Daemen (va de Piet) zijn tegen. Vaessen was afwezig. Geen subsidie dus.

Twee maanden later verzoekt het bestuur van de fanfare alsnog voor subsidie in aanmerking te komen. De raadsleden reageren verdeeld. Vaessen stelt voor om door vermindering van het presentiegeld van de raadsleden het subsidiebedrag te dekken. Zijn collega’s gaan hiermee niet akkoord. Jacques Schoenmakers vreest dat een toestemming leidt tot aanvragen van andere verenigingen. Pierre Daemen (va de Piet) is van mening dat het geld beter aan andere doeleinden besteed kan worden. Maar Dionysius Bröcheler en Jacobs zijn om, samen met Gilissen en Spronck stemmen ze voor een subsidie van f 50,-, waardoor het verzoek van de fanfare wordt gehonoreerd.

 

Ten slotte
Op10 mei 1940 vallen de Pruusje (Duitsers) ons land binnen. Het eerste jaar worden de muziekkorpsen met rust gelaten en is van de bezetting niet zo veel te merken. In het voorjaar van 1942 verandert dat. De bezetter stelt de Kultuurkamer in, waarbij alle verenigingen die met kunst te maken hebben, verplicht zijn zich aan te sluiten. Op een bijeengeroepen vergadering wordt door de fanfareleden besloten dat niet te doen en de activiteiten te beëindigen. Ondanks verwoede pogingen van de NSB-gemeentesecretaris Hensels en enkele bestuursleden om dat te voorkomen, worden de muziekinstrumenten bij de zaalhouder ingeleverd en in bewaring gegeven. In afwachting van betere tijden.