Historie

Inwoners moesten regelmatig vluchten in mergelgrotten
Historie van de Heerlijkheid Cadier (deel 1)
door Fons Meijers

Het gebied Cadier is waarschijnlijk in de twaalfde eeuw ontgonnen (zie artikel over de ontstaansgeschiedenis in het jaarboek 2006) en is mogelijk al kort na het ontstaan een eigen heerlijkheid geworden. Aanvankelijk behoorde de heerlijkheid Cadier tot het graafschap Daelhem, maar vanaf de dertiende eeuw heeft deze heerlijkheid te maken gehad met steeds weer andere vorsten als hoogste machthebber.
In een tweetal artikelen wordt ingegaan op de gevolgen die deze machtswisselingen hebben gehad voor de inwoners van de heerlijkheid Cadier. Dit eerste artikel betreft de periode tot 1661 toen de Staten-Generaal der Nederlanden (Staatsen) en Spanje na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) het eindelijk eens werden over de verdeling van de landen van Overmaas en Cadier ‘Staats’ werd. Op de historie van de heerlijkheid Cadier na 1661 die heeft geduurd tot de verovering door de Franse republikeinen in 1795, wordt in een apart artikel ingegaan.
 
Heerlijkheden
Tot het einde van de achttiende eeuw maakten in onze streken veel dorpen bestuurlijk deel uit van een heerlijkheid. Dat was een (meestal klein) gebied waarin één persoon, de heer, het gezag uitoefende. Deze heer vertegenwoordigde het hogere gezag, de graaf of de hertog van wie hij de ‘heerlijke rechten’ (rechten van de heer) in leen kreeg. Daarbij ging het om rechten als het benoemen van de schout die in de heerlijkheid uitvoering gaf aan het gezag van de heer. Daarnaast hield de heer toezicht op de rechtspraak die door de schout en schepenen werd uitgeoefend. Ook kreeg de heer rechten als bijvoorbeeld het jachtrecht en het kaprecht (recht om hout te kappen). Belangrijk voor de macht en het aanzien van een heer was verder dat deze zelf cijnsen (belastingen) mocht heffen.
Veel heerlijkheden hadden alleen bevoegdheden voor de zogenoemde ‘lage rechtspraak’, dat was de rechtspraak voor lichte vergrijpen tegen bijvoorbeeld het jachtrecht en het kaprecht.

Heerlijkheid Cadier
Van de heerlijkheid Cadier wordt het eerst gesproken in een geschrift uit 1266. Dat wil niet zeggen dat Cadier pas in dat jaar een heerlijkheid is geworden. Het is best mogelijk dat Cadier al bij of kort na de stichting in (waarschijnlijk) de twaalfde eeuw een heerlijkheid werd. Dat zou te maken kunnen hebben met de geïsoleerde ligging van Cadier ten opzichte van het land van Daelhem waartoe Cadier behoorde. Zoals uit onderstaand kaartje blijkt lag Cadier in een enclave tussen de rijksheerlijkheid Gronsveld, waartoe ook Honthem behoorde (in het kaartje wit) en het land van Valkenburg (schuin gearceerd) en het land van ’s Hertogenrade (geblokt).

2012blz78
2012blz78a
Deze geïsoleerde ligging zou er de oorzaak van kunnen zijn dat Cadier, ondanks dat het een kleine nederzetting was, al vroeg een eigen heerlijkheid is geworden.
Zoals blijkt uit stukken uit 1370, had de heer van Cadier niet alleen de bevoegdheid voor de ‘lage rechtspraak’ maar ook voor de ‘hoge rechtspraak’. Dat betekende, dat hij de bewoners kon laten veroordelen tot lijfstraffen of tot de doodstraf.

Oorlogen, erfenissen en ‘slimme’ huwelijken
In de dertiende eeuw komt een ontwikkeling op gang die zich in de eeuwen daarna doorzet waarbij vorsten de omvang van hun gebied zijn gaan vergroten. Dit gebeurde door op het oorlogspad te gaan en door erfenissen of door ‘slimme’ huwelijken met een partner uit een ‘gewild’ gebied. Dit heeft in de loop van de eeuwen tot vele machtswisselingen geleid die ook op een kleine heerlijkheid als die van Cadier grote invloed hebben gehad; vooral omdat de machtswisselingen vaak het gevolg waren van oorlogen. Deze machtswisselingen worden hierna beschreven en zijn in een bijlage kort samengevat.

