facebook     twitter2  

 

 

Een bijzondere vorm van kermisvieren

door Jo Purnot

In onze zoektocht naar oude gebruiken kwamen we een traditie tegen, die sinds begin twintigste eeuw niet meer voorkomt: ’t vare vuur vlaje. Het was een bijzondere manier van kermis vieren, waarbij jongelui vlaje (vlaaien) gingen ‘ophalen’ in een nabuurdorp op de zaterdagavond voordat het daar kermis was. Volgens dialectdeskundige Pierre Heijnen valt de eer van de laatste keer vare toe aan de jongemannen van Honthem. Vooral aan Heijnen hebben we te danken dat we nog weten hoe gevare werd. Hij heeft net op tijd gesprekken vastgelegd met mannen die nog aan die traditie hadden meegedaan. Bijna alle andere schrijvers over dit onderwerp profiteren van zijn werk.

 

 

PierreHeijnenPierre Heijnen werd geboren (1913) in Kerkrade. Hij kwam uit een landbouwersgezin met negen kinderen. Als oudste zoon trad hij niet in de voetsporen van zijn vader, maar werd priester. Een traditie die vaker in het boerenmilieu voorkwam. Tijdens zijn studietijd kwam hij met zijn ouders in Welsden wonen. Na zijn priesterwijding studeerde hij Nederlands. Daarna was hij jarenlang leraar totdat hij in 1965 pastoor werd in Epen, waar hij een jaar later overleed. Pastoor Heijnen heeft veel voor ons dialect betekend, vooral voor de ‘boerentaal’. Hij schreef veel in het Margratens dialect, alhoewel ingewijden de zuiverheid hiervan in twijfel trekken. Maar dat zij hem vergeven, hij was er immers niet geboren en getogen. De kracht van Heijnen was dat hij niet alleen werkte vanuit zijn studeerkamer, maar dat hij ook zelf veldwerk deed. Hij zocht de (boeren) mensen op. Oud-dorpsgenoten weten nu nog te vertellen dat hij in zijn studententijd, tijdens zijn vakanties de boerderijen in Welsden afstroopte op zoek naar oude verhalen en naar het echte boerendialect. De weerslag hiervan vinden wij in de verhalenbundel ‘De hane va Job ‘, zijn levenswerk.

Vare 

Wat is de betekenis van vare? Op de eerste plaats natuurlijk zoals we die nu nog kennen: zich verplaatsen. In het Nederlands alleen verplaatsen over het water met boot of schip. De rechtgeaarde dialectspreker zal vare ook gebruiken voor het zich verplaatsen met fiets, auto of andere voertuigen. “Hieë veurt in z’ne oto” (hij rijdt in zijn auto). Maar onder druk van het Nederlands wordt het woordje vare steeds vaker, ook in ’t Keersj plat vervangen door rij-je.

De tweede betekenis van vare is ketelmuziek maken. Voor dit oude gebruik zijn in deze streek bijna evenveel woorden als dorpen: huile (Rijckholt), pelteere en watleu (Banholt), loewe (Valkenburg), hule (Vaals) of zoals in Keer gewoon: houwe. Ketelmuziek maken gebeurde door de joonkheid (toentertijd ongehuwde mannen) om zaken af te dwingen, bijvoorbeeld wanneer een weduwnaar opnieuw ging trouwen. De joonkheid ging dan naar het huis van de trouwlustige en maakte net zolang kabaal totdat het ‘slachtoffer’ met een vat bier over de brug kwam. Ook werd ketelmuziek gebruikt als represaille voor degenen die zich niet aan de geldende regels hielden, bijvoorbeeld bij overspel of als een oude man met een jong meisje trouwde. Overigens zijn hiervan in ons archief geen voorbeelden te vinden.

