Historie

Een foto: startpunt voor een zoektocht
Sergeant Paul W. Clare, een GI in Keer
door Drs. Harry H.M. Beckers en Jürgen Mingels

Het zal geen verbazing wekken als wij in ons dorp regelmatig Amerikanen ontmoeten die op zoek zijn naar een stukje van het verleden van de Tweede Wereldoorlog. Een enkele keer betreft het veteranen die hier in 1944-1945 op doortocht naar Nazi-Duitsland - veelal voor korte tijd - hebben verbleven, maar meestal betreft het zonen of dochters, soms zelfs kleinkinderen die met eigen ogen willen zien waar hun vader of grootvader korte tijd verbleef. Is de plek nog terug te vinden waar de foto’s gemaakt zijn waarop hun vader en zijn kameraden te zien zijn? Zijn de mensen waar zij contact mee maakten en waar zij werden ingekwartierd nog in leven? Zijn er nabestaanden of anderen die zich nog iets herinneren van dat verblijf? Zit er een verhaal achter die foto’s?
Eén van degenen die naspeuringen doet is de zoon van een Amerikaanse militair die in Keer - begin februari 1945 - zo’n twaalf dagen verbleven heeft: David Clare. Wij ontmoetten hem in mei 2013 en tekenden het volgende verhaal over zijn vader Paul Clare uit zijn mond op. Ook staan wij stil bij de twee andere Amerikaanse militairen die destijds met Paul Clare in dezelfde woning in Keer waren ingekwartierd.

Inleiding
David Clare (geboren 1956) uit New York (USA) is een kind van een oorlogsveteraan. Al van jongs af aan vertelde zijn vader Paul hem over hetgeen hij had meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog toen hij in West-Europa als Amerikaanse militair meetrok om Nazi-Duitsland te verslaan. Die verhalen maakten op de kleine David grote indruk. Maar pas veel later realiseerde hij zich dat in die verhalen de oorzaak lag van het soms vreemde gedrag van zijn vader. Post-traumatische stressstoornis heet dat tegenwoordig maar toentertijd moest het woord nog uitgevonden worden.

Als kind heeft David nooit begrepen waarom zijn vader zo’n hang had naar zaken als militaire discipline, orde en netheid. In die tijd kon hij de link niet leggen tussen de verhalen van zijn vader en diens leven als frontsoldaat. Vooral het sneuvelen van zijn beste kameraad J.W. Burns heeft een bijzonder grote invloed op het verdere leven van zijn vader gehad. Pas veel later heeft David het diepe lijden en de grote innerlijke pijn begrepen die uit de oorlogsverhalen van zijn vader naar voren kwamen. Het verklaarde veel: vaders drankprobleem en de echtscheiding die vervolgens onvermijdelijk was.

Geleidelijk aan begon David zijn vader te begrijpen en verdiepte hij zich in diens leven en vooral in diens verblijf tijdens de oorlogsjaren in West-Europa. Hij zocht en vond contact met GI’s die evenals zijn vader destijds ingedeeld waren in de C-compagnie van het 58e Infanterie Bataljon van de 8e pantserdivisie. Onder hen is het vooral de oorlogsveteraan Okey Taylor die David inspireert tot zijn verdere zoektocht naar zijn vaders’ oorlogsverleden. Van hem verneemt hij meer over het verblijf van de mannen in ons dorp. Hij hoort van Ray Pastewka, Irving Odgers en de familie van molenaar Ackermans en de enkele weken na hun vertrek uit Cadier en Keer nabij Linne gesneuvelden Frank Balustrucci en Chris Andronis. Hun namen kennen wij door een eerder artikel van Harry Beckers dat in de Keerder Kroniek (jaarboek 2009, blz. 64-75) is verschenen. Verderop in dit artikel zullen wij lezen dat van de GI’s die in februari 1945 in Keer verbleven in Linne ook nog J.W. Burns zal sneuvelen.

