facebook     twitter2  

 

Vroegere inwoners

Doêg diech dat mèr, diech kins de luij va Keer
Sef va Pierre va Pietsje (Sef Daemen)
door drs. Harry H.M. Beckers

In onze reeks ‘Vroegere inwoners’ is het thans de beurt aan Sef Daemen. Bij de Keerdenaren is hij beter bekend als ‘Sef va Pierre va Pietsje’. Hij groeide op - als telg van een Keers geslacht - in ons dorp. Door oorlogsomstandigheden gedwongen aanvaardde hij in september 1942 een functie bij de Distributiedienst. Deze werkzaamheden betekenden voor hem een opstap voor een ambtelijke carrière. Sef was werkzaam bij de gemeentesecretarieën van Cadier en Keer en vervolgens van Gronsveld. Daarna trad hij in dienst bij de gemeente Maastricht. Na een ambtelijk dienstverband van drieënveertig jaar, laatstelijk als directeur van het Gemeentelijk Grondbedrijf, ging hij in die gemeente met pensioen. Over zijn werkzaamheden in Cadier en Keer handelt dit artikel.

Het gezin Daemen
Sef, geboren in 1926, was het derde kind uit het huwelijk van twee geboren en getogen Keerdenaren, Pierre Daemen en Tina Huijnen. Het gezin zou acht kinderen tellen (zes jongens en twee meisjes); het jongste kind (een jongen) zou slechts zes maanden oud worden. Vader Pierre had in 1917 - na zijn carrière als douanecommies in Breda – succesvol gesolliciteerd als postbode in zijn geboortedorp en moeder Tina fungeerde zes jaren (1932-1938) als eerste en enige telefoniste in Keer. In het ouderlijk huis in de Kerkstraat (thans nummer 65) had de P(ost), T(elegraaf) en T(elefoon) de eerste telefooncentrale van ons dorp geïnstalleerd (zie Keerder Kroniek, jaarboek 2007, blz. 71-73).
De aanduiding Pierre va Pietsje is afgeleid van de voornaam van zijn vader (Pierre) en zijn grootvader van vaderskant (Pietsje). Die aanduiding past helemaal in de Keerse traditie om dragers van dezelfde familienaam te onderscheiden door de voornaam van de betrokkene aan te vullen met de voornaam van een van de ouders of van de grootouders. In sommige gevallen wordt gerefereerd aan een inwonende oom zoals bij de Greune va Lumpeske.

De distributiebonnen
Oorlog en schaarste zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Ook de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) maakte daarop geen uitzondering. Doordat in een oorlog een groot deel van de productiecapaciteit moet worden ingezet voor de oorlogsindustrie is er veel minder capaciteit beschikbaar voor het produceren van voedsel en andere consumptiegoederen. In een oorlog of in andere crisissituaties moeten de aanwezige grondstoffen en het voedsel worden verdeeld. Gebeurt dit niet dan ontstaat het gevaar van hamsteren waardoor sommige mensen van voedsel en goederen verstoken blijven.

2011blz19

Het gezin van Pierre va Pietsje.
Zittend: Liza, vader Pierre, moeder Tien Huijnen, Jes.
Staand: Sander, Sef, Sjeng, Pierre en Bèr.
Foto ca. 1952.

Zo ontstond in de oorlogsjaren een groot tekort aan voedingswaren, kleding, schoeisel en vele andere artikelen. Dit vormde de aanleiding voor een steeds verder gaande rantsoenering. Om ervoor te zorgen dat iedereen tijdens deze tijden van gebrek toch over het noodzakelijke kon beschikken was de ‘Distributiedienst’ opgezet. In onze regio werd er door een aantal gemeenten (Ambij, Bemelen, Cadier en Keer, Eijsden, Sint Geertruid, Gronsveld, Margraten, Mheer, Noorbeek) een dergelijke ‘dienst’ opgericht. Het hoofdkantoor was gevestigd in Heer.

