facebook     twitter2  

 

Het verenigingsleven

Sprokkelingen uit de historie (1944-1965)
Fanfare Sint-Blasius (deel 2)
door Jo Purnot

In het vorig jaarboek hebben wij een aantal fragmenten uit de periode 1921 – 1942 van onze fanfare Sint-Blasius beschreven. Vermeld is dat in 1942 de leden van de fanfare besloten, tegen het advies van een groot deel van het bestuur in, zich niet aan te sluiten bij de Kultuurkamer. Dit was een organisatie waar op last van de Duitse bezetter alle verenigingen die met kunst te maken hadden, zich bij moesten aansluiten. Dat betekende het voorlopig einde van de fanfare-activiteiten in ons dorp. De muziekinstrumenten werden bij de zaalhouder, Pie Gilissen (va Tossing), ingeleverd in afwachting van betere tijden. Deze braken aan nadat op 13 september 1944 ons dorp werd bevrijd door de Amerikanen.
In dit artikel nemen we de draad weer op in het jaar van de bevrijding, waarbij eerst een korte schets wordt gegeven van de situatie in ons dorp gedurende de eerste vijftien jaar na de oorlog.

Tijdsbeeld
Al snel na de bevrijding begon het normale leven weer stilaan op gang te komen. Dat gold niet voor alle gezinnen. Want de oorlog en bezetting hadden hun sporen achtergelaten. Zo moest een twaalftal gezinnen het zonder kostwinner doen, omdat de man des huizes op last van het Militair Gezag was opgepakt wegens sympathieën voor de Duitsers. Verder keerde Mathieu Speetjes van ’t Rooth, die enkele maanden voor de bevrijding wegens collaboratie tegen de bezetters door de Duitsers was opgepakt, niet meer terug. Hij kwam op 5 april 1945 in concentratiekamp Mauthausen om het leven. Ook raakte een moeder van jonge kinderen (Mia Muijtjens) een week voor de bevrijding, door schoten vanuit een vliegtuig dodelijk gewond.
Een normaal leven was ook niet weggelegd voor een aantal jonge mannen die werden uitgezonden naar Nederlands-Indië.
 
Voor vele anderen werd merkbaar dat we in een periode van wederopbouw terecht waren gekomen. Zo werden eind jaren veertig de eerste woningwetwoningen gebouwd. Keerder jongelui die een gezin wilden stichten en zelf geen huis konden bouwen, hoefden niet meer elders te gaan wonen. De betere tijden werden ook zichtbaar doordat het verkeer op de Rijksweg begin jaren vijftig steeds drukker werd.
In 1957 werd met, uitzondering van de toren, de oude parochiekerk afgebroken en een nieuwe kerk gebouwd. De bouw was voor het kerkbestuur en de parochianen wel een flinke financiële aderlating.
In diezelfde tijd werd het Groene Kruisgebouw geopend, waardoor Keerdenaren tegen een gering bedrag de kans kregen zich te douchen.
Maar er waren ook schaduwkanten. Door mechanisatie was voor vele Keerdenaren geen werk meer in het boerenbedrijf; zij moesten uitzien naar een andere baan buiten het eigen dorp.

2010blz55
Hay Kleijnen, Giel Spronck, Lambèr Heusschen en Jean Deliège

Jubilarissen in 1981


Wederopbouw van de fanfare
Al vrij snel na de bevrijding namen kapelaan Jacques Riemersma, Jan Bessems, Math Heusschen en Giem en Bèr Vliegen het initiatief om de fanfare weer op te starten. Zij besloten, op een enkele uitzondering na, alle leden van 1942 op te roepen. Het bestuur, voor zover het nog niet zelf ontslag had genomen, werd geschorst. Verder maakten zij een lijstje met namen van mannen die ze geschikt achtten om in een nieuw bestuur zitting te nemen. Pastoor Durlinger nam de taak op zich om die personen te benaderen.