De foto
Tot de nalatenschap van David’s vader behoorde ook een foto. Een foto van zijn vader met twee andere Amerikaanse militairen waarvan één een kind op de arm droeg en in het midden een onbekende man in burgerkleding. De enige aanduiding stond op de achterzijde met potlood geschreven: februari 1945 Cadier en Keer.
2014blz52

De foto waarmee de zoektocht in Cadier en Keer startte.
Sergeant Clarence K. Lally (links), sergeant Paul W. Clare (de vader van David) met tussen hen in Sjeng va Frens.
Anne Starren is het kind in de armen van Pfc (soldaat 1e klas) Mario Salas.
Foto februari 1945

Begin zoektocht
Het is deze bovenstaande foto die David Clare enorm heeft gebiologeerd en veel vragen bij hem heeft opgeroepen. Wie is de man naast zijn vader; waar precies is de foto genomen, zijn er nog mensen die iets kunnen vertellen over het verblijf van de Amerikanen in Cadier en Keer? In de loop der jaren kwam bij hem steeds meer de drang op om met eigen ogen en oren te zien en te horen wat zijn vader op die bewuste dagen beleefd heeft.

In 2010 is David voor het eerst  op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten en bezoekt hij het graf van sergeant J.W. Burns. Met hem had de vader van David tijdens hun beider diensttijd een hechte vriendschap opgebouwd. Burns sneuvelde voor de ogen van Davids vader in Merum bij de eerste confrontatie met de Duitsers.

Wij hebben de voornaam van Burns niet kunnen achterhalen. Op zijn graf op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten staan alleen zijn twee initialen: J.W. Dat is vreemd want op bijna  alle andere graven is de eerste voornaam voluit vermeld. Ook in de officiële stukken komt alleen de aanduiding ‘J.W. Burns’ voor. Van David Clare weten wij dat zijn vader Paul hem ‘Jay’ noemde.

Van de gelegenheid maakt hij gebruik om Cadier en Keer te bezoeken en antwoord te krijgen op zijn vragen over de foto. Dat lukt hem echter niet en zijn bezoek blijft vruchteloos. Zelf heeft zijn vader nooit over Cadier en Keer gesproken maar David weet inmiddels dat diens C-compagnie hier kort ingekwartierd is geweest voordat de aanval op Duitsland werd ingezet met als doel de Siegfriedlinie te doorbreken. Dat gebeurde bij Merum in de buurt van Roermond.

Een jaar na zijn eerste bezoek is David opnieuw in Cadier en Keer. Op 2 juni 2011 maakt hij kennis met Lies Ackermans, één van de Ackermans-girls van destijds. Van haar verneemt hij uit de eerste hand hoe het in die anderhalve week van het verblijf van de militairen er aan toe was gegaan. David is opgetogen iemand gesproken te hebben die het allemaal zelf heeft meegemaakt. Hij is erg geroerd en vastbesloten het huis te vinden waar zijn vader destijds was ingekwartierd en - als het ook maar enigszins mogelijk is - de mensen te spreken die hem onderdak hebben verleend. Dat lukte echter weer niet; het betreffende huis bleef voor hem onvindbaar.

Inmiddels heeft David Clare contact opgenomen met de Stichting Adoptiegraven Amerikaanse Begraafplaats Margraten. Dankzij hun bemiddeling komt hij in contact met de adoptanten van Burns graf. Het toeval wil dat dit een familie uit Cadier en Keer blijkt te zijn. Het graf is in eerste instantie geadopteerd door de familie van Bér (de Wiette) Brouwers, vroeger wonend in de Limburgerstraat. Ook heeft deze familie enkele keren briefcontact met nabestaanden van Burns gehad maar tijdens een verhuizing is deze correspondentie helaas verloren gegaan. Na het overlijden van haar ouders berust de adoptie thans bij een dochter van de Wiette namelijk Jeannie en haar man John Duckers.

2014blz54

Jeannie Brouwers en haar moeder Lies Brouwers-Lemmens, samen met Lily (links) en Huub
bij het graf van Burns op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten (Vak F, rij 9, graf 19).
Foto: 1962

Het balletje gaat rollen
Met het vinden van de adoptanten van Burns graf kan een volgende stap worden gezet: weten zij - als inwoners van Cadier en Keer - wie er op de foto staan en waar precies deze genomen is? Bij een hernieuwd bezoek aan de begraafplaats in Margraten en Cadier en Keer in 2013 doet David een nieuwe poging. En dit maal met succes!