Het distributiesysteem was gebaseerd op de uitreiking van de zogenaamde distributiestamkaart die aan elke inwoner werd verstrekt. Met deze stamkaart kon men steeds weer de nieuwe distributiebonkaarten afhalen. En die bonkaarten waren voor heel wat goederen nodig (suiker, koffie, thee, schoenen, brood, bloem, geweven stoffen, vlees en vleeswaren, fietsbanden, aardappelen, jam, rookartikelen en versnaperingen etc. etc.). Was men in het bezit van zo een bonkaart dan kon men op aangekondigde tijden de winkel bezoeken om het product te kopen. Men had dus niet alleen distributiebonnen nodig maar ook geld.

De uitreiking van die bonnen was een gigantisch karwei en er kwam dan ook een aparte uitreikploeg die voor de uitgifte in de verschillende gemeenten zorgde. Van die ploeg maakte Sef deel uit.

Ambtenaar distributiedienst
Vanwege de oorlogsomstandigheden was het voor Sef niet mogelijk om na zijn studie bij de broeders in Wijck-Maastricht waar hij de Mulo-A-opleiding succesvol had afgerond een vervolgopleiding te volgen. Hij werd getipt dat er bij de Distributiedienst medewerkers werden gezocht. Als zestienjarige stapte hij het kantoor van de chef van die Dienst binnen en toen hij weer buitenstond was hij aangenomen bij de afdeling ‘uitreiking voedselbonnen’ in de regio Maastricht en Heuvelland. September 1942 begon hij zijn werkzaamheden. Hij was van toen af een van de ambtenaren die binnen een cyclus van drie weken, alle gemeenten in het Heuvelland bezochten. De inwoners konden dan hun voedselbonnen - op vaste dagen en tijdstippen - op de uitdeelplek (meestal het gemeentehuis) ophalen. De derde week was gereserveerd voor de afwikkeling van de voorbije uitreikronde en voor de voorbereiding van de volgende. Die voorbereiding vond plaats in het kantoor van de Distributiedienst dat gevestigd was in het voormalige gemeentehuis van Heer aan het Raadhuisplein aldaar.

’s Morgens bij het begin van de uitreikronde meldde Sef zich bij het Distributiekantoor in Heer met zijn fiets. Hij haalde dan de kist met de bonnen op, gespte deze vast op de bagagedrager en peddelde vervolgens naar de plaats waar die dag de uitreiking van de voedselbonnen moest plaatsvinden. Problemen heeft Sef bij de uitvoering van zijn werkzaamheden geen enkele maal ondervonden. Steeds bereikte hij veilig met zijn - gezien de oorlogs-omstandigheden - zeer gewilde ‘waar’ de plaats van bestemming.

2011blz21

Distributiebonnen uit 1944.

De toegenomen overvallen op distributiekantoren en uitreikingslokalen leidden er toe dat vanaf medio 1943 een regeling werd ingevoerd, waardoor vervoer en uitreiking van distributiebescheiden alleen nog maar plaats mocht vinden onder politiebewaking. De illegaliteit werd namelijk steeds actiever omdat het aantal onderduikers in Nederland steeds groter werd. Het waren niet meer alleen joden die onderdoken, maar ook een groot aantal mensen dat weigerde naar Duitsland te vertrekken voor de Arbeitseinsatz (Arbeidsinzet) en natuurlijk leden van de illegaliteit zelf.

Midden 1943 kreeg Sef dan ook politiebegeleiding. Twee politiemensen wachtten hem op in Heer en reden vervolgens achter hem aan - eveneens op de fiets - als hij zijn werkdag begon. Om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn en tijdens het fietsen snel hun pistool te kunnen grijpen, stopten de politieagenten hun pistool in een van hun laarzen. Gelukkig hebben zij nooit hiervan gebruik hoeven te maken; incidenten zijn Sef ook dat laatste jaar bespaard gebleven. Overigens vond Sef de twee politiemannen achter zich aan niet zo leuk: de leuij koeste waal ins deenke, wat hèt dè soms oet vrieëte (Men kon wel eens denken, wat heeft die soms voor streek uitgehaald).

Het uitreiken van de voedselbonnen vond meestal in het gemeentehuis zelf plaats; in een enkel geval (zoals in Mesch) in een café (neet zoe druk, meh altiêd errig gezellig). Aan een tafeltje zaten drie medewerkers van de Distributiedienst. De eerste persoon controleerde de stamkaart, de tweede medewerker telde de uit te reiken bonnen (de taak van Sef) en de derde controleerde of het uit te reiken aantal bonnen klopte. Frauderen met de zeer gewilde voedselbonnen was door deze procedure nauwelijks mogelijk. Sef was tevens ‘tafelchef’: iech begriêp ’t nog altied neet; ich waor pas zestien jaor (Ik begrijp het nog steeds niet; ik was zestien jaar).

Gemeente-ambtenaar
Een ambtelijke carrière bij de Distributiedienst zag Sef niet zitten en hij was vastbesloten de eerste de beste gelegenheid na de bevrijding om een overstap te maken, te benutten. De noodzaak voor die overstap werd nog eens versneld toen het steeds meer duidelijk werd dat het distributiesysteem een aflopende zaak was. Sef werd op het spoor van een nieuwe baan gezet door zijn vader. Als facteur bezorgde hij de post en in het gemeentehuis had hij wat opgevangen. Thuis gekomen zei hij tegen Sef: op ’t gemeintehoes kump un plaatsj vrèij; dat kins dich toch ooch doê? (in het gemeentehuis komt een plaatsje vrij, dat werk kun jij toch ook?). Sef aarzelde niet en stapte op de waarnemend burgemeester J.J.E.H. (Emiel) Ronckers (1895 – 1954) af. Deze - al vanaf 1923 burgemeester van Margraten en ook tijdens de oorlogsjaren daar burgemeester gebleven - was direct na de bevrijding met het waarnemend-burgemeesterschap van Cadier en Keer belast. Daarnaast schuwde Ronckers het administratieve werk geenszins: hij was naast burgemeester van Margraten ook nog gemeente-ontvanger in Sint Geertruid en directeur/voorzitter van de fruitveiling.

De uitbreiding van het personeelsbestand was kennelijk een noodzaak als gevolg van de deplorabele toestand van de gemeentelijke administratie die in de bezettingsperiode was ontstaan en die waarnemer Ronckers bij zijn aantreden aantrof. In een brief aan de Rijksverkeersinspectie (vanwege de schaarste aan benzine diende hij over een rijvergunning voor zijn personenauto te beschikken) zette hij uiteen dat ‘er een tekort is aan onderlegd secretariepersoneel en de administratie niet alleen hopeloos in de war is, maar ook in vele zaken een achterstand van meerdere jaren valt in te halen’.

2011blz23

Het voormalige gemeentehuis van Cadier en Keer, tegenwoordig ’t Keerhoes.

Na een paar dagen wachten kreeg Sef van Ronckers de mededeling dat hij per 1 april 1945 als volontair aan de slag kon. Dat betekende dat hij een maand lang ‘gratis’ mocht komen werken; binnen die maand moest hij aantonen dat hij ‘geschikt’ was. Voor die test slaagde Sef en hij werd ingaande 1 mei benoemd als leerling-ambtenaar met een salaris van fl. 50,-- bruto per maand. Van dit bedrag kon hij het lesgeld betalen van de opleiding Gemeente-Administratie I waarmee hij gestart was en hield hij nog wat over als ‘leefgeld’. De driejarige opleiding werd overigens op de vrije zaterdagmiddag (zaterdagvoormiddag werd er nog gewoon gewerkt) in Maastricht gegeven door een hoofdambtenaar van de provincie. Later zou Sef nog de akte Staatsinrichting MO en het diploma Gemeente-Financiën behalen.

