facebook     twitter2  

 

Vieringen en herdenkingen

Van klein naar groter en..... nog groter?
Gemeentelijke herindelingen
door Fons Meijers

Op 1 januari 2011 worden de gemeenten Margraten en Eijsden samengevoegd tot de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten. Dat betekent dat op die dag een nieuw hoofdstuk wordt toegevoegd aan de geschiedenis van de gemeentelijke herindelingen waarbij Cadier, Keer, Honthem en Sint Antoniusbank, zijn betrokken. Aan die geschiedenis, die is begonnen kort na de invoering van de gemeenten in 1798 en zijn (voorlopig ?) einde vindt op 1 januari 2011, wordt in dit artikel aandacht besteed.

Gemeenten dateren van 1798
Gemeenten zoals we die nu kennen bestaan sedert de Franse tijd. Voor die tijd was Cadier een heerlijkheid die behoorde tot het graafschap Daelhem. Sint Antoniusbank was een rijksheerlijkheid in bezit van het kapittel van O.L. Vrouw in Maastricht. Keer behoorde tot de heerlijkheid Heer, één van de elf banken van het kapittel van Sint Servaas. Honthem viel onder het graafschap Gronsveld. Het was een bestuurlijke lappendeken waaraan de Fransen een einde hebben gemaakt door invoering van een staatsbestel naar Frans voorbeeld, met op het laagste niveau de gemeente.
In de Staatsregeling des Bataafschen Volks (Grondwet) van 1 mei 1798 werd de nieuwe bestuursvorm voor het eerst geïntroduceerd als gemeente. Maar een gemeente stelde toen nog weinig voor, omdat ze alleen besluiten mocht uitvoeren die door het centrale gezag waren genomen. Dat heeft geduurd tot 1801 toen in een nieuwe staatsregeling de zelfstandigheid van gemeenten werd erkend.

1798: Heerlijkheid Cadier wordt gemeente Cadier
De Franse revolutionairen hebben zich bij de invoering van de nieuwe gemeenten niet of nauwelijks gewaagd aan samenvoeging of herindeling van vroegere heerlijkheden of graafschappen. In de meeste gevallen zijn de grenzen van de heerlijkheden en graafschappen ook de gemeentegrenzen geworden. Dat was ook het geval voor de gemeente Cadier die spoedig na de invoering van de Grondwet van 1798 werd ingesteld; de heerlijkheid Cadier werd gemeente Cadier.

1799: Sint Antoniusbank bij gemeente Heer en Keer
De overgang van de heerlijkheid Heer en Keer in de nieuwe gemeente Heer en Keer heeft wat langer geduurd, omdat de Fransen in dit geval wel een grenscorrectie wilden. De vroegere rijksheerlijkheid Sint Antoniusbank was in de ogen van de Fransen te klein om een zelfstandige gemeente te worden en moest daarom of aan Bemelen of aan Heer en Keer worden toegevoegd. Het zou, gezien de ligging, voor de hand hebben gelegen om de enkele huizen van dit gehucht bij Bemelen te voegen. Maar de eigenaren van percelen grond in Sint Antoniusbank wilden bij de gemeente Heer en Keer behoren om gebruik te kunnen blijven maken van de nabij gelegen gemeenteweide van de Mettenberg, die al eerder (1794-1795) bij Heer en Keer was gekomen. In 1799 viel het besluit om aan de wens van deze grondeigenaren te voldoen: Sint Antoniusbank kwam bij de gemeente Heer en Keer.
 2010blz127

De Mettenberg anno 2010, waar vroeger een gemeenteweide was

1801: Honthem bij gemeente Gronsveld
Omdat het tot 1801 heeft geduurd voordat de Fransen het graafschap Gronsveld hadden ingelijfd, werd ook Honthem eerst in dat jaar Frans. Zoals het tot 1801 bij het graafschap Gronsveld had behoord, kwam het nu ook bij de gemeente Gronsveld. De Fransen zagen in het feit dat Honthem bij de parochie Cadier hoorde geen aanleiding om dit gehucht aan de gemeente Cadier toe te voegen.

Keer ontevreden met Heer
De inwoners van Keer waren er minder gelukkig mee dat de Fransen de gemeentegrenzen gelijk hadden gehouden aan de grenzen van de heerlijkheid Heer en Keer. De meest door de inwoners van Keer naar voren gebrachte klacht was dat zij voor het gemeentehuis naar het op zo grote afstand gelegen Heer moesten gaan. Maar een dieper liggende oorzaak van hun ongenoegen was dat de inwoners van Keer zich door de eeuwen heen op tal van manieren door de Heerdenaren benadeeld voelden; bijvoorbeeld als het ging om het gebruik van de gemeentegronden en het recht om beesten te laten grazen op landerijen die ingezaaid waren geweest.

1805: Keer bij parochie Cadier
Niet minder ontevreden waren de inwoners van Keer over het feit dat zij ook tot de parochie Heer behoorden. Veel ouders uitten hun onvrede daarover door hun kinderen in de kerk van Cadier te laten dopen. Ook weigerden de Keerdenaren de begrafenisrechten van de pastoor van Heer te betalen.

Voor de problemen met de parochie Heer werd het eerst een oplossing gevonden. Er kwam een plan om Keer parochieel van Heer te scheiden en van Keer en Cadier één parochie te maken. De uitvoering van dit plan kreeg de goedkeuring van de bisschop van
het bisdom Luik, waartoe de parochies van Heer en Cadier toen behoorden. Bij decreet van 23 juni 1805, stemde ook Napoleon hiermee in. Deze had zich ook dergelijke kerkelijke bevoegdheden toegeëigend.

2010blz129

 Napoleon (sinds 1804 keizer) stemde er in 1805 mee in om van Keer en Cadier één parochie te maken


1811: Keer nog niet bij gemeente Cadier
Napoleon was de eerste die serieus heeft geprobeerd iets te doen aan de lappendeken van kleine gemeenten. In de door hem ingevoerde Gemeentewet van 1811 had hij de bepaling opgenomen dat gemeenten een minimale omvang van 500 inwoners moesten hebben. Als dat aantal niet gehaald werd, moest gekeken worden naar samenvoeging met andere gemeenten. Ook de omvang van het grondgebied werd een criterium voor herindeling.
Maar Napoleon is er in onze streken niet in geslaagd een systematische herindeling door te drukken. Ook in Cadier veranderde er niets. Ofschoon deze gemeente in de eerste helft van de negentiende eeuw duidelijk minder dan 500 inwoners telde, was dat toch geen aanleiding voor een samenvoeging met Keer, ondanks het feit dat Keer al in 1805 bij de parochie Cadier was gekomen.
Napoleon stootte op verzet bij de inwoners van de meeste dorpen en gehuchten in onze streken, die voor herindeling in aanmerking kwamen. De argumenten die door de tegenstanders werden gebruikt, zijn ongeveer dezelfde als die ook nu nog bij herindelingvoorstellen worden gebruikt: de afstand tot het gemeentehuis zou te groot worden en de gemeenteraad zou het nieuwe centrum van de gemeente gaan bevoordelen. Ook werd vaak gewezen op het verschil in geaardheid tussen de bewoners van de dorpen als reden waarom beter niet tot herindeling kon worden overgegaan.
 
1828: Keer en Sint-Antoniusbank bij Cadier
Het duurde niet lang tot er in Keer toch een initiatief ‘van onderop’ kwam tot herindeling. In 1827 vonden de inwoners van Keer dat het lang genoeg had geduurd en gingen ze serieus werk maken van het afscheiden van hun gehucht van de gemeente Heer. In dat jaar richtten zij zich in een verzoekschrift tot Gedeputeerde Staten van Limburg om bij de gemeente Cadier te worden gevoegd. De grote afstand tot Heer was net als bij de toevoeging aan de parochie Cadier, het argument om van Heer te worden gescheiden.
De raad van Heer kon met het verzoek instemmen, maar was wel van mening dat Sint-Antoniusbank bij Bemelen gevoegd zou moeten worden. Doordat men zich op de kadastrale kaart niet goed kon oriënteren, besloot men om de grenzen ter plaatse te gaan vaststellen. Het resultaat van dit onderzoek was dat Sint-Antoniusbank maar voor een klein deel bij Heer bleef en grotendeels bij Cadier en Keer kwam.
Bij Koninklijk Besluit van 5 augustus 1828 werd de gemeente Cadier die toentertijd bijna 200 inwoners telde, uitgebreid met de gehuchten Keer en Sint Antoniusbank, waardoor de nieuwe gemeente (in 1829) 544 inwoners kreeg. Deze gemeente ging de naam Cadier en Keer dragen.
De gemeente Heer ‘verloor’ door deze herindeling 506 bunder (bunder = 8.000 m2) van zijn oppervlakte en had nog ca 750 bunder over. Het grondgebied van Cadier bedroeg 262 bunder en de nieuwe gemeente had een oppervlakte van 630 bunder.

Dat het zo veel moeite kostte om tot afbakening van de grenzen tussen beide gemeenten te komen, kwam doordat er in 1828 nog geen officiële afbakening van gemeentegrenzen op basis van het kadaster was. Dit kadaster werd in Cadier en Keer pas rond 1842 ingevoerd, nadat de daarvoor benodigde metingen waren uitgevoerd. Ook het kadaster was een initiatief van Napoleon die daartoe al in 1810 het bevel had gegeven.
In de ‘nasleep’ van de herindeling van 1828 werd op 6 februari 1840 vastgelegd dat Keer en Sint Antoniusbank nooit enige aanspraak zouden kunnen maken op de kerk en de pastorie van Heer, de ‘tuinvelden’ en alle andere goederen van de kerkfabriek (kerkbestuur). Verder zou uit het gedeelte van de schaapsweide (Keerderberg) dat aan Keer en Sint Antoniusbank was toegewezen, aan de zijde van Heer, een weg van 4 ellen worden gemaakt waar de inwoners van Heer gebruik van konden maken voor hun veedrift (het dagelijks drijven van vee van stal of kooi naar weide).

Plannen tot fusies kleine gemeenten vanaf 1940
Niet alleen in onze streken, maar in de hele provincie Limburg zijn erg lang heel veel kleine gemeenten blijven bestaan. Eerst in 1940 kwam de Duitse bezetter met een plan om een vijftigtal kleine gemeenten te laten fuseren tot twintig gemeenten. Zij hadden daaraan behoefte omdat ze voor die twintig gemeenten gemakkelijker N.S.B.-burgemeesters konden benoemen dan voor de vijftig gemeenten. Maar dit plan tot samenvoeging van kleine gemeenten is slechts in enkele gevallen gerealiseerd.

In 1949 en opnieuw in 1957 is voor het eerst het probleem van de bestuurbaarheid van de kleine gemeenten in Limburg aan de orde gesteld. In 1949 werd geopperd dat een gemeente toch minstens 1000 inwoners moest hebben en in 1957 was dit aantal al toegenomen tot 2000 inwoners.


Plan 1960: Cadier en Keer opheffen.
Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw ging de discussie in Zuid-Limburg niet meer alleen over het te grote aantal kleine gemeenten maar ook over de behoefte aan groei van de grote steden en stedelijke agglomeraties.
In 1960 kwam er een plan dat zowel was gericht op het opheffen van 24 kleine gemeenten met minder dan 2000 inwoners, waaronder Cadier en Keer, als ook op uitbreiding van de agglomeraties Maastricht, Geleen, Sittard, Born en Venlo. Maar voor dit plan was de tijd kennelijk lang niet rijp, want het verdween weer snel in de ijskast.

2010blz132

 Eind jaren zestig: Keer breidt uit. Op de voorgrond gemeente-opzichter Harry Moonen.

Plan 1965: ‘Groot’ Cadier en Keer
De plannen om de agglomeratie Maastricht te versterken bleven niettemin boven de markt hangen. Daarbij ging het niet alleen om uitbreiding van het grondgebied van Maastricht, waaraan Maastricht dringend behoefte had, maar ook om versterking van het bestuur van de gemeenten rond Maastricht. Met het oog op dit laatste hebben Gedeputeerde Staten van Limburg in 1965 een voorstel gedaan om de gemeente Cadier en Keer, die op 13 december 1964 slechts 1868 inwoners telde, te versterken. Dit voorstel hield in de eerste plaats in dat Bemelen, dat op 31 december 1964 slechts 374 inwoners had, grotendeels werd toegevoegd aan de gemeente Cadier en Keer. Ook ’t Rooth, dat deel uitmaakte van de gemeente Margraten, maar al sinds 1946 bij de parochie Cadier en Keer hoorde, zou bij de gemeente Cadier en Keer komen, evenals Honthem, dat tot dan deel was van de gemeente Gronsveld. Tenslotte zouden ook de buurtschappen Gasthuis en Wolfshuis van de gemeente Wylre overgaan naar Cadier en Keer. De nieuwe grotere gemeente Cadier en Keer zou dan rond 2500 inwoners tellen. Dit plan werd door G.S aan de betreffende gemeenten voorgelegd met het verzoek hun mening kenbaar te maken.
Officieel hebben G.S. het initiatief genomen voor dit herindelingsplan, maar naar alle waarschijnlijkheid was de toenmalige burgemeester Van Laar van Cadier en Keer de werkelijke initiatiefnemer. Hij heeft als lid van Provinciale Staten het Provinciaal Bestuur geïnspireerd om met dit plan te komen.
Maar dit plan voor een ‘groot’ Cadier en Keer werd spoedig achterhaald toen op 31 december 1965 de toenmalige regering besloot de mijnen in Zuid-Limburg te sluiten.

Mijnsluitingen
De gevolgen van de mijnsluitingen voor de economie en werkgelegenheid moesten worden opgevangen door middel van een vergaande herstructurering van Zuid-Limburg. Om die te kunnen realiseren waren ook sterkere gemeenten nodig met een grotere bestuurskracht. Dat hield in dat een einde moest worden gemaakt aan de lappendeken van veel kleine gemeenten in Zuid- Limburg en dat ook de centrumgemeenten versterkt moesten worden. Er diende met andere woorden een forse herindeling van gemeenten plaats te vinden. De ernst van de situatie maakte het volgens Gedeputeerde Staten bovendien nodig dat die herindeling in één keer fors moest worden aangepakt. Vandaar hun voorstel om alle gemeenten in Zuid-Limburg met minder dan 5000 inwoners op te heffen. Maar het was snel duidelijk dat realisering van dit voorstel niet haalbaar was omdat het tot gevolg zou hebben, dat in het zuidelijke deel van Zuid-Limburg vrijwel geen enkele gemeente zou overblijven.

Plan 1969: Cadier en Keer bij Maastricht
In 1969 kwam er een nieuw voorstel, dat iets genuanceerder was, maar nog steeds zeer fors: het aantal gemeenten in Zuid-Limburg zou moeten worden teruggebracht van 58 tot 11. De al veel langer bestaande wens tot versterking van de agglomeratie Maastricht maakte deel uit van dit voorstel. De ‘randgemeenten’ rond Maastricht zouden daarvoor grotendeels worden toegevoegd aan Maastricht. Van de gemeente Cadier en Keer zou alleen het landelijk gedeelte (Blankenberg en de Zangerij) niet bij Maastricht komen. Dit gedeelte werd toegedeeld aan de nieuw te vormen gemeente ‘Groot’-Gulpen. Bij deze laatste gemeente zouden ook Honthem en Eckelrade gaan behoren.