jonkheid2000

De ‘nieuwe’ jonkheid in de processie op 25 juni 2000

Vare vuur vlaje

Wanneer in een van de omliggende dorpen kermis was, dan maakten de jongemannen al dagen van te voren plannen om te gaan vare. Hiervoor waren wat voorbereidingen nodig, want vare gebeurde met denkbeeldige paarden en karren. Om het echt te laten lijken sjouwden zij allerlei gereedschap (getuûg) mee waar flinke herrie mee gemaakt kon worden, zoals schoppen (sjöppe), zwepen (sjmiekke), bellenkransen van de paardenhaam (hutsjule), kettingen en rieken (reke) om over stenen te krabben zodat de vonken er af sprongen. Maar ook gingen accordeons (monekaas, kwetsjbule) mee. Verder hadden zij grote manden (maandele) nodig, om de vlaje in te vervoeren. Ook werd een woordvoerder (‘ne vuursjprieëker) aangewezen die aan de deur de toespraak (de kaal) moest houden om een vlaai losgepeuterd te krijgen. Volgens Heijnen gingen de jongemannen van Margraten vare in Honthem, Bruisterbosch, Termaar, Groot Welsden en ’t Rooth. Omgekeerd gebeurde dat ook. De jongelui trokken van deur tot deur en van poort tot poort terwijl zij een herrie maakten dat iedereen horen en zien verging. Overal werd aangeklopt, als men wist dat er jongedames in huis waren werd er nog wat extra lawaai uit de kast gehaald. Wanneer dan de deur openging, hield de vuursjprieëker z’ne kaal. Met veel bombarie vertelde hij dat zij onderweg waren met kar en paard en door een stommiteit van een van de knechten een malheur hadden, waardoor ze een wiel (raad) van de kar moesten vervangen. Daarom kwamen ze aankloppen om te vragen of men e raad (verkleinvorm: e raedsje) voor hen had, zodat ze weer verder konden. Zo e raedsje was een synoniem voor een vlaai. Tijdens zijn toespraak nam de vuursjprieëker korte pauzes zodat zijn herriemakende begeleiders de kans kregen zich extra van hun taak te kwijten. Op die manier wilden ze uitbeelden dat ondanks alle inspanningen “paard en kar’ niet in beweging te krijgen waren. Om van de herrie af te komen bleef de heer des huizes niets anders over dan e raedsje te offeren. Meestal was dat een taak van een van de inwonende meisjes. Het kwam maar zelden voor dat men weigerde een vlaai te geven. Niet alleen omdat de heer des huizes in zijn jonge jaren ook was gaan vare, maar als men het spel niet meespeelde kon men op represailles rekenen. Want de vlaai-jonge schroomden er niet voor naderhand terug te komen om het plaveisel voor het huis op te breken of de voorgevel te bekladden. Het verhaal gaat van een oude vrouw die op het ogenblik dat ze uit het raam de vlaai zou aanreiken een emmer met vuil water uitgoot over de maandel met vlaje. ’s Nachts namen de vlaaj-jonge wraak door haar huis met koeienstront  (kooflatte) in te smeren. 

Ook bakte men wel eens speciale vlaaien voor de vlaaj-jonge met een stukje stof of leer tussen de vulling van de vlaai (sjpíjs), of bakte men een speciale mosterdvlaai. Had de dochter des huizes het lef om bij wijze van grap de vlaai het ondersteboven in de maandel te leggen, dan kon ze het kermisbal wel vergeten. Want ze was gedoemd de hele avond als muurbloempje aan de kant te blijven. Wee zijn gebeente als iemand het lef had om haar ten dans te vragen.

Volgens Heijnen vond ’t vare vuur vlaje plaats aan de weerzijden van de grote weg van Keer naar Vaals. Op welke gegevens hij dit baseerde, is niet helemaal duidelijk. Wel vermeldde hij dat in de aantekeningen van zijn collega pastoor F. Schleiden gewag wordt gemaakt van een sproch (toespraak) van de vlaamjonge van Vijlen. Ook pastoor H. Welters schrijft dat in Sjléniech (Slenaken) en Vaols (Vaals) ‘op de kermisvooravond een optocht met zweepgeklets werd gehouden, waarna jongemannen hunne ingezamelde verschgebakken vlaam, die hun voor het aanrijden der kermis gegeven wordt in de herberg verteren'.

De laatste keer  

Volgens een van de zegslieden van Heijnen, Lowie Sjruursj (Schreurs), gingen de jonge van Honthem in 1916 de laatste keer vare.  De bestemming was Eckelrade. Tijdens het vare hadden zij goede zaken gedaan. Twee volle kaafmaandele was het resultaat. Ook hadden ze in de plaatselijke etablissementen keer op keer nieuwe energie opgedaan. In café Weusten, hun laatste pleisterplaats, werd nog een stevig glas gedronken, om daarna triomfantelijk aan de terugweg naar Honthem te beginnen. Joecheletaere met veel kaal en bravoure kwamen ze halverwege bij Kraojebösjke. Daar klonk plotseling: ‘Halt”. Zaklampen schenen hun in het gezicht. Vaag onderscheidden zij twee mannen in uniform.

 

 vare_vuur_vlaje_4-103

tekening Jean Keulen

“Hebt u vergunning om vlaaien te vervoeren? U weet dat u geen kilo bloem zonder vergunning mag vervoeren. Sigaren, sigaretten weg, allemaal op een rij”. Vier man moesten naar voren treden om de maandele met vlaaien te dragen. De rest stelde zich twee aan twee op. En toen moesten zij voorwaarts mars naar de burgemeester van Keer, het hoofd van politie. Praten was verboden en er mocht absoluut geen lawaai gemaakt worden. Zo trokken zij als een stoet krijgsgevangenen door de nacht over de geploegde velden. Bij de gedachte wat hun te wachten stond, brak sommigen het angstzweet uit. Het was immers ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Het gebruik van bepaalde voedingsartikelen was aan strenge regels gebonden, hierbij hoorde ook bloem, een grondstof die nodig was om vlaaien te kunnen bakken. Op overtredingen stonden zware straffen. Eindelijk doemde uit de duisternis voor de jonge van Honthem ’t Ingelsjwêrrek (tuin van Blankenberg) op. Op de boerderij naast de tuin woonde burgemeester Thomassen. Deze werd door de commiezen uit bed gehaald. Intussen stonden de vlaaj-jonge opgesteld onder de kastanjebomen van de kasteelllaan (hallei-j).

 afscheid_burg_thomassen

Burgemeester Thomassen, midden op de foto, in het complot?

(Foto: Afscheid van de burgemeester op Blankenberg in 1919)

De burgemeester die blijkbaar in het complot zat, sprak hen toe. “Ich kin uuch neet hêllepe jonge. Öm uuch good te raoje, gaot heiversj en laot de vlaje heej”.  De burgemeester had die woorden nog niet uit zijn mond of de jongelui renden alsof de duivel hen op de hielen zat naar huis. Toch nog blij dat het zo was afgelopen.

Maar de climax kwam pas op zondagmorgen. Want het verhaal van het echec was al heel vroeg als een lopend vuurtje rondgegaan. Met enig leedvermaak werden de jongelui door hun rivalen van Keer bij de kerkdeur ontvangen. En door de hele streek ging het verhaal hoe de vlaaj-jonge van Honthem er tussen waren genomen. Zelf konden ze er niet over uit, want die twee commiezen (Sjang Dumoulin en een Belgische vluchteling) spraken zo goed Hollendsj. Het voorval was tevens de nekslag voor het vare vuur vlaje in Honthem en naar het schijnt ook in de andere dorpen van het Heuvelland. Jammer, een leuke traditie was weer ter ziele.

De kaal (toespraak)

Pierre Heijnen heeft twee toespraken kunnen reconstrueren. Hiervoor voerde hij tijdens de oorlogsjaren gesprekken met onder andere Lowie Schreurs, Macheel Narinx en Mathieu van Proemeren, inwoners van Honthem. In het voorjaar van 1957 publiceerde hij de groête Kaal, zoals hij de toespraken noemde, in het tijdschrift Veldeke. Een paar maanden later reageerde Pierre Royen uit Banholt in hetzelfde tijdschrift met de Kaal va Tebannet (Banholt), een prachtige toespraak, weliswaar een stuk korter, maar in dichtvorm. De opzet van de toespraken was hetzelfde: Onderweg met kar en paard kreeg men pech omdat de kar een wiel verloor. In de ene kaal bestond de lading uit smeerkaas (sjmaerkies), in de andere toespraak uit vlooien (vluuj) en in de kaal va Tebannet uit rommedoe (sjteenkkies). Omdat het de dag erna kermis was, was het belangrijk dat de kar met die lading niet in het dorp achterbleef. Daarom ging men van deur naar deur om een nieuw wiel (raad) te vragen. De vlaai die men aangeboden kreeg, moest zo ’n raad, maar dan verkleind, ’n raedsje dus, voorstellen.

Voor de echte dialectliefhebbers hieronder een van de toespraken van Pierre Heijnen, de kortste. Een aantal woorden is omgezet in het Keerder dialect. De originele versie, ook die van de andere toespraken, zijn bij het secretariaat van de Historisch Kring verkrijgbaar.

Gojenaovend hier Hospes (heer des huizes)

Zeet d’r sjlaope, of zeet d’r doed,

of höb d’r de vrouw i genne sjoet (uw schoot).

Vier zunt gevare leve hier Hospes, va Kölle pis Paosje,

mit eine wage rotte sjmaerkies (smeerkaas).

En dow kaome vier op dae ’n wille umdrie (lastige bocht),

aan dat leime vauwer (lemen hek), mit dae glaze pos (paal),

oe (waar) de ouwe sjtok (boomstam) sjteit te niergele (herkauwen),

en oe die hoonder (kippen) loupe, mit die sjweit veuj (zweetvoeten),

Doe zègk iech tieëge dae sjaele knech:   

Vaar hut (rechts) van diech aaf.

En doew veurt ziech die sjael sjtom boontekoo,

haar (links) van ziech aaf en kuump mit d’r naaf in d’r brookereem,

dat ‘m d’r pis in g’n ouge sjprong, en d’r navel ziech krolde.

En d’r navel sjwol wie e felixbroed (brood van bakker Felix).

Meh, dat is nog nieks, miene leve hier Hospes,

meh daobeej höbbe vier e raedsje gebroeëke

En noe zunt vier beej d’r burgemeister gewaes

en dae how os gezag dat dier zoe ’n raedsjes fabriseerde.

En noe leve hier Hospes,

noe höbbe vier gehuuërd dat ’t heej mörrege kèrmes is,

en dier zowt toch neet wille höbbe dat vier heej mörrege

mit dae wage rotte sjmaerkies sjtuunt (staan).

Dao ziette maje (maden) in die höbbe köp (hoofden) wie olefaante

mit sjtuutse (staarten) sjuus es wagezeelder (dikke lange touwen).

En dat es die sjoen maedjes (meisjes), heej nao de kèrmes komme

mit die fing witte höskes (kousen) en sjeunekes (schoentjes).

En die maje sjloge h’n mit hun sjtuutse um die fien wiette beinekes?

Wat zow dier dao waal van zègke?

Dat zow dier toch neet gaere wille höbbe.  

Meh leve Hospes, es dier wilt, es dier mingt (meent)

dat vier nog fotkomme (wegkomen) 

Iech kin ze nog ins laote riete: Ho, Huuj, Ju.

Dan kregen de jongelui de kans om de woorden met hun meegebrachte materiaal extra kracht bij te zetten. 

Deh, noe zeet d’r, leve Hospes, noe zeet d’r, dat ’t oonmäögelik geit.

Dae voesse-appelsjummel-broenen-hings (hengst) dae trok jao

dat ‘m de long vuur g’n vot sjprong en nog geit ’t neet.

went (wanneer) dier os noe zoe’n raedsje gieëf,

dan kint ’t ei plezeer, ’t aander wieërt (waard) zien. 

En zow d’r ouch ins in datzelfde gevaal komme,

en d’r zowt ouch ins in oze pei-ie (streek) komme,

dan helpe vier euch ouch.

En es d’r neet wit oe vandan dat vier komme,

dan zal iech ’t uuch zègke. Vier zunt van Grommettenhoeze.

Oos keu (koeien) höbbe os heimet aafgewei-jd.

Jao dier kint waal dinke vier höbbe eine flaer (stuk) weij achter g’n

Hoes, dat es v’r de koo op truuk d’r heer in sjtooëte (van terug er in duwen),

dan besjiet ze os nog de bindgaerde (van twijgen gevlochte heg).  

En es d’r neet wit oe vandan dat vier zunt,

d’r köster louwt beej os mit eine sjoeëtelsplak (vaatdoek) in ein kaafmaandel.

En dat klinkt of ’t in d’r Dom va Kölle aan ’t louwe is.

O miene leve hier Hospes, miene uëvergroetvajjer en eure uëvergroetvajjer dat waore toch de beste kameräödsjes.

Ze houwe ei heuteke (hoedje) op dat waor va vure howieël (pikhouweel) en van achter sjlaateplatieël (slakom).

Dat gebruukde ze vuur de gelei-jes (karrensporen) touw te houwe,

dat ze ziech neet hun kneekes sjandlizeerde. Verheffing stem.

Ondertussen heeft een van de meisjes een vlaai gebracht en dan gaat het weer verder met het spektakel.

Gojenaovend hier Hospes, noe gunt v’r wei-jer of v’r örges nog e raedsje kriege.

Es vier nog ins komme, dan bringe vier uuch ouch get mit.

Bronnen:

Tijdschrift Veldeke, jaargang 1957

Th. Dorren: Woordenlijst uit het Valkenburgsch plat, 1918

Öcher Platt, Aachener Dialekt-Wortschatz, 2000

De Hane va Job, gebundeld in 1977, met een inleiding van Lou Spronck.