De gemeentelijke medewerkers
Midden 1945 werkten er ter gemeentesecretarie twee personen: Rie van de Ven en Sef. Tonie van de Ven, de broer van Rie, was gemeente-ontvanger maar hij kwam zelden in het gemeentehuis. De ontvangers-werkzaamheden verrichte hij in zijn kantoor aan de Rijksweg waar hij het postkantoor runde. De ‘buitendienst’ telde twee kantonniers: Sjeng Hornesch en Bèr Bisscheroux. Bèrpke Spronck-van den Boorn bracht als poetsvrouw het totaal aantal personeelsleden op zes. Aan het hoofd van de gemeente stond de na het vertrek van Ronckers nieuw benoemde burgemeester (Miel) Duijsens (1914-1979). Hij was de zoon van de oud-burgemeester van Mesch en was - direct na de bevrijding - aangesteld als plaatsvervangend hoofd van de ordedienst in Eijsden. Duijsens keerde al snel naar die gemeente terug. Op 1 mei 1947 volgde zijn benoeming tot burgemeester van Eijsden. Dat bleef hij - bijna een kwart eeuw - tot aan zijn pensioen. ‘Ne hiele oeëpe meìnsj volgens Sef. De lúi-j leepe gemieëkelik beej ‘m bunne (Een heel open persoon; de mensen liepen gemakkelijk bij hem binnen). Duijsens bemoeide zich vooral met dienstplichtzaken; toen gold nog de algemene dienstplicht en het bijna twee jaar missen van een zoon op de boerderij (de duur van de dienstplicht) betekende nogal wat voor de bedrijfsvoering. Over vrijstelling van dienstplicht werd door de Minister van Defensie beslist maar de burgemeester had hierin een adviserende rol. Geen wonder dat deze regelmatig werd benaderd voor het uitbrengen van een gunstig advies.

De secretarie bevond zich op de bovenverdieping van het huidige Keerhoes; de benedenverdieping was niet in gebruik. Direct na de trap rechts bevond zich de gemeente-secretarie; links van de trap was er een klein kamertje waarin het archief was opgeslagen. Iets verderop was de burgemeesterskamer. De gemeenteraad vergaderde in de gemeente-secretarie; de twee bureaus werden dan aan de kant geschoven en tafeltjes en stoelen voor vijf raadsleden, twee wethouders en de burgemeester kwamen er voor in de plaats. De raadsleden moesten hun beslissingen nemen zonder dat zij over schriftelijke stukken beschikten; zij kregen alleen een agenda. Tijdens de vergadering lichtte de burgemeester het aan de orde zijnde onderwerp mondeling toe.

Vaste openingstijden voor de gemeente-secretarie kende men niet; had men iets nodig of moest men iets weten dan liep men simpelweg binnen bij Rie of Sef op kantoor. Niet zelden werden Rie en Sef thuis bezocht met het verzoek om een sjlachbreefke (slachtvergunning). Geboorte- en overlijdensaangiften geschiedden in het gemeentehuis; Rie van de Ven fungeerde als ambtenaar van de burgerlijke stand. Sef herinnert zich nog de geboorte-aangifte van een zoon van noonk Sjuul. Op de vraag van Rie en wie gêiste ‘m neume? (Hoe gaat het kind heten?), kwam het antwoord: dao vreug-ste miech get, iech zoû ’t neet wêite! (Daar vraag je me wat; ik zou het niet weten!). Rie weer: jao, meh iech mot waal get invölle (ja, maar ik moet wel wat invullen). Noonk Sjuul kwam vervolgens zelf met de oplossing: Sjeuf is pieëter, laot v’r ‘m mer Sjef neume. (Sjeuf is peetoom, laten we hem maar Sjef noemen).

De werkzaamheden
Sef’s ervaring bij de Distributiedienst en zijn bekendheid met de inwoners van het dorp kwamen later nog van pas. Vanwege de schaarste aan allerlei producten werd ook na de bevrijding het distributiesysteem nog gehandhaafd; dat zou tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw duren. In 1945 kreeg de gemeente Cadier en Keer – ter aanvulling op de distributie van schoenen – honderd klompenbonnen door de rijksoverheid toegewezen. Met de verdeling van deze extra bonnen was burgemeester Duijsens gauw klaar: Sef, doèg diech dat mer; diech kins de luij-j va Keer (Doe jij dat maar Sef, je kent de mensen van Keer).

2011blz26

Sef va Pierre va Pietsje aan het werk in het gemeentehuis van de gemeente Gronsveld.
Foto jaren zestig.

Volkstelling 1947
De volkstelling van 1947 was de twaalfde in de geschiedenis van Nederland. Het betrof niet alleen een telling van de totale bevolking maar er werd ook onderzoek gedaan naar de uitgeoefende beroepen en naar het aantal woningen en de woonsituatie. Ieder huisgezin moest een groot aantal vragenlijsten invullen. Medewerking aan deze volkstelling was verplicht; niet meedoen betekende een fikse geldboete. Om de mensen bij die invulling behulpzaam te zijn werden er hand-en-spandiensten door de gemeente verleend. In de praktijk kwam het erop neer dat de formulieren bij de mensen thuis werden ingevuld door de secretariemedewerkers. Dat betekende een hele hoop extra werk. Burgemeester Duijsens was de beroerdste niet; ook hij stak de handen uit de mouwen. Het totaal aantal gezinnen in Keer en Sint-Antoniusbank werd in drie parten verdeeld en Duijsens, van de Ven en Sef gingen op pad. Een prettige bijkomstigheid was dat het huisbezoek de nodige kopjes koffie (en soms vlaai) opleverde. De volkstelling verliep overigens vlotjes met de aantekening dat Duijsens tweemaal zoveel tijd nodig had voor zijn deel van het werk. Reden daarvoor was dat de mensen de burgemeester op bezoek kregen en van de geboden gelegenheid naarstig gebruik maakten om wat zaken te bespreken.

Ten slotte
Het beeld van de secretarie-ambtenaar is drastisch veranderd. Zo’n vijftig jaar geleden was het een ‘alleskunner’ en bestond de ‘bezetting’ slechts uit twee of drie ambtenaren. Deze waren veelal geboren in dezelfde gemeente als waarin zij werkzaam waren. Zij waren bekend in het dorp en zij - op hun beurt - kenden elke inwoner. Openingstijden waren nagenoeg onbekend. Afspraken maken met bestuurders was niet nodig; men kon eenvoudig bij hen ‘binnenlopen’.
Tegenwoordig is de afstand tussen secretarie-ambtenaar en burger veel groter; veelal komen zij ‘van buiten’. Hun taak is beperkt tot een specifiek onderdeel van de vele regels die momenteel in een gemeente gelden. Binnenlopen is er niet meer bij: eerst een afspraak maken. Dit alles is in één woord samen te vatten: professioneler.
Door al die schaalvergrotingen en de enorme toename van de regelgeving is dit alleszins begrijpelijk. Maar toch: de kleinschaligheid had niet alleen maar nadelen!

Het ligt in de bedoeling om in het jaarboek 2012 een artikel te wijden aan de werkzaamheden ter gemeentesecretarie van Cadier en Keer in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw. Als jonge ambtenaar stond ik toen mede aan de wieg van een Cadier en Keer dat zich zou ontwikkelen tot het Cadier en Keer van vandaag.

Bronnen
-Purnot, Jo.; De eerste telefoon in Keer, 75 jaar geleden, Keerder Kroniek, Jaarboek 2007, blz. 71-74
-Custers, Jos e.a.; Sint Geertruid 1939-1945, Dorpsleven tijdens de Wereldbrand