Limburgerstraat 124
Speurwerk van Jürgen Mingels, op wie Jeannie en John Duckers een beroep gedaan hadden om in deze zoektocht te helpen, leverde uiteindelijk resultaat op. Lei Bröcheler en Frans Mingels herkenden - onafhankelijk van elkaar - één persoon op de foto: hun dorpsgenoot Sjeng va Frens (Brouwers).
Vervolgens was de opgave om de plek terug te vinden waar de foto was gemaakt. De moeilijkheid daarbij was dat op de foto slechts een heel klein deel van het huis te zien is; (vermoedelijk) de voordeur en een klein deel van een raam. Kon er een relatie worden gelegd tussen Sjeng va Frens en de woning? Dat bleek te kunnen!

Davids foto uit de nalatenschap van zijn vader bracht aan het licht dat deze genomen is vóór de voordeur van de woning Limburgerstraat 124. De contouren van de huidige voordeur, het vensterraam en de bestrating komen nagenoeg naadloos overeen met de foto uit 1945. De toen 24-jarige Sjeng (1920-1975) was kennelijk toevallig op bezoek bij zijn oudere zus Mai die na haar huwelijk samen met haar man Frans Starren de betreffende woning bewoonde. Sjeng was van beroep houthandelaar en zou later trouwen met Liza Doijen.

De baby
De baby in de armen van de Amerikaanse soldaat is Anne Starren.  Zij was toen twee jaar en drie maanden oud. Anne was de oudste dochter van het gezin van Mai en Frans Starren dat toen in de woning op de foto woonde; het gezin verhuisde in 1950 naar Gronsveld.
Van de personen op de foto is alleen zij nog in leven. Zij woont nog steeds in Gronsveld en is haar leven lang jonkfer (ongehuwde vrouw) gebleven. Van het moment van het maken van de foto kan zij zich - uiteraard vanwege haar heel jonge leeftijd - niets meer herinneren. Wel herinnert zij zich nog dat haar vader later sprak van’t waore gooj jonges (het waren fijne kerels). De moeder van Anne was in die tijd hoogzwanger en toen zich complicaties bij de bevalling voordeden, hebben de drie Amerikanen een jeep ‘geregeld’ die de dokter heeft opgehaald om bij de bevalling te assisteren. Het resultaat was een tweede gezonde dochter (Mia) voor het gezin Starren. David heeft Anne in 2013 in haar woonplaats Gronsveld opgezocht. Beiden hebben die ontmoeting als bijzonder ervaren.

2014blz56

David Clare met Zus, de dochter van Frens Brouwers en Anne Starren op dezelfde plek vóór de woning maar dan 68 jaar later.
Foto 2013

Wat aan de inkwartiering vooraf ging
Woensdag 13 september 1944 is een historische dag voor ons dorp: Cadier en Keer wordt na een bezetting van vier en een half jaar door Nazi-Duitsland door het 117e Regiment van de 30e Infanterie Divisie (Old Hickory) bevrijd. De eerste bevrijders trekken echter spoedig verder en enkele maanden later arriveren in Zuid-Limburg nieuwe verse manschappen.
Tot die nieuwe troepen behoort ook de 8e pantserdivisie die zo’n 11.000 man telt en verder bestaat uit duizenden stukken zwaar materieel. Na de landing op 5 januari 1945 op de Franse kust gaat het richting Namen waar kort tevoren nog de Slag om de Ardennen in alle hevigheid woedde. Vervolgens naar Zuid-Limburg; in Cadier en Keer arriveert men in de nacht van 4 op 5 februari 1945.

