facebook     twitter2  

 

De voormalige molen bij Blankenberg
Door Wiel Becker en Lei Haesen

In  een vorig artikel hebben wij aandacht besteed aan de algemene geschiedenis van het domein Groot-Blankenberg en aan het herenhuis. In deze bijdrage komt de voormalige molen aan bod. Verder besteden wij aandacht aan de molenaarswoning en haar bewoners.

 

De molen
In 1680 werd Johan Joachim de Jacobi, na de aankoop van het leengoed Groot-Blankenberg, heer van Blankenberg en Cadier. Hij kreeg ook het (alleen)recht een molen te bouwen. Veel heren beschouwden zich tevens eigenaar van al het stromend water in het gebied – op ons plateau overigens niet aanwezig – en van de wind die er over waaide. Om de inkomsten van de molen zo groot mogelijk te maken, werden de inwoners verplicht hun granen in de molen van de heer te laten malen: een zogenaamde banmolen. Lieten zij dit elders doen, dan volgden boete en inbeslagname van voertuigen en waren. Hoewel wij in de archieven over deze verplichting voor de inwoners van Cadier niets gevonden hebben, zal het hier waarschijnlijk niet anders geweest zijn. Napoleon maakte een eind aan deze ‘dwang’.
In 1686 diende Johan Joachim de Jacobi een verzoek in voor het oprichten van een ‘Coornwintmoolen tot gerieft en dienst van ingesetenen’. Na de goedkeuring bouwde hij in de buurt van het kasteel een houten windmolen voor de som van 2000 gulden. Voor dit recht moest hij wel jaarlijks twaalf vaten rogge “in de staatskas” storten. De graanmolen zou in 1748 tijdens het beleg van Maastricht door de Fransen in brand gestoken zijn. Dit schreef althans in 1876 Jos Habets, priester en rijksarchivaris van Limburg. Wij zijn hier niet zo zeker van. In het archief van de schepenbank Cadier bevinden zich nog enkele stukken over de graanmolen van Blankenberg. Hier staat onder meer: ‘Mits de duijrde van de graenen ende meest omleggende meulens geruijneert, hebbe mij laten persuaderen ten spoedighsten eene steene windtmeule op den plaats van de houte te setten.....’. vrij vertaald staat er, dat door de hoge graanprijs en het feit dat de meeste molens in de omtrek verwoest waren, hij tot de overtuiging was gekomen de houten windmolen door een stenen constructie te vervangen. Met hij wordt Willem Frederik de Jacobi bedoeld, advocaat en vice-hoogschout te Maastricht en de derde en tevens laatste generatie van het geslacht De Jacobi  die zich heer van Cadier en Blankenberg mocht noemen. Van een mogelijke verwoesting van de houten molen getuigen de woorden van De Jacobi niet. Integendeel! De kosten van de nieuwe graanmolen, inclusief twee molenstenen, bedroegen 2688 gulden. Welk type molen hij liet bouwen, is niet bekend.

In 1774 kocht Willem Frederik de Jacobi ook de watermolen op de Jeker in Maastricht voor 1500 gulden. De molen stond recht tegenover de Helpoort. Het gebouw werd vroeger ten onrechte het Pesthuis genoemd. Deze kruitmolen, in gebruik voor het maken van buskruit, verkeerde in zeer slechte staat. Willem Frederik liet de molen tot de grond toe afbreken en bouwde er een papiermolen met twee raderen, de eerste in Maastricht. De Jacobi wordt daarom gezien als de grondlegger van de papierindustrie aldaar.

 jrg3blz123

Het “Pesthuis”aan de Jeker. Hier bouwde De Jacobi een papiermolen.

Terug naar de molen van Blankenberg. Het is niet bekend, hoelang de molen nog in gebruik geweest is en wanneer deze precies verdwenen is. Vermoedelijk werd hij gesloopt of verwoest in of kort na de Franse Tijd (1794-1814). Op de Tranchotkaart uit 1806 staat de molen nog ingetekend. In 1825 werden de bezittingen van de nieuwe eigenaar van Blankenberg beschreven aan de hand van de laatst gedane opmeting. In dit stuk is te lezen, dat onder meer tot het goed behoorde ‘een weide bij de voormalige windmolen.’ Dit duidt erop, dat de graanmolen niet lang voor genoemd jaar gesloopt moet zijn. Volgens overlevering zou bij de herbouw van Blankenberg in 1825 het perceel waarop de molen stond, deels zijn afgegraven om over grondstoffen te beschikken voor het bakken van bouwstenen. Mogelijk dat toen ook de molen werd afgebroken.

Waar stond de windmolen?

jrg3blz124

Ligging van de voormalige molen, ingetekend op een meer recent kaartfragment van Cadier en Keer.

Gaan we via de Fommestraat of via de Einderweg naar Honthem, dan passeren we aan de rechterzijde de laan naar Blankenberg. Na een zeventigtal meter gaat de weg naar Honthem door een bosje. Even voorbij dit bosje stond de molen aan de rechterzijde en een tiental meter verwijderd van de weg in het weiland. Nu is op deze plaats nog een kleine verhoging te zien. Deze plek wordt in Keer Muëleberg genoemd en het bosje Muëlebergbösjke. Op een kaart uit 1885 heette de weg naar Honthem ná de kruising met de laan van Blankenberg nog Molenbergweg. Via deze weg was de molen voor ‘klanten’ bereikbaar.

Molenaarswoning
Gelijktijdig met de bouw van de eerste (houten) molen werd ook een woning gebouwd. Dit concluderen we uit de inschrijving van de doop van de kinderen van verschillende molenaars door pastoor Wijnand Kikken in het doopregister van Cadier. Zo werd bijvoorbeeld op 4 augustus 1695 een dochter van Gerard Cling(h) en Barbara Jacobs geboren prope Blankenbergh in ventimola (= bij Blankenberg in de windmolen) en op 17 april 1698 een zoon van Franciscus Kinne en Margaretha de Bressing in domo ventimola (domo = huis). Tot 1725 kennen wij de namen van een zestal molenaars. Hieronder bevinden zich geen Keerdenaren van origine. De jaartallen geven aan wanneer wij hen in die hoedanigheid zijn tegengekomen.
1. Joannes Thonissen (1688), getrouwd met Ida Wijneten
2. Gerardus Clingh (1692-1695), getrouwd met Barbara Jacobs
3. Franciscus Kinne (1698), gehuwd met Francica de Bressing
4. Arnoldus Aerts (1700), gehuwd met Anna Schotaers
5. Jacob Pellemans (1708-1709), gehuwd met Joanna van Ess
6. Caspar Melchers of Melchiors (1711-1721), gehuwd met Catharina van der Hagen. Aardige bijzonderheid: een zoon van deze laatste werd in het doopregister niet ingeschreven met de naam Melchers of Melchiors maar als Joannes de Molenaar.
In 1876 schreef Jos Habets dat de molenaarswoning in de groentetuin van het domein stond. Op een kaart uit 1885 staat de woning met een schuur ingetekend. Hieruit blijkt dat het gebouw dichtbij de voormalige molen lag. Het huis stond er nog in het begin van de twintigste eeuw. Toen legde de pastoor een adressenlijst aan van zijn parochianen en noteerde dat de molenaarswoning leeg stond. Nadat de molen in onbruik was geraakt, werd de woning het onderkomen van de hoveniers van Blankenberg. Zo woonde er in de negentiende eeuw het gezin van  tuinman en onbezoldigd veldwachter Joannes Lambertus Jehae. Twee van zijn kinderen werden respectievelijk in 1847 en 1949 in het ‘molenhuis’ geboren. Toen Jehae in 1865 ons dorp verliet, betrok zijn opvolger Godefridus Hubertus Sour de woning.

Bronnen:
Jos Habets: Schets van de voormalige heerlijkheid Cadier en van het Kasteel Blankenberg, Roermond 1876.
Stadsarchief Maastricht: Archief van de parochie van de H. Kruisverheffing, inv.nr. 38
RAL: LvO, archief schepenbank Cadier, inv.nr. 9753 
Gemeentearchief Margraten: Archief van de voormalige gemeente Cadier en Keer, inv.nr. 797-798
Uit Maastricht Silhouet: Helpoort en Nieuwstad.