Cadier Brabants
De hertogen van Brabant waren de eersten die in de dertiende eeuw door veroveringen hun gebied fors gingen uitbreiden. De eerste wisseling van de macht waarmee de heerlijkheid Cadier te maken kreeg was dan ook de verovering van het land van Daelhem door hertog Hendrik II van Brabant. Deze heeft in de winter van 1239 na een belegering van negen weken de vesting Daelhem kunnen innemen.
De graaf van Daelhem Dirk II van Hochstaden heeft nog vijf jaar er alles aan gedaan om zijn land weer terug te veroveren, maar werd uiteindelijk in 1244 gedwongen definitief afstand te doen van zijn graafschap. Van toen af konden de hertogen van Brabant zich tevens graaf van Daelhem noemen en kwam ook de heerlijkheid Cadier onder Brabants beheer. Dat betekende voor de inwoners van Cadier onder meer dat zij nu cijnsen (belastingen) moesten betalen aan de Brabantse hertog.
De hertog van Brabant heeft tijdens de eerste eeuw van zijn bewind geen aanspraak gemaakt op de gronden in Cadier, die nog in het bezit waren van het kapittel van O. L. Vrouw in Maastricht. Dat kan worden afgeleid uit het testament van een Maastrichtse ‘clericus’ (waarschijnlijk kanunnik) uit 1316, waaruit blijkt dat deze bij zijn overlijden ‘meerdere huizen en de nodige bunders grond’ in Cadirs in bezit had.
Nadat in 1288 bij de Slag bij Woeringen (nabij Keulen) het land van ‘s Hertogenrade en in 1364 het land van Valkenburg ook in Brabants bezit waren gekomen, werden deze drie landen de Landen van Overmaas genoemd. Deze naam werd gegeven omdat, vanuit Brussel gezien, waar de hertog van Brabant zetelde, deze landen ‘over de Maas' lagen.

Pandheer Jan van Gronsfeld
Ergens tussen 1316 en 1375 zijn behalve de heerlijke rechten ook de gronden in Cadier in bezit gekomen van het hertogdom Brabant. Dat was in de tijd dat de Brabantse hertogen dit bezit goed konden gebruiken, omdat de vele oorlogsvoeringen hen in geldnood hadden gebracht. Tegen het einde van deze periode was de nood zelfs zo hoog gestegen dat de hertogen grondstukken aan rijke edellieden moesten gaan verpanden.

2012blz80

Hertogin Johanna van Brabant



Uit een pandbrief uit 1375 blijkt dat in dat jaar het dorp Cadier (samen met het dorp Eijsden) door hertog Wenceslaus, gehuwd met hertogin Johanna van Brabant, zijn verpand aan Jan van Gronsfeld. Volgens de pandbrief van 4 oktober 1375 gaf de hertog deze beide dorpen aan de heer van Gronsfeld ‘in bewaring en in handen’, inclusief een groot aantal met name genoemde rechten, zoals cijnzen, renten, kapoenen en tollen.

2012blz81

Het oude voormalige kasteel Gronsveld. Tegenwoordig zijn alleen nog enkele ruïnes te zien. Jan werd op dit kasteel heer van Gronsveld



De pandsom die Jan van Gronsfeld betaalde, bedroeg volgens de akte ‘vijfduizend en vijfhonderd guldens, zwaar van goud en gewicht, of de waarde in ander goed of geld.’ Zo lang de pandsom niet door de hertog van Brabant werd terugbetaald, zou Jan van Gronsfeld beide dorpen in pand houden.
Jan van Gronsfeld werd op 25 augustus 1386 in Aken vermoord. Aangezien hij geen erfgenamen achterliet, zouden Cadier (en Eijsden), volgens de vastgelegde afspraak, weer aan Brabant teruggegeven moeten worden. Maar van hertogin Johanna van Brabant (Wenceslaus was in 1383 overleden) hoefde dat niet. Van haar mochten de weduwe Marguerite de Merode van Jan van Gronsfeld en zijn broer Hendrik beide dorpen in pand blijven houden. Het is niet duidelijk wanneer een einde is gekomen aan de verpanding.