Een deel van de C-compagnie - naar schatting een honderd tot honderdvijftig man - zal in ons dorp verblijven tot en met 17 februari 1945. Het is deze 8e pantserdivisie die evenals andere divisies de aanval op Duits grondgebied zal inzetten. De tijd in Zuid-Limburg wordt dan ook gebruikt voor een laatste training voor de grote en beslissende aanval op Duitsland. Velen van hen zullen voor de tocht naar de Nazi-hoofdstad Berlijn een hoge prijs moeten betalen: 469 doden en 2000 ernstig gewonden. Onder de doden zijn minstens vier militairen die in Cadier en Keer in die periode verbleven hebben.

De inkwartiering
Op de dag van de invasie van de Geallieerden in Normandië - 6 juni 1944 - sloot de Nederlandse regering en de Opperbevelhebber van het geallieerde leger generaal D. Eisenhower een overeenkomst inzake de vordering van gebouwen en woningen in het belang van de oorlogsvoering. De overeenkomst bracht met zich dat geallieerde militaire autoriteiten woningen konden vorderen. Hierbij hadden burgemeesters een bemiddelende rol evenals bij de betaling van vergoedingen voor het gevorderde. Verder moest de burgemeester ervoor zorgen dat op ieder moment een ambtenaar beschikbaar was om in het geval dat inkwartiering werd gevraagd, behulpzaam te zijn.

Uit archiefstukken blijkt dat begin februari 1945 in nagenoeg elke woning in ons dorp Amerikaanse manschappen waren ondergebracht. Daarnaast waren ook de meisjesschool in de Kerkstraat en de jongensschool in de huidige Pastoor Frissenstraat gevorderd. Hetzelfde gold voor het benedenlokaal van het gemeentehuis en de naastgelegen oude openbare school (thans ’t Keerhoes). Het Missiehuis was uitermate geschikt om de nodige militairen onder te brengen, hetgeen ook gebeurde. De lokalen van de drie tegenover de kerk gelegen cafés van Pie va Tossing, Sjoke Gorissen en Sjiel va Nandsje (Spronck) ontsprongen de vorderingsdans evenmin. Daarnaast konden er ook manschappen terecht in door de Amerikanen zelf opgezette tenten.

Voor de inkwartiering werd een vergoeding betaald. Deze verschilde; werd er geslapen in een bed dan was de vergoeding hoger dan in het geval er geslapen moest worden op stro. In de regel sliepen de officieren en de onderofficieren in een bed en moesten de korporaals en de soldaten het doen met een slaapplaats op stro.
Bij het beschikbaar stellen van een bed bedroeg de vergoeding per nacht f 1,25 voor een officier en f 0,65 voor een onderofficier. Voor de manschappen bedroeg de vergoeding f 0,30 voor een slaapruimte met stro en f 0,20 zonder stro. Het kwam wel voor dat er een hogere vergoeding werd betaald maar dan zal er wel iets extra’s geleverd zijn.
De declaraties om de vergoeding te ontvangen moesten worden ingediend bij de burgemeester. Daarbij moest de declarant – onder ede – verklaren dat zijn declaratie op waarheid berustte. In deze declaraties komen wij geen namen van ingekwartierde Amerikaanse militairen tegen. Interessant is dat die namen wel staan op de door de Amerikanen aan de eigenaar van de woning verstrekte inkwartieringspapieren.

De GI’s op de foto: Lally, Clare en Salas werden ingekwartierd bij de familie Starren op het huidige adres Limburgerstraat 124. Zij behoren tot de bevoorrechten: voor hun nachtrust konden zij terecht in de gooj (woon)kamer van het echtpaar Starren-Brouwers.

2014blz58

Vanaf links: J.W. Burns, Paul Clare, Clarence Lally

Sergeant Paul W. Clare
De vader van David, Paul, is geboren op 9 april 1923 in Brooklyn en samen met zijn tweelingbroer David, een oudere broer en een jongere zus groeide hij ook hier op. Brooklyn (een Engelse verbastering van het Nederlandse Breuckelen) is een stadsdeel van New York. De familie was belijdend Rooms-Katholiek en onderwijs werd dan ook op een katholieke highschool gevolgd. Paul was erg actief in diverse sporten die op school beoefend konden worden. