facebook     twitter2  

 

 

Vlucht uit Frankrijk eindigde in de Keerderberg

door Rita Schoenmakers

 

Marcelline de Chamerlat en enkele medezusters stichtten op 1 november 1806 in de Franse plaats Billom (Auvergne) de nieuwe congregatie van de Soeurs de la Miséricorde, zusters van Barmhartigheid. Al spoedig sloot zich een grote groep jonge vrouwen bij hen aan. Zij gingen zich toeleggen op het geven van onderwijs, het verplegen van zieken en het afleggen van huisbezoeken aan degenen die daar behoefte aan hadden.

Op het einde van de 19e eeuw stak in Frankrijk het anti-klerikalisme de kop op. Er was verzet tegen de invloed van de geestelijkheid op politiek en maatschappelijk gebied. De politicus Combes behoorde tot de felste anti-klerikalen. Hij was lid van de commissie die tijdens de regering Waldeck-Rousseau een wetsvoorstel voorbereidde over de rechtspositie van religieuze stichtingen. Dit voorstel werd tot wet verheven en had tot gevolg dat de kloosterscholen werden gesloten en er gedreigd werd met verbeurdverklaring van kerkelijke goederen. Men trachtte zoveel mogelijk scholen te behouden door secularisatie. In die tijd begonnen de zusters serieus te denken aan een stichting in het buitenland.

 

kloosterkeer_beneden

Voorgevel voormalig klooster, school en pensionaat aan de Rijksweg in de Keerderweg.

 

 

 

Pater Gaston Desribes van de Afrikaanse Missiën had om die reden al een Apostolisch College voor seminaristen uit de Elzas in Cadier en Keer gesticht. Tegenover dit college hadden de Franse Ursulinen, die ook uit Frankrijk gevlucht waren, een huis gebouwd voor een kleine communiteit en een lagere school. Zij verbleven daar in afwachting van de bouw van een pensionaat. De bisschop van Roermond kon hier tot zijn spijt niet mee akkoord gaan omdat zijns inziens het aantal internaten voor jonge meisjes in het bisdom al meer dan voldoende was. De Ursulinen trokken zich terug. Pater Desribes bracht de Soeurs de la Miséricorde hiervan op de hoogte, die daarop in november 1902 het leegstaand Ursulinenkloostertje kochten. Op 10 februari 1903 kwamen de eerste zusters uit Frankrijk naar Cadier en Keer. In deze beginperiode waren de paters voor hen een grote steun. Ook de zusters van O.L. Vrouw van de Apostelen, die onder meer de huishoudelijke dienst in keuken en wasserij van het Missiehuis verzorgden, waren een welkome hulp. Deze zusters waren met de paters naar Cadier en Keer verhuisd. De congregatie was gesticht door pater Planque van de Afrikaanse Missiën.

 

De eerste jaren waren hard en zwaar. Nederland was zo verschillend van Frankrijk. De taal was een groot probleem, vooral waar het de behartiging van zakelijke belangen betrof. Soeur St. Amable had tot taak voor de huishouding te zorgen en moest voor haar boodschappen te voet naar Maastricht. Om in hun levensonderhoud te voorzien begon soeur St. Hilaire met handwerk: naaien en borduren. In 1904 kreeg zij hierbij hulp van enkele andere zusters uit Frankrijk. Aan werk ontbrak het hen niet, er was veel vraag naar. Het naaien en borduren werd voornamelijk in opdracht van de textielfabriek van Dijck uitgevoerd. Vooral het mooie Richelieu borduurwerk had veel aftrek. Bij de geboorte van prinses Juliana werden lakentjes, sloopjes en dergelijke in opdracht geborduurd.

Het schooltje voor lager onderwijs dat op 4 maart 1904 was geopend, was een zware last. Gedurende het jaar steeg het aantal leerlingen, dat begonnen was met vier, moeizaam tot tien. De opbrengst (schoolgeld) woog niet op tegen de kosten. Aangezien veel ouders vroegen om particuliere lessen in handwerken en Frans voor hun dochters dachten de zusters er over een opleiding te starten voor meisjes die van de lagere school kwamen. Zij waren echter niet bevoegd om les te geven omdat hun Franse diploma’s in Nederland niet erkend werden. Dus gingen soeur Marie André en soeur Du Coeur Marie (Chazal) in 1904 naar de Ursulinen in Eijsden om onder andere de Nederlandse taal te leren. Hier hoorde soeur Du Coeur Marie (Chazal) dat ook enkele Frans sprekende Belgische leerlingen daar hun opleiding voor onderwijzeres in Nederland volgden. Zij sloot zich bij hen aan. Het werd voor haar een moeilijke studie. Zij oefende de voor de Fransen zo onuitspreekbare taal met een kiezelsteen in haar mond om de g en de r goed te leren uitspreken. In 1908 slaagde zij voor de hoofdakte. Dat was het einde van “les année noires” zoals soeur Marie dat destijds zei. Juist in dat jaar besloot het ministerie van Onderwijs ook de kosten van het onderwijs aan bijzondere scholen te gaan vergoeden. Financieel bestonden er toen geen obstakels meer. In navolging van zuster Marie Chazal slaagden nog enkele zusters voor het Nederlands onderwijsdiploma.

 

zustersChazalZuster Marie Chazal (1882-1970) met haar zus (links) Gabriëlle Chazal (1891-1978)

 

Op 27 april 1905 werd bij notaris Boots te Amby de akte gepasseerd voor een Stichting van Barmhartigheid. Zij was gevestigd en had haar hoofdzetel in de gemeente Cadier en Keer. In de stichtingsakte staat:

“Het doel van de stichting is de opvoeding van jonge meisjes, als ook andere werken van barmhartigheid en tot dat doel:

a.    Gebouwen beschikbaar te stellen en andere materiële middelen, zulks overeenkomstig de Nederlandse wetten en verordeningen, hetzij tegen betaling van enig kostgeld, hetzij gratis, uit toewijding aan de R.K. Godsdienst.

b.    In zoverre de Nederlandse wetten het toelaten: godsdienstig onderwijs, opvoeding, beoefening van vrouwelijke handwerken en de inkomsten stichting daaraan te besteden.

De wijze waarop de voorwaarden volgens welke die voordelen aan de vrouwelijke jeugd tot stand komen, worden door het bestuur van de stichting vastgesteld en eventueel gewijzigd”.  Een bedrag van 7500 gulden werd hiervoor afgezonderd.

 

achterzijdeklooster

Achterzijde van het voormalig kloostercomplex aan de Rijksweg

 

De school in de Keerderberg, door de zusters Keer-beneden genoemd, liep niet; ze was te ver van het dorp gelegen. Op 30 september 1909 werd het schooltje dan ook opgeheven. Uitgekeken werd naar een mogelijkheid om in de kern van het dorp grond te kopen voor de bouw van een kloostertje met enkele klaslokalen. Pastoor Oliviers was hen hierbij behulpzaam. Hij kocht in 1909 van Frans Brouwers huis, stal, schuur, erf, tuin en boomgaard in de buurt van de kerk. De pastoor verkocht het perceel in 1910 door aan de zusters. In dat jaar werd de eerste communiteit in het dorp (Keer-boven) opgericht en enkele zusters verhuisden van de Keerderberg naar het dorp. Wat de zusters op dit nieuwe perceel gebouwd en herbouwd hebben is niet na te gaan in de archieven van de gemeente, omdat vóór de Tweede Wereldoorlog het systeem van bouwvergunningen nog niet bestond. Wel blijkt uit de leggers van het kadaster dat in 1911 herbouwd werd en in 1921 bijgebouwd. Blijkens mededelingen van de zusters zou in 1919 een derde klaslokaal zijn bijgebouwd. In 1927 werd in een van de lokalen de kleuterschool ondergebracht. De school werd een groot succes en het aantal leerlingen groeide met de jaren. Eind 1952 begon de huisvesting te klein te worden en moest uitgekeken worden naar een andere locatie.

In afwachting hiervan was het noodzakelijk een nieuwe ruimte te zoeken, ook doordat zich in september extra veel leerlingen hadden aangemeld. Ook de kleuterschool groeide uit haar voegen en er was dringend behoefte aan meer ruimte. De gemeente hielp de zusters aan een voorlopig onderkomen: enkele leegstaande lokalen naast het voormalig gemeentehuis (nu ’t Keerhoês). De kleuterschool werd enige tijd gehuisvest in het voormalig wijkgebouw van het Groene Kruis aan de Limburgerstraat.

 

 

In Keer-beneden ontwikkelde het huis zich in een andere richting. In 1904 was het gebouw reeds aan de oostkant vergroot om in de behoeften van de communiteit te voorzien. In 1905 en 1906 werd er een vleugel aan de westkant bijgebouwd met het doel er een pension voor jonge vrouwen en meisjes te stichten en zo inkomsten te verwerven. Geacht werd aan een klein internaat-juvenaat met het oog op mogelijke roepingen. En die roepingen waren er! De gelederen werden versterkt door Nederlandse meisjes die zich geroepen voelden onder de jeugd te werken en samen met de Franse zusters te leven in armoede, maagdelijkheid en gehoorzaamheid. Van onze parochie is Lène Oostenbach (zuster Odilia) uit Honthem ingetreden. Dit eerste “Internaat der H. Familie” zou zich ontwikkelen tot een bloeiend pensionaat.

 

Intussen was België betrokken geraakt bij de Eerste Wereldoorlog. Begin augustus 1914 vluchtten duizenden Belgen naar Nederland. In het huis van Keer-beneden werden zeven gezinnen ondergebracht. De meeste van deze gezinnen verbleven er tot de wapenstilstand en nog langer.

Begin 1917 hadden de zusters ook Franse kinderen, afkomstig uit de door Duitsers bezette gebieden in Frankrijk, opgenomen. Over het hele land verspreid waren er ongeveer duizend van deze kinderen. Zij waren door bemiddeling van het Rode Kruis en de Franse ambassade naar Nederland gestuurd. Voor een groot gedeelte werden zij onderhouden door een rijke inwoner uit Amsterdam die en zwak had voor Frankrijk. Tot 1919 zijn de kinderen bij de zusters gebleven.

 

Na de Eerste Wereldoorlog stopten de zusters met het pension en het geven van lessen in handwerken, want er moest meer tijd vrij gemaakt worden voor het geven van lager onderwijs.

Het pensionaat dat in 1915 in zo een moeilijke tijd geopend was, had zich gunstig ontwikkeld tot de zomer van 1944 toen oorlogshandelingen enige vertraging gaven. Maar dankzij de snelle bevrijding van deze streek in september 1944 konden de lessen per 1 oktober daaropvolgende weer hervat worden.

In de jaren 1940-1945 werd aan de lagere school een V.G.L.O.-naaischool toegevoegd. Het aantal in- en externe leerlingen steeg dermate dat het gebouw te klein werd en uiteindelijk kregen de zusters vergunning voor de noodzakelijke uitbreiding.

In 1946 werd een Mulo-school toegevoegd waar enkele zusters en een aantal leken onderwijs gaven. Deze school heeft een grote bloei gekend. In de beginjaren zestig tekende zich een grote terugloop in het aantal kloosterroepingen af. Door deze terugloop en door de vergrijzing achtte het schoolbestuur van de Mulo, dat tot dan toe steeds had bestaan uit religieuzen, de tijd rijp het bestuur over te dragen aan een lekenbestuur. Op 31 december 1969 werd daartoe de “Stichting Mater Misericordae”opgericht.

Ook in Keer-boven waren nog slechts enkele zusters werkzaam in het onderwijs en werd het kloostertje te groot. De klaslokalen lagen leeg. Men vond het gewenst dat deze zusters verhuisden naar Keer-beneden. En zo geschiedde! Het schoolgebouw annex woning werd verkocht aan molenaar Sjeng Ackermans die met zijn gezin in het kloostertje ging wonen en de klaslokalen inrichtte voor het mesten van zogenaamde “kistkalveren”.

Ondertussen bleven de zusters de leiding behouden over de lagere en de kleuterschool. In 1968 werden de meisjes- en de jongensschool samengevoegd en trokken ook de zusters zich ook hier terug.

 

franse_vluchtelingen

 

Franse vluchtelingen vonden tijdens de Eerste Wereldoorlog onderdak bij de zusters (foto uit 1917)

 

In de loop der jaren was het aantal internen drastisch teruggelopen zodat het pensionaat in 1972 werd opgeheven. Ook het kloostergebouw werd

 Voor de enkele zusters die er nog verbleven te groot. In 1977 werd het gehele complex verkocht aan het Centrum Ontwikkeling der Volkeren (COV). In september 1977 verhuisde een achttal zusters naar de Torenstraat. In de daaropvolgende jaren liep het aantal zusters zodanig terug

 Dat de congregatie zich genoodzaakt zag ook dit complex te verkopen. Na een verbouwing tot drie eengezinswoningen werd het in 1986 aan particulieren verkocht.

In Nederland verblijven nog enkele zusters in het kloostertje in Zesgehuchten, een woning in Geldrop, appartementen in Cadier en Keer en Eckelrade en in verzorgingstehuizen in Gulpen en Tilburg.

In Frankrijk zijn nog enkele zusters woonachtig in Billom en Clermont-Ferrand. Bij het klooster in Billom is een bejaardenhuis gevestigd. Tegenover het klooster bevindt zich een school, terwijl in Clermont-Ferrand een kliniek gevestigd is. Al deze gebouwen zijn nog eigendom van de congregatie maar het beheer en de exploitatie van het bejaardentehuis, de school en de kliniek heeft de congregatie moeten overdragen aan leken.