Cadier bij ‘De Nederlanden’
In 1396 wist Philips de Stoute het zo te manoeuvreren dat hij, zijn echtgenote en zijn erfgenamen de soevereiniteit verkregen over de landen van Overmaas. Ruim dertig jaar later, in 1430 kwam het gehele hertogdom Brabant in het bezit van hertog Filips de Goede van Bourgondië. Het graafschap Daelhem met de heerlijkheid Cadier, krijgt daarmee definitief de hertog van Bourgondië als hoogste ‘baas’.
Deze hertog verwerft in 1433 ook nog Holland en Zeeland. Door het bij elkaar brengen van Brabant, Limburg, Holland en Zeeland legt hij de grondslag voor de latere ‘Nederlanden’. Het jaar 1433 is daarmee ook het jaar waarin Cadier voor het eerst in een rijk komt, waarvan ook Holland deel uitmaakt.
 
Ook de Bourgondische tijd kenmerkte zich door de expansiedrift van de heersende hertogen. Het gevolg van deze veroveringsdrang was dat gedurende een groot deel van deze tijd er sprake was van oorlogsgeweld. Wanneer een troepenmacht ergens langer gelegerd was, eiste zij het graan en de veestapel op. Dikwijls werden de oogsten door de troepen vernield. De legers vorderden ook werkkrachten om militaire versterkingen aan te leggen. Zodoende konden deze mensen niet in de landbouw werken. Daar kwam nog bij dat met name aan hertog Karel de Stoute (zoon van Filips de Goede) constant hoge oorlogsbelastingen betaald moesten worden.
Het Bourgondische Huis heeft de Nederlandse gewesten overigens niet lang bezeten. De oorzaak daarvan was dat Karel de Stoute in 1477 in de Slag bij Nancy (Frankrijk) sneuvelde en zijn dochter Maria, erfgename van Bourgondië, vervolgens bescherming zocht en vond in een huwelijk met Maximiliaan, aartshertog van Oostenrijk en telg uit het Habsburgse Huis. Na de voortijdige dood van Maria in 1482 werd Maximiliaan de feitelijke machthebber over de Nederlanden; waaronder Brabant met de Landen van Overmaas en daarin Cadier.

2012blz83

De Habsburgse keizer Karel V (kleinzoon van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië) wilde dat zijn grote rijk beter werd bestuurd. Hij vond het maar niets dat al de hertogdommen en graafschappen in zijn rijk zich zelf bestuurden. Daarom heeft hij de landen van Overmaas en het Hertogdom Limburg samengevoegd tot wat hij een ‘provincie’ noemde en bracht deze met zestien andere provinciën samen in de Zeventien Provinciën van de Nederlanden. Elk van deze provinciën werd, namens Karel V, bestuurd door een stadhouder.
In 1555 doet Karel V afstand van de troon en wordt het Habsburgse rijk verdeeld tussen zijn broer Ferdinand en zijn zoon Philips II. Deze laatste wordt dan koning van Spanje en van de Nederlanden.

De gevolgen voor Cadier van de tachtigjarige oorlog
In 1568 kwamen de noordelijke provinciën van de Nederlanden, onder leiding van stadhouder Willem van Oranje in opstand tegen koning Philips II. Zij kwamen in verzet tegen de hoge belastingen (Tiende Penning) die deze koning hen oplegde. Bovendien verzetten zij zich tegen het katholieke geloof dat de Spanjaarden wilden opleggen aan de inmiddels in grote mate protestant geworden inwoners van deze noordelijke gewesten. Het was het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

2012blz84

De belegering van Maastricht door de hertog van Parma in 1579



De eerste keer dat Cadier in de Tachtigjarige Oorlog te maken krijgt met de opstandige legers is al in 1568, wanneer Willem van Oranje zijn eerste (vergeefse) poging doet om Maastricht te veroveren. Een voor Cadier berucht jaar is ook 1579, wanneer de Spaanse veldheer Parma Maastricht inneemt. Deze oorlog is voor de inwoners van Cadier en andere dorpen in de omgeving van Maastricht een periode met veel zwarte bladzijden. Dit kwam door de ligging nabij de stad Maastricht, waarover de opstandelingen en de Spanjaarden keer op keer met elkaar in gevecht raakten. Het betekende dat dorpen in de omgeving van Maastricht zoals Cadier telkens te maken kregen met legers die in hun dorp inkwartiering eisten of op doortocht waren. Daardoor is in ons dorp veel onheil aangericht. Vooral de opstandelingen waren de schrik van de streek. Pastoors en notabelen werden gevangen genomen en een losgeld werd geëist van de verarmde bewoners.
Door de oorlogsellende vervreemdde het zuidelijke deel van De Nederlanden steeds meer van het noordelijke deel.
In 1588, ruim honderd jaar nadat ze door Karel V bijeen waren gebracht, vallen de Nederlanden dan ook uiteen in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte. De noordelijke gewesten riepen in dat jaar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uit, waarin het protestantse geloof de belangrijkste godsdienst is. Deze republiek werd bestuurd door de Staten-Generaal, bestaande uit vertegenwoordigers van de zeven gewesten.

Tussen 1602 en 1648 heeft het leger van de Staten-Generaal (het Staatse leger) herhaalde malen onze streken onveilig gemaakt. In 1602 was het stadhouder Maurits die in een veldtocht langs de Maas ook weer Maastricht aanviel; overigens zonder succes. In 1632 maakte Prins Frederik Hendrik van Nassau (de stedendwinger) zijn veldtocht langs de Maas en is er toen wel in geslaagd Maastricht en de Landen van Overmaas te bezetten (Beleg van Maastricht).

De boeren kregen de volle last van de oorlog te dragen, omdat de gewassen op het veld door de troepen als paardenvoer werden gebruikt. Pastoor Henricus Oest van Cadier ontving omdat “alle vruchten waren verwoest” in dat jaar geen inkomsten uit pacht en landerijen
De Spanjaarden legden zich niet neer bij dit verlies, want in 1635 heroverden zij het land van Daelhem met Cadier. In 1644 probeerden de Staatsen het op hun beurt nog een keer. Het lukte hen om gedurende een paar maanden het stadje Daelhem te bezetten, maar toen moesten ze Daelhem weer aan de Spanjaarden laten. Die zijn tot 1648 (Vrede van Munster) de baas geweest over het land van Daelhem waartoe Cadier behoorde. Maar het bezit van de Landen van Overmaas (inclusief Cadier) blijft nog dertien jaar (tot 1661) een strijdpunt tussen de Staten-Generaal en de Spaanse Koning. Daardoor ondervinden de Overmase dorpen nog lang de naweeën van deze oorlog. Zo moesten de inwoners van deze dorpen zowel aan de Staatsen als aan de Spanjaarden belasting betalen.

2012blz86

Een van de ingangen van mergelgroeve Keerderberg.
De inwoners van Cadier zagen zich tijdens gevechten meer dan eens genoodzaakt naar de ‘mergelgrotten’ te vluchten.
Foto 2012


Op 26 december 1661 werd het Partagetraktaat (opdelingsverdrag) gesloten, waarbij de landen van Overmaas, met de heerlijkheid Cadier, werden verdeeld tussen het katholieke Spanje en de protestantse Staten-Generaal van Holland. Cadier werd Staats.
Heren van Cadier
De gevolgen van de vele machtswisselingen in het hogere gezag hebben de inwoners van Cadier niet alleen ondervonden in de vorm van veel oorlogsleed en hoge belastingen, maar hebben ook bepaald wie, namens het hogere gezag, de heerlijke rechten hadden op de heerlijkheid Cadier.
De eersten die deze heerlijke rechten hadden, waren de graven van Daelhem. Dirk I van Hochstaden (overleden in 1197) was de eerste uit het huis van Hochstaden die Daelhem in bezit kreeg. Nadat zijn kleinzoon Dirk II van Hochstaden in 1244 Daelhem had moeten afstaan aan hertog Hendrik II van Brabant hield de graaf van Daelhem niet langer toezicht op het bestuur en de rechtspraak van de heerlijkheden, maar gebeurde dat door een vertegenwoordiger van de hertog, de slotvoogd of drossaard. Deze werd aangestuurd vanuit Brussel, waar de hertog zetelde.