Grote beroering
Over dit plan ontstond grote beroering bij de inwoners van de randgemeenten van Maastricht. Zij waren fel tegen wat zij noemden de annexatie door het arrogante en eigenzinnige Maastricht. Volgens Burgemeester en Wethouders van Cadier en Keer had deze gemeente veel meer gemeen met de naburige plattelandsgemeenten dan met de gemeente Maastricht. De kritiek van de randgemeenten betrof overigens niet alleen de inhoud van de voorstellen maar ook het feit dat deze gemeenten nauwelijks of niet bij de ontwikkeling van de voorstellen waren betrokken.

1970: Huize Sint Joseph bij Cadier en Keer
Voor de gemeente Maastricht duurden de discussies over het herindelingsvoorstel op de Zuid-Limburgse schaal te lang. Zij ontwikkelde, vooruitlopend op de resultaten van het ‘Zuid-Limburgse’ voorstel, een eigen plan, waarmee in ieder geval voorlopig kon worden voorzien in de dringende behoefte tot uitbreiding van het grondgebied van Maastricht. Dit plan, dat door het provinciaal bestuur werd overgenomen, bestond uit de toevoeging aan Maastricht van de gemeenten Borgharen, Itteren, Amby, Heer en een gedeelte van Meerssen en Bemelen. In 1970 werd dit plan doorgevoerd.
Overigens ging niet het gehele grondgebied van Heer over naar Maastricht, omdat het gebied van Huize Sint-Joseph aan de gemeente Cadier en Keer werd toegevoegd. Ook hierin heeft burgemeester Sjef Van Laar van Cadier en Keer waarschijnlijk de hand gehad.

2010blz135

Luchtfoto uit 1979 van het complex Huize Sint-Joseph. Links de Rijksweg

1982: ‘Groot’ Margraten
Ondanks de niet aflatende forse kritiek op het herindelingsplan bleef de provincie, daartoe gestimuleerd door het rijk, lang vasthouden aan een vergaande herindeling. Eerst in 1977 gingen provincie en rijk overstag en kwamen ze met een veel gematigder voorstel. In dat voorstel werden Margraten, Cadier en Keer, Sint Geertruid, Mheer, Noorbeek en een gedeelte van Gronsveld (Honthem en Eckelrade) en van Wijlré (Gasthuis) samengevoegd tot een plateaugemeente Margraten. Dit voorstel ontmoette minder kritiek en is per 1 januari 1982 doorgevoerd. Daarmee kwam een einde aan het bestaan van de gemeente Cadier en Keer.

1996: Voorstel gemeente Maastricht: ‘Groot Maastricht’
Tot 1986 was er door de rijksoverheid nog geen samenhangend beleid voor herindelingen van gemeenten geformuleerd, dat aan gemeenten en provincies handvatten bood voor hun eventuele herindelingsvoorstellen. Voor het eerst in 1986, maar daarna in beleidskaders en beleidsnotities van 1995, 1998, 2002 en 2008/2009 zijn de nodige handvatten en toetsingscriteria voor herindelingen geformuleerd
Vanaf 1995 is er door de rijksoverheid bovendien extra aandacht gekomen voor de versterking van het bestuur en de dreigende ruimtenood van de gemeenten met een centrumfunctie die ingeklemd liggen tussen randgemeenten. In 1995 heeft een twintigtal grotere gemeenten met een centrumfunctie, waaronder Maastricht, van het ministerie van Binnenlandse Zaken de opdracht gekregen na te gaan hoe ze hun slagkracht konden vergroten, dan wel de dreigende ruimtenood konden tegengaan.
Hierop heeft Maastricht in februari 1996 gereageerd met een ambitieuze herindelingsnota waarin de contouren werden geschetst voor een doorgroei van Maastricht, in een periode van vijfentwintig jaar, naar 200.000 inwoners. Om dit mogelijk te maken zouden de zeven Heuvellandgemeenten, waaronder Margraten en het vijftien kilometer verderop gelegen Beek ingelijfd moeten worden.
Maar Gedeputeerde Staten van Limburg hebben een streep gehaald door het plan van Maastricht. Het provinciebestuur vond dat de geclaimde woon- en bedrijfsruimte beter door grenscorrecties kon worden verkregen.

2011: Fusie Margraten en Eijsden
De beleidsontwikkelingen op landelijk niveau en de ambities waarvan Maastricht regelmatig blijk geeft, zijn voor de gemeenten Eijsden en Margraten aanleiding geweest hun samenwerking te intensiveren. Deze samenwerking verliep zo positief dat beide gemeenteraden reeds na korte tijd lieten onderzoeken hoe die samenwerking verder inhoud kon krijgen. De voorspoedige samenwerking en de resultaten van het onderzoek waren voor de colleges van Burgemeester en Wethouders van Eijsden en Margraten aanleiding om al op 22 april 2008 een intentieovereenkomst te sluiten voor een fusie van beide gemeenten. Deze zou op 1 januari 2011 moeten plaatsvinden. Op 21 mei 2008 stemden beide gemeenteraden unaniem hiermee in. Ook de Provincie heeft aan deze fusie haar fiat gegeven, omdat hiermee een robuuste plattelandsgemeente ontstaat, die op haar taken is voorbereid als gemeente en als partner in de regionale samenwerking.
Dit betekent dat per 1 januari 2011 ook de gemeente Margraten ophoudt te bestaan en deel wordt van de nieuwe gemeente Eijsden - Margraten, met veertien historische kernen en met ongeveer 25.000 inwoners.

2010blz137

Eind 1981. Burgemeester Van Laar geflankeerd door wethouder Oostenbach (links) en rechts gemeentesecretaris Van Mulken en wethouder Loyson.
Tweede rij vanaf links de raadsleden: Metz, Vroemen, Ubags, Kleijnen, Borger, Fraats en Lahaye

Weinig reacties
Het proces tot de fusie tussen Eijsden en Margraten is opmerkelijk voorspoedig verlopen. Dit zal voor een deel het gevolg zijn van de beleidskaders met de toetsingscriteria die door het rijk sedert 1986 zijn geformuleerd. Daarnaast zal het voorspoedig verloop zeker te maken hebben met de manier waarop het voorstel tot stand is gekomen. Anders dan bij de herindelingsvoorstellen in de zestiger jaren van de vorige eeuw is dit voorstel niet ‘van bovenaf’ door provincie en rijk opgelegd, maar ‘van onderop’ door beide gemeentebesturen. Dat zal er ook toe hebben bijgedragen dat er van de inwoners van beide gemeenten zo weinig reacties zijn gekomen. Toch is de fusie niet bij iedereen in goede aarde gevallen. Er zijn in de regionale pers berichten verschenen van inwoners van de gemeente Margraten die vinden dat voor een fusie van Heuvellandgemeente Margraten niet naar de Maasdalgemeente Eijsden maar in de richting van Gulpen gekeken had moeten worden. Bij deze inwoners bestaat de vrees dat door deze fusie met Eijsden ook Margraten over “tien tot vijftien jaar” bij de gemeente Maastricht zal horen. Deze kritische inwoners vinden, niet verrassend, de gemeente Maastricht aan hun kant. Deze gemeente is ook van mening dat de duurzaamheid van de fusie tussen Eijsden en Margraten niet is aangetoond en denkt dat op de middellange termijn een nieuwe vergaande herindeling noodzakelijk zal blijken.

Ten slotte
De vroegere heerlijkheden Cadier en Sint Antoniusbank, Keer als gehucht van de heerlijkheid Heer en Keer en Honthem als gehucht van het graafschap Gronsveld zijn vanaf 1 januari 2011 onderdeel van de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten. Zij hebben daarvoor een lange weg afgelegd, met de nodige kruispunten waarbij keuzes moesten worden gemaakt. Hoe lang het duurt voordat er weer gekozen moet worden, zal de geschiedenis leren.