facebook     twitter2  

 

De bouwhoeve en de pachters
door Lei Haesen

In eerdere afleveringen is aandacht besteed aan de algemene geschiedenis van het domein Blankenberg, het herenhuis (jaargang 2, nummer 4) en de voormalige molen (jaargang 3, nummer 3). In deze derde bijdrage komen de hoeve en de pachters aan bod.

jrg3blz187

De pachthoeve Blankenberg

 De grote U-vormige hoeve dateert, evenals het herenhuis, uit 1825. In de sluitsteen van de rechterpoort aan de kant van de laan is dit jaartal aangebracht. De nieuwe eigenaar, advocaat Pichot du Plessis, maakte in 1824 het oude complex met de grond gelijk en herbouwde een geheel nieuw Blankenberg. Van de afgebroken boerderij is nauwelijks iets bekend. Zeer waarschijnlijk was het gebouw opgetrokken uit hout en vakwerk en bedekt met strodaken. Dat wordt bevestigd door een oud pachtcontract uit 1678. Hierin is te lezen, dat de pachter voor het onderhoud diende te zorgen voor voldoende planken, fitsen (stokken en twijgen) en honderden schoven stro voor het dekken van de daken.
De huidige hoeve heeft vier doorgangen in de vier hoeken van de zijvleugels met ellipsvormige boogpoorten. Naast de rechthoekige vensters op de bovenverdieping -deze zijn niet origineel- zijn beneden nog de oorspronkelijke rondboogvensters en rondboogingangen met hardstenen omlijstingen aanwezig. Via de binnenplaats, waar voorheen de grote mestvaalt centraal lag, kon men via enkele stenen treden het herenhuis in.

jrg3blz188

                             De westvleugel rond 1915, gezien vanaf de binnenplaats

De stallen rechts zijn in 1975 tot woningen verbouwd. De twee dames op de voorgrond zijn Leonie Thomassen (links) en Catharina Thomassen. De tweede heer links is Sjang Thomassen en uiterst rechts Sjozef Thomassen.

De hoeve is in de loop der eeuwen door verschillende niet-Keerder families gepacht. Als pachter van een grote hoeve moest men niet onbemiddeld zijn. Naast een grote uitrusting aan landbouwgereedschappen en werktuigen diende men over een grote levende have (paarden, vee en schapen) te beschikken. Zo voerde pachter Hendrik van Hoven in 1872 uit Pruisen liefst 30 ossen en 300 schapen in, vermoedelijk voor een belangrijk deel bestemd voor de handel. Geen of weinig Keerdenaren zouden een dergelijke investering financieel aangekund hebben.

Twee pachtcontracten
Het oudst bewaard gebleven pachtcontract dateert uit 1622. Willem Habets uit Broekhem sloot in dat jaar een pachtovereenkomst voor negen jaar af met de eigenaar Baron Wolter Hoen van Hoensbroek. De pachter werd in die tijd halfwin genoemd. De helft van de opbrengst – hier werd doorgaans de helft van het geoogst graan mee bedoeld – was voor de heer van Blankenberg, de andere helft voor de pachter. Het waren de bijkomende voorwaarden die vaak als een zware last op de schouders van de halfwin drukten, zoals de jaarlijkse betaling van een bedrag van 40 gulden en het derde deel van alle soorten belastingen. Het onderhoud van de hoeve kwam deels voor zijn rekening en jaarlijks diende hij aan de heer ‘vleeswaren’ te leveren in de vorm van een vet varken, een hamel (gesneden ram) en een lam. Verder moest hij hand- en spandiensten voor hem verrichten, de helft van de kosten van inkwartiering van krijgsvolk betalen en op nieuwjaarsdag onder andere een pond peper geven voor een voorspoedig nieuwjaar.
Het pachtcontract dat Stas Bovij uit Eckelrade in 1678 tekende met de heer van Blankenberg en Cadier geeft eveneens een goed beeld van de rechten en plichten van de pachter en de eigenaar. De bouwhoeve verkeerde op dat moment in een slechte staat, want de verpachter zou eerst de noodzakelijke herstellingen uitvoeren om de hof bewoonbaar te maken. De aanvang van de ‘toust’ was altijd half maart, ook hier.
Stas Bovij diende de gebouwen goed te onderhouden en te zorgen voor voldoende planken en fitsen (stokken en twijgen) tijdens herstelwerkzaamheden. Ieder jaar moest hij op zijn kosten 400 schoven (bossen stro) reserveren voor het dekken van de daken en zes jonge appelbomen planten in de huisweide. Het loon van de dakdekkers was voor rekening van de verpachter, maar voor spijs en drank voor de werklieden moest Stas zorg dragen.
Hij diende jaarlijks 25 pattacons (= oude muntsoort) of 100 gulden te betalen en aan de echtgenote van de verpachter zes pond suiker, een half pond bloem en een pond nootmuskaat (!) te geven.
Wanneer geoogst werd, diende hij de verpachter te waarschuwen, zodat deze een mannetje kon sturen om precies bij te houden hoe groot de opbrengst was. Hij moest na het dorsen de helft van het graan dat de verpachter toekwam voor zijn rekening vervoeren naar een plaats die deze zou aangeven, doch tot maximaal twee uur rijden vanaf Blankenberg. Van al het akkerland mocht Stas vier bunder voor eigen gebruik bewerken en op de braakliggende percelen klaver zaaien.
Alle ‘schattingen en contributien’ (belastingen) werden de eerste twee jaar door de verpachter betaald, de overige jaren ieder de helft. Bij misoogst of andere schade aan de gewassen door bijvoorbeeld oorlogshandelingen volgde naar rato kwijtschelding. Natuurlijk diende Stas er voor te zorgen dat geen brand ontstond door nalatigheid of onachtzaamheid van hem, zijn huisgenoten of dienstmeiden en –knechten. De schade werd dan volledig op hem verhaald.

Grondgebruik
Uit een opmeting van de landerijen van Blankenberg door landmeter Jan de Bye van Ingber in 1617 blijkt dat de landbouwgrond opgedeeld was in drie gewanden (blokken), elk tussen de 21 en bijna 25 bunder groot. Van de bebouwing van de tweede gewande geeft hij een specificatie:

tarwe - 1 bunder
rapen - 1 bunder
wintergerst - 1 morgen (bunder)
rogge - 17 bunder
spelt (= soort tarwe) - 4 bunder

     Rogge, de grondstof voor het brood, vereiste de minste bemesting en leverde het langste stro, dat weer als meststof werd gebruikt.
Op de eerste gewande werden zeer waarschijnlijk haver, gerst en voedergewassen verbouwd, terwijl de laatste braak bleef liggen om de bodem gelegenheid te geven te herstellen. Na een jaar wisselde men en bleef één van de twee bebouwde gewanden braak liggen.

De laatste pachters:
1848 of 1850-1866: De familie Bastin.
Jean Jaques Bastin, geboortig van Berneau (België) en gehuwd met Maria Agnes Grosjean, arriveerde met vrouw en tien kinderen op 21 februari 1860 op Blankenberg. Drie dagen later overleed hij. Zijn vrouw en kinderen zouden de toust van zes jaar ‘uitdienen’. De familie bleef in Cadier en Keer wonen.
1866-eind 1875: Hendrik van Hoven.
Hij bleef niet de gehele pachtduur. In de winter van 1875 emigreerde hij met zijn gezin naar Amerika.
1876-1881: De familie Van der Weijer.
Pieter Laurens van der Weijer, geboren in Bingelrade en gehuwd met Catharina Elisabeth Bo(u)gie, verongelukte op 6 augustus 1877 op de openbare weg in Heer. In de Limburger Koerier lezen wij: “….door het kantelen van een plank, terwijl hij de kar beklom, viel hij met het noodlottig gevolg dat hem het rad over het hoofd ging en hij op de plaats dood bleef.” Zijn vrouw en kinderen zetten de pacht voort.
1881-1890: Johannes Janssen en schoonzoon.
Johannes Janssen uit Eijsden trouwde in 1853 met de Keerse Gertrudis Spronck. Op 71-jarige leeftijd kwam hij samen met dochter en schoonzoon Hubertus Urlings naar Blankenberg om de hoeve te exploiteren.
1890-1919: Mathijs Thomassen.
Mathijs kwam met zijn vrouw Catharina Hubertina Houbiers en zijn kinderen van Sint-Geertruid. Nog één kind, het tiende, zou op de hof geboren worden. Hij werd in 1896 burgemeester van ons dorp en zou dit tot kort voor zijn overlijden in 1919 blijven.

jrg3blz191 

Het gezin Thomassen-Houbiers rond 1910
Zittend van links naar rechts: Maria Josephina, moeder Catharina Houbiers, Jozef, vader Mathieu Thomassen en Josepha.
Staande: Maria Anna, Catharina, Jean, Leonie en Hubertina.

N.B. Nadat in 1904 het herenhuis door Baron Jules de Chestet de Haneffe verkocht werd aan de Franse zusters, werden in 1910 de bouwhoeve en de landerijen onder verschillende kopers verdeeld. Graaf Louis Corvet d’Elsius werd eigenaar van het grootste deel van de landerijen.
1919-1973: Gerard van Hoven en nakomelingen.
Gerard van Hoven huwde met een dochter (Catharina) van burgemeester Thomassen. Zijn twee kleinzonen, Gerrie en Harrie van Hoven, kochten de hoeve in 1973. Momenteel woont Gerrie er nog (Blankenberg 3). De familie Schaepman nam haar intrek in de woning van Harrie van hoven (Blankenberg 5).

jrg3blz192

Het gezin van Van Hoven-Thomassen op de binnenplaats van boerderij Blankenberg midden jaren dertig.
Zittend van links naar rechts: Lies, vader Gerard van hoven, moeder Catharina Thomassen en Maurice.
Staand: Guiliam (vader van Gerrie en Harrie van Hoven), Victor, Trenet, Jean, Leonie en Gerard.

Bronnen: Rijksarchief Limburg: LvO, Archief van de schepenbank Cadier, inv.nrs.  
                9743,9744 en 9747
                Gemeentearchief Margraten: Archief gemeente Cadier en Keer, inv.nrs. 634-640
Met dank aan Wiel Becker en Gerard van Hoven.