De heerlijkheid Cadier was vóór 1375 verpand aan de heren van den Bongardt, heren van Terheyden. Toen Jan van Gronsfeld in 1375 pandheer werd van Cadier kreeg hij daarmee ook (een deel van) de heerlijke rechten. De drossaard namens de hertog van Brabant in het land van Daelhem was toen Jan van Schoonvorst, die in 1400 werd opgevolgd door ridder Reinier van Berghe. In 1415 of 1418 heeft hertog Jan IV van Brabant het land van Daelhem aan deze Reinier van Berghe verpand. Na het overlijden van Van Berghe op 14 maart 1451 loste de Bourgondische hertog Philips de Goede Daelhem af, waardoor hij weer vrijelijk zijn ‘heerlijke’ rechten kon uitoefenen.

Meerdere adellijke geslachten in onze streken kwamen in de eerste helft van de zeventiende eeuw tot aanzien en rijkdom door een opeenstapeling van heerlijkheden en ambten. In onze streken was het geslacht Van Hoensbroeck dat in de zeventiende eeuw het kasteel Groot Blankenberg in eigendom had verkregen, daarvan een goed voorbeeld.

2012blz87
Familiewapen van Hoensbroeck

Toen in 1643 Conraad Ulrich Baron van Hoensbroeck de rechten van Cadier in bezit kreeg werd het kasteel tevens het hoofdverblijf van de heren van Cadier. Deze Conraad Ulrich was tevens baron van Hoensbroeck-Geul en heer van Geulle. Afgaande op zijn functies had deze baron in onze streken veel invloed, omdat hij ook nog voogd en landheer van de lenen van het Land van Valkenburg was en commissaris van het Ridderschap van de Staten van het Land van Valkenburg.
In 1652 volgde Wolter Frans, de zoon van Conrad Ulrich van Hoensbroeck, zijn vader op als heer van Cadier en Blankenberg. Wolter Frans was behalve heer van Cadier en Blankenberg ook graaf van Hoensbroeck-Geul, heer van Geulle en stadhouder der lenen en voogd van het land van Valkenburg en bovendien heer van Bunde, Ulestraten, Groten-Brogel en Erpicom. Hij was kolonel en voor de Spanjaarden een belangrijk man zoals blijkt uit zijn verheffing in de gravenstand in 1660 door Koning Philips IV van Spanje. Op 24 december 1670 verklaarde deze Wolter Frans dat, indien op de dag van zijn overlijden de uitoefening van de katholieke religie in Geulle verboden was, zijn uitvaart in Sittard zou moeten plaats hebben en zijn jaargetijde te ‘Uychoven’ (Uikhoven). Diens zoon Johan Maximiliaan Arnold van Hoensbroeck was tot 1680 heer van Cadier en Blankenberg.

Blankenberg bestond behalve uit een kasteel uit een hoeve en landerijen. Het wordt voor het eerst genoemd in een register uit 1381. De hoeve en de landerijen zijn in de loop van de eeuwen door verschillende families van buiten Cadier gepacht. Uit bewaard gebleven pachtcontracten blijkt dat in 1622 Willem Habets uit Broekhem en in 1678 Stas Bovij uit Eckelrade de pachters zijn geweest. De pachter werd in die tijd halfwin genoemd, omdat de helft van de opbrengst van de graanoogst voor de heer was bestemd en de andere helft voor de pachter.

De schepenbank
Namens de heer werden de heerlijke rechten feitelijk uitgevoerd door de schepenbank die bestond uit een schout en zeven schepenen. De schepenbank van Cadier zou zijn ontstaan in de veertiende eeuw. Deze schepenbank fungeerde als rechtbank en stelde de belastingen vast en zorgde dat deze geïnd werden. De schepenbank in Cadier hield enkele keren per jaar zitting (voogdgeding). Onder de grote linde voor de kerk werd dan recht gesproken “sonder aensien van persoonen, de rijcken om geldt, de armen om godts wille, opdat den armen sigh niet te beclaegen hebbe dat hij door sijne armoede sijn goet reght soude moeten ontbeeren.” Iedereen die klachten had, mocht tijdens het voogdgeding het woord voeren.

2012blz89

De eeuwenoude linde. Foto rond 1910

De eerste met naam bekende schout van Cadier was Michiel Geldoff, die in 1449 schout was. In de zestiende en een gedeelte van de zeventiende eeuw (tot 1648) bestond de schepenbank uit grote boeren uit Cadier (de families Meusens en Hustin) en notabelen uit Maastricht. In 1612 was Thomas Meusens de schout. Deze was een voorvader van de Meusens die later eigenaars zijn geweest van de Meusenhof. Thomas Meusens is rond 1622 als schout opgevolgd door zijn zoon Jan. In een latere periode was Leben Hustin schout.