Op 14 oktober 1944 vindt in het patronaatsgebouw de eerste algemene ledenvergadering plaats. De nieuw aangezochte bestuursleden stellen zich allen beschikbaar en worden bij acclamatie gekozen. Het bestuur ziet er als volg uit: pastoor Durlinger (voorzitter), Giem Vliegen (secretaris), Adam Goessens (penningmeester) en verder Jan (Joseph Hubertus) Heusschen, Sjeng Beijers, Sjeng Claassens, Jos Mourmans en Math Heusschen (de Köster).

H.J.Kuijpers, die ook tot 1942 het dirigeerstokje had gehanteerd , was bereid om de muzikale leiding weer op zich te nemen. Kort daarna begonnen op de zondagmorgen na de Hoogmis in het patronaat de repetities. Later vonden deze op zaterdagavond plaats. De leerlingmuzikanten kregen in 1944 solfègeles van Kuijpers in ’t Keerhoes, zittend op de legerbedjes van de Amerikanen die daar ingekwartierd waren.
Voor die nieuwe leden waren instrumenten nodig. Geld daarvoor was er niet. Daarom maakte het korps een rondgang door het dorp. Het resultaat mocht er zijn: 1949,50 gulden.

Eerste optredens
Op 28 januari 1945 vond het eerste optreden plaats; een concert voor de Amerikanen die in ons dorp gelegerd waren. Op 5 mei volgde in Huize Sint-Joseph een concert voor de gerepatrieerden. Dit waren veelal mannen, dwangarbeiders, die uit Duitsland waren teruggekeerd, maar niet naar huis konden omdat ‘Holland’ nog niet bevrijd was.
Verder organiseerde men begin juni een konzaer om geld in het laatje te krijgen. Ook aan de fancy fair die voor de Honthemse missionaris Oostenbach werd georganiseerd, droeg de fanfare haar steentje bij. Verder ging het korps naar Wijlre waar onze muzikanten veel succes hadden met de Calif de Bagdad. Aan activiteiten in dat eerste jaar was dus geen gebrek.

Op 3 september 1945 had de vereniging de droeve plicht een van de mannen van het eerste uur, ere-voorzitter Tossing Gilissen, naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.

2010blz57

Huub Bessems (va Roos), Lei Bröcheler, Lambèr Heusschen (va de Köster), Wöm Aarts, Äödem Heusschen (va de Köster) en Hay Kleijnen

Op concours (1944 – 1962)
Wessem, 1948
Elk muziekkorps moet in principe een keer per zes jaar op concours. Zo een concours trekt door de extra inzet en repetities een zware wissel op de muzikanten. Bij onze fanfare was dat niet anders. Tijdens de jaarvergadering in oktober 1947 werd stevig gediscussieerd over het wel of niet op concours gaan. Uiteindelijk bleek dat het vereiste aantal stemmen (4/5 van de stemmen) niet gehaald werd; er waren twee stemmen te weinig. Maar de onwillige houding sloeg om tijdens het concert met de Leechmèskèrmes (2-3 februari), bijna vier maanden later. Het liep muzikaal zo crescendo dat bestuur en leden spontaan besloten alsnog op concours te gaan.
Het concours vond plaats 17 mei 1948 in Wessem. Op deze zonnige pinkstermaandag togen de muzikanten, vergezeld door een flinke schare supporters, naar Midden-Limburg. En het werd een succes!
De recensent in de krant schreef:
1ste afdeling fanfare Sint-Blasius Cadier en Keer. Het verplicht nummer: L’Únion fait la Force (Eendracht macht) van Louis Canivez . Goede stemming, mooie homogene klank en zeer goede nuancering. Wat een pracht bassen. Voor een 1ste afdeling een prestatie die er zijn mag. Het gekozen nummer Firenza van Gabriel Allier. Een fraai niet gemakkelijk werk, doch evenals het verplicht nummer een fraaie prestatie. Bij het slot merkten we een kleine inzinking. Dit corps maakte een uitstekende indruk, evenals de zeer muzikale leider. Bravo 1e prijs met 371 punten.

Een prima resultaat, er was een overschot van 61 punten op de vereiste 310 punten. Bij terugkomst in de late avond werden de dolgelukkige winnaars met bloemen en gejuich door vele dorpsgenoten opgewacht. Tijdens de huldiging de dag erna maakten alle Keerder verenigingen hun opwachting. De burgemeester bood namens de gemeente honderd gulden aan en de bevolking bleef niet achter; ruim zes honderd gulden was de bijdrage.

Linne, 1951
In 1951 bestond de fanfare 30 jaar, dat was een reden om in dat jaar weer aan een concours deel te nemen. Dat concours zou op 12 juni plaatsvinden in Linne. Het bestuur was zich ervan bewust dat door allerlei oorzaken het muzikale niveau in de afgelopen paar jaar behoorlijk achteruit was gegaan. En tot overmaat van ramp werden de extra repetities ter voorbereiding van het concours maar matig bezocht.
Voor de ere-voorzitter, burgemeester Huyben, was dat een reden om bij elk lid persoonlijk een brief te laten bezorgen. Met succes. Het repetitiebezoek ging er flink op vooruit.
Op 12 juni 1951 vertrokken bestuur en muzikanten, gesteund door een paar bussen supporters, naar Linne. Het resultaat mocht er zijn: Afdeling Uitmuntendheid 1ste prijs 301 ½ punten, duidelijk meer dan de benodigde 270 punten.  Negentien korpsen namen aan het concours deel en maar twee haalden een beter resultaat dan Sint-Blasius. Weer was het de Firenza-ouverture van Gabriel Allier en daarnaast de Gladiatorenmars van A. Adroit waarmee ze hoge punten scoorden. De jury oordeelde dat de samenklank, de techniek en de opvattingen van de directie uitstekend waren.
De ontvangst bij thuiskomst was overweldigend. In dichte rijen stonden de dorpsgenoten de muzikanten en de directeur op te wachten. De dag erna werd het feest voortgezet. Directeur Kuijpers werd met zijn echtgenote aan de Rijksweg opgevangen en in optocht naar het gemeentehuis gebracht. Na een toespraak van de burgemeester ging het gezelschap naar de kiosk voor de kerk waar een receptie plaats vond. Hier volgden opnieuw toespraken. Ook gaf een aantal zusterverenigingen uit de omgeving acte de presence. De stemming onder de aanwezigen steeg tot een hoogtepunt toen spontaan de cramignon gedanst werd (in Keer meestal rèi-je genoemd). Jong en oud, zelfs de burgemeester en de aanwezige priesters deden mee.

Kerkrade, 1954
Het bestuur en de leden besloten aan het eerste echte Wereldmuziekconcours te Kerkrade deel te nemen. Daar streden honderd harmonieorkesten en fanfarekorpsen uit zestien landen tegen elkaar. De geschiedenis herhaalde zich: weer werden de repetities ter voorbereiding van het concours matig bezocht. Nadat het bestuur daar een aantal leden persoonlijk op had aangesproken, ging het iets beter. Maar de voortekenen waren niet positief. Op 14 augustus gingen ze, weer begeleid door Keerder supporters, naar Kerkrade om hun muzikaal kunnen te tonen. Secretaris Sjeng Ackermans schrijft naderhand in zijn jaarverslag: door pech, zenuwen, en nervositeit werd hier alsnog een derde prijs uit het vuur gehaald. Het kon beter.
Van de cramignon dansen, zoals na het vorig succes in Linne, zal geen sprake zijn geweest.

2010blz60
Kaartmore (kaartliefhebbers). Vanaf links: Sjeng Bessems, Hub Bessems, Wöm Aarts, Nick Ubags

Cramignon (rèi-je)
In veel dorpen in onze contreien hebben cramignon en Bronk – in Keer de 2de zondag na Pinksteren - iets met elkaar. In ons dorp niet. Na de Sacramentsprocessie gaan de fanfare-uniformen weer de kast in. In andere heuvellanddorpen is dat wel anders. Daar wordt in samenhang met andere bronkactiviteiten gerèi-jd of de cramignon gedanst. Ook nog op bronkmaandag en –dinsdag.

Rèi-je of cramignon daanse gebeurt al jaren in Keer niet meer. Wanneer hier voor de laatste keer gerei-jd is, is moeilijk na te gaan. Er zijn zelfs mensen die beweren dat die traditie hier nooit heeft bestaan. Dat is een misvatting. In het archief van de fanfare staat geregeld vermeld dat de cramignon gespeeld werd. Ook bij andere gelegenheden waar de fanfare bij betrokken was, gebeurde dit. Twee voorbeelden, maar er zijn er meer:
Huldiging. — Maandagavond was er feest in Cadier en Keer. Een dubbele reden noopte daartoe. De fanfare St. Blasius heeft op het muziekconcours te Heer den lste prijs behaald in de 2e afdeeling. En “Zanglust" den 1ste prijs in de 4e afdeeling. De feestvreugde werd verder voortgezet met cramignon en dans. (Limburger Koerier, 31-08-1938)

Tijdens de installatie van pastoor Edmond Frissen op 23 april 1950 wordt de fanfare door de geestelijke en wereldlijke autoriteiten uitgedaagd om de cramignon te spelen. Er ontspint zich  een wedstrijd wie het het langste volhoudt, uiteindelijk trekt de fanfare aan het langste eind. (jaarverslag secretaris fanfare)

De voorzitters van de fanfare (1944-1962)
Pastoor Durlinger (1944-1945)
Pierre Hubert Joseph Durlinger was geboren in 1896 in Sittard. In 1942 werd hij benoemd tot pastoor van onze parochie. Tot 1950 zou hij de parochie leiden.
Hij was na de oorlog de eerste voorzitter. Geen normale situatie: de pastoor als eerste man bij het muziekkorps. Maar blijkbaar moesten er toch nog wat “scherven geruimd” worden zo vlak na de oorlog. En wie kon dat beter dan de man met het meeste gezag en de meeste invloed onder onze dorpsgenoten. Na bijna een jaar vond pastoor Durlinger dat hij zijn voorzittershamer weer aan iemand ander kon overlaten.

Sjeng Claassens (1945-1952)
Voor de opvolging van Durlinger waren twee kandidaten: Sjeng Claassens en Sjeng Beijers. Sjeng Claassens kreeg 24 stemmen en zijn tegenkandidaat vijf. De nieuwe voorzitter was bijna vijftig jaar, geboren in Margraten en veekoopman van beroep. Hij was in 1926 getrouwd met Henriëtte Gilissen, een dochter van de eerste voorzitter Tossing Gilissen. Tijdens zijn voorzitterschap ging het korps twee keer op concours (1948 en 1951) en met succes. In 1952 trad Sjeng Claassens om gezondheidsredenen af.

Sjeng Beijers(1953-1958)
Nadat Sjeng Beijers een aantal maanden het voorzitterschap had waargenomen, werd hij definitief als voorzitter benoemd. De dan bijna zestig jarige Sjeng Beijers was al sinds 1943 weduwnaar van Catharina Kevers. Hun gezin telde tien kinderen. Voorzitter Sjeng Beijers werkte meer dan veertig jaar bij houtbedrijf Caspar Vliegen in Heer. Hiervoor werd hij onderscheiden met de zilveren medaille van Oranje Nassau. Sjeng was ook de grote animator van de drumband die in 1956 opgericht werd.

Giem Vliegen  ( 1959- 1962/1964)
Maria Wilhelmus Hubertus Vliegen werd geboren in 1912. Giem had na zijn lagere school een aantal jaren op een internaat “doorgeleerd”. In het eerste bestuur direct na de oorlog was hij secretaris. Niet lang, want al vrij snel moest hij wegens drukke werkzaamheden het secretariaat beëindigen. Giem was 46 jaar toen hij het voorzitterschap op zich nam. Hij was getrouwd met Sophie Janssen en hun gezin telde zes kinderen. De periode waarin Giem voorzitter was, was een moeilijke periode voor de fanfare. Vooral het slechte repetitiebezoek en de motivatie onder de leden speelden de vereniging parten.

Nieuwe petten en een nieuw vaandel
Het bestuur moest voortdurend alles uit de kast halen om het huishoudboekje op orde te houden. Een hele klus. In het algemeen toonden de Keerdenaren zich gul naar de fanfare toe, maar in de jaren vijftig moesten de Keerdenaren ook nog een nieuwe kerk bouwen. Dit ging eveneens gepaard met steeds weer terugkerende acties en collectes.

De fanfare organiseerde in de zomer konzaere (weideconcerten) en in de winter musiceerde het korps in zaal Gilissen, waar de vereniging haar thuisbasis had. Vaak werd dit gecombineerd met een toneeluitvoering. Een aantal gemeenteraadsleden was kort na de oorlog een tegenstander van dansen, want de dansvloer was het werkterrein van de duivel. Toch kreeg de fanfare vergunning om tijdens de Lichtmiskermis van 1947 in twee zalen bal te organiseren. Later stelde de gemeenteraad zich nog wat soepeler op en kwam het voor dat de fanfare in vier cafés tegelijk bal hield.
Soms deden zich buitenkansjes voor, zo werd het korps vaker uitgenodigd in België, zoals Cheratte, Hermalle en Visé. De Belgen waren bereid hiervoor behoorlijk in de buidel te tasten.

Ondanks alle financiële perikelen lukte het in 1952 om de muzikanten uit te rusten met nieuwe petten en werd een nieuw vaandel aangeschaft. De kosten waren ruim 1000 gulden. Om dat geld bijeen te krijgen organiseerde men een konzaer en een wielerronde. De weergoden werkten niet mee, want beide festiviteiten vielen letterlijk in het water. Een financiële tegenslag.

2010blz63

Begin 50er jaren.
1e Rij, vanaf links: Martin Pieters, Leo Deliège, Pieke Hornesch, Hub Bessems (va Roos), Harrie Mourmans.
2e Rij, vanaf links: Adam en Lambèr Heusschen (va de Köster), Nick Ubags                                           

In datzelfde jaar (1952) werd H. Speetjens van ’t Rooth als bestuurslid gekozen. Geen bijzonderheid. Maar wel vermeldenswaardig is dat, omdat Speetjens de vergadering waarin hij werd benoemd niet bijwoonde, een aantal leden om één uur ’s nachts naar ’t Rooth togen om hem het nieuws te vertellen. Daar werd het kersverse bestuurslid uit bed gehaald. Deze kon die ‘geste’ blijkbaar toch op prijs stellen, want hij trakteerde de nachtbrakers op sjeenk en dröpkes. Daarna keerden deze weer voldaan naar Keer terug.

Directeuren
De muzikale leider van het muziekkorps is de dirigent, steevast ‘directeur’ genoemd. Hij is de enige binnen het korps die betaald wordt. Over zijn benoeming en ontslag wordt in een vergadering van bestuur en leden gestemd.

H.J.Kuipers (1936 – 1956)
H.J. Kuijpers volgde in 1936 directeur Werkman op en nam na de pauze in de oorlog het dirigeerstokje weer op. Hij woonde in Limmel en kwam elke week door weer en wind met zijn fiets de ‘berg op’. Kuijpers had verschillende muziekkorpsen en zangkoren onder zijn hoede, waarmee hij evenals met ‘Sint-Blasius’ mooie successen boekte. Toch zijn midden jaren vijftig een aantal fanfareleden niet meer tevreden over hem. Het repetitiebezoek en het muzikale peil werden minder en de sfeer in de vereniging zakte.
Tegen de verwachting in kwam het tijdens een vergadering in juni 1956 tot een stemming over de directeur. Van de 24 stemgerechtigde aanwezigen stemden zestien voor een nieuwe directeur, één tegen en zeven blanco. De vergadering besloot daarop directeur Kuipers per brief te ontslaan en een advertentie te plaatsen voor een nieuwe directeur.

J. Hautvast (1956-1958)
Op de advertentie kwamen heel wat sollicitaties binnen. Het bestuur nodigde er vier uit om een proefrepetitie te komen geven. De keuze viel op dhr. J. Hautvast uit Bunde. Lang duurde zijn directeurschap niet. In oktober 1958 wordt hij weer ontslagen, met 17 stemmen voor zijn ontslag en 7 tegen. Jan Bessems was het duidelijk niet met de meerderheid eens. Volgens hem was de directeur goed. Hij vond dat de leden de hand in eigen boezem moesten steken. Na het ontslag van Hautvast in 1958 volgde onder-directeur Wöm Aarts hem op; in eerste instantie voor een jaar.

Wöm Aarts (1958 – 1961) (1964-1967)
Wöm Aarts was een muzikant in hart en nieren. Hij was geboren in Heer in 1915. Hij trouwde hier met de Keerse Liza Stassen. In hun huwelijk werd een zoon, John, geboren. Wöm had in Keer een loodgietersbedrijf. In 1941 werd hij lid van de fanfare. Vanaf die tijd gaf hij ook les aan de leerlingen, hierbij later geassisteerd door Äödem en Lambèr Heusschen (va de Köster). Tijdens de perioden van Kuijpers en Hautvast fungeerde hij als ‘onder-directeur’. Wöm, die na het ontslag van Hautvast de fanfare één jaar onder zijn hoede zou nemen, bleef minsten drie jaar die functie uitoefenen.
Na het vertrek van directeur Doomen in 1964 wordt Wöm opnieuw benoemd. Van Wöm is bekend dat hij, toen het de fanfare financieel slecht ging, de helft van zijn salaris terugschonk.
In 1956, in de tijd dat het maar matig ging met de fanfare, richtte Wöm een boerenkapel op. Met die kapel ging het wel bijzonder goed. Onder zijn leiding behaalde ze in het eerste jaar al een 1e prijs in ’s Gravenvoeren. Daarna volgden nog meer eerste prijzen.

E.J. Doomen (1962-1964)
Over directeur Doomen is in het archief nauwelijks iets te vinden. Wanneer hij precies benoemd is, is niet meer in schriftelijke bronnen te achterhalen. Wel dat hij in Oirsbeek woonde en waarschijnlijk opticien van beroep was. In het jubileumboekje van 1981 komt Doomen niet in het rijtje directeuren voor. Werd men liever niet meer aan hem herinnerd? In de vergadering van september 1964 kreeg het bestuur de indruk dat hij niet helemaal voldeed aan de gestelde eisen van de vereniging. Een gehouden stemming bevestigde dat: 13 stemmen voor wegsturen en 2 stemmen voor aanblijven. Diezelfde vergadering nog wordt Wöm Aarts als nieuwe directeur gekozen.

Een jaar van verandering, 1958
Begin 1958 zat het muziekkorps weer in een dip. Innerlijke verdeeldheid en onregelmatig repetitiebezoek waren de oorzaken. Ook sommige bestuurleden kregen kritiek omdat ze te weinig aandacht hadden voor het werk van de muzikanten. Op de repetities lieten zij zich maar sporadisch zien. Uiteindelijk werd het bestuur het allemaal te veel en besloot tijdens een extra bijeengeroepen vergadering en bloc af te treden. Maar nadat een aantal prominente leden ferm op hen had ingepraat, namen ze weer achter de bestuurstafel plaats. Wel werd hieraan de voorwaarde verbonden dat er echt iets moest veranderen. Ook in het bestuur. Zo werd bijvoorbeeld een rooster gemaakt waarop vermeld stond welke bestuursleden tijdens de repetities aanwezig zouden zijn.
Een andere verandering was dat het korps zou overschakelen van een hoge naar een lage stemming. Aan dit voorstel hing wel een prijskaartje van minstens 5000 gulden, omdat hiervoor het instrumentarium grotendeels vernieuwd moest worden. Een bijna onoverkomelijk probleem. Doch de gemeente schoot te hulp en stelde na wat gesteggel met het provinciebestuur een lening van 7000 gulden in het vooruit zicht. Af te betalen in 15 jaar.

2010blz66

Bestuur in 1961.
Vanaf links, zittend: Johan Fraats (penningmeester), Jeu Kessels, Bér Speetjens, Giem Vliegen (voorzitter),
Sjeng Beijers, pater Sjeng Jacobs, Theo Hogenboom (secretaris).
Staand: Thuur Schreurs, Thei van Proemeren, Äödam Goessens, Sjiel Gilissen, Leo Boumans

De fanfare krijgt uniformen
In 1959 besloot het bestuur uniformen voor de muzikanten aan te schaffen. Het korps kon niet achterblijven bij andere korpsen in deze omgeving die deze stap al (veel) eerder hadden gemaakt. Voor de financiering werd een deel gebruikt van de lening die een jaar eerder bij de gemeente was afgesloten. Ook waren er leden die hun uniform zelf betaalden. Verder zorgde een rondgang door het dorp en de Boerinnenbond via allerlei acties voor een fiks bedrag.
Op 10 juni werden de uniformen besteld. Twee maanden later, op 15 augustus 1959, de feestdag van Maria-ten-Hemelopneming kon het korps in de nieuwe outfit erop uit. De Keerdenaren vierden op die dag kermis en traditioneel was er onder begeleiding van de fanfare een processie naar de Lourdesgrot in de tuin van het Missiehuis. Het konzaer (weidefeest) ’s avonds werd opgeluisterd door het Maagdenkoor en harmonie Heer Vooruit.

Ondanks de stemmingwijziging en nieuwe uniformen kon het korps niet echt de weg naar boven vinden. Wel vierde de vereniging in 1961 haar veertigjarig jubileum. Het feest van 13 tot 20 augustus was een succes, maar na de feestelijkheden van het robijnen jubileum beleefde de vereniging een enorme inzinking. In 1962 en 1963 waren er nauwelijks nog activiteiten.

Actie-comité om fanfare weer op de been te helpen
In 1964 wordt in een gemeenteraadsvergadering op voorstel van Winand Spronck een actiecomité ingesteld die de fanfare weer op de been moet helpen. Het comité bestaat uit pastoor Berkers, burgemeester Huyben, gemeenteontvanger van Mulken en een aantal raadsleden. De eerste vergadering van het comité en de leden van de fanfare vindt plaats medio februari 1964. Een paar weken later wordt een bestuur gekozen. Pastoor Berkers neemt het voorzitterschap op zich. Korte tijd later wordt hij als voorzitter opgevolgd door Winand Spronck. Winand verlaat ook al weer na zeer korte tijd het strijdtoneel. Begin 1965 wordt Wiel Bemer als voorzitter aangezocht. Hij verzamelt een aantal mensen om zich heen waarmee hij de fanfare weer opstuwt in de vaart der volkeren.

Ten slotte
Het bovenstaande geeft fragmenten weer uit de bewogen jaren veertig en vijftig, met een klein staartje naar de jaren zestig. Het is niet het hele verhaal van de fanfare, omdat het artikel louter gebaseerd is op schriftelijke bronnen. Voor de toekomstige geschiedschrijving is het belangrijk om de verhalen van oud-(bestuurs)leden ook vast te leggen.
De betekenis van de fanfare voor onze gemeenschap is evident. Een dorp als het onze kan niet zonder een goed muziekgezelschap en zal dus ook in de toekomst onze fanfare Sint-Blasius moeten blijven koesteren.