Ten slotte
Nadat in 1661 de heerlijkheid Cadier bij de Staatse delen van  de landen van Overmaas was komen te behoren, is deze heerlijkheid nog blijven bestaan tot 1795 toen de Zuidelijke Nederlanden werden veroverd door de Franse revolutielegers en Cadier een gemeente is geworden. Op de historie van de heerlijkheid in deze periode van 1661 tot 1795 wordt in een artikel in het volgende jaarboek ingegaan.

Geraadpleegde Literatuur
- Regionaal Historisch Centrum Limburg: Archieven Landen van Overmaas
- Ubachs P.J.H.: Handboek voor de Geschiedenis van Limburg. 2000
- Hovens Frank: Gehecht aan het verleden, gericht op de toekomst, 2011
- Canon van Limburg
- Dagboek pastoor van Heer 1660-1672: Maasgouw 1922, mei t/m december
- Goessens Martin: Zij schreven geen geschiedenis deel II, 2000
- Publications 1960-1961: Jaarboek van Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, blz. 54, 55
- Van Agt J.F: Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht, 1962
- Haesen Lei: Veel voorouders trouwden voor de predikant; Keerder Kroniek, jaargang 3, 1999-2000, nr. 3
- Haesen Lei: Van nederzettingen tot boerendorpen, Keerder Kroniek, jaargang 6, 2002-2003, nr.4
- Purnot Jo: De schepenbank en de bode, Keerder Kroniek, jaargang 3, 1999-2000, nr. 2
- Becker Wiel en Haesen Lei: Het domein Groot-Blankenberg, Keerder Kroniek, jaargang 2, 1998-1999, nr. 4
- Haesen Lei: De bouwhoeve en de pachters, Keerder Kroniek, jaargang 3, 1999-2000, nr. 4
- Parochie H. Kruisverheffing Cadier en Keer: Overlijdensregister  S. 03-06-1735….14-05-1797 ( index)
- Van Hall Hans: Een vrijheid met Luikse stadsrechten, 2011
Bijlage :
Machtswisselingen met gevolgen voor de heerlijkheid Cadier (tot 1661)
1244  Graafschap Daelhem, waartoe Cadier behoort, wordt veroverd door de hertog van Brabant.

1364  Nadat de hertog van Brabant ook het Land van Valkenburg en het Land van ‘s Hertogenrade had veroverd noemde hij de drie landen de Landen van Overmaas. Cadier behoort vanaf die tijd tot deze Landen van Overmaas.

1375 Cadier wordt samen met Eijsden door de hertog en hertogin van Brabant verpand aan Jan van Gronsfeld.

1430 Hertogdom Brabant, inclusief Landen van Overmaas met Cadier, komt in bezit van hertog Filips de Goede van Bourgondië.

1433  De hertog van Bourgondië verwerft ook Holland en Zeeland. Daardoor komt Cadier voor het eerst in een rijk waartoe ook Holland behoort.

1482  Maximiliaan van Oostenrijk uit het Habsburgse Huis wordt machthebber over de Nederlanden, waaronder de landen van Overmaas met Cadier.

1555  De Habsburgse Karel V verdeelt zijn rijk tussen zijn broer Ferdinand en zijn zoon Philips II. Deze laatste wordt koning van Spanje en van de Nederlanden.

1568 De noordelijke provinciën van de Nederlanden komen in opstand tegen Philips II. Dit is het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

1588 De Nederlanden vallen uiteen in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte. De noordelijke gewesten roepen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uit die wordt bestuurd door de Staten- Generaal (Staatsen).

1648  Tijdens de Tachtigjarige Oorlog die duurt tot 1648 komt Cadier beurtelings in Spaanse en in Staatse handen.

1648-1661 Het bezit van De Landen van Overmaas met Cadier blijft strijdpunt tussen Staten- Generaal en Spaanse koning.

1661  Heerlijkheid Cadier komt bij de Staatse delen van de Landen van Overmaas.
Gebruikers
5
Artikelen
1922
Artikelen bekeken hits
5372873

Today 9

Yesterday 42

Week 209

Month 1081

All 97446

Currently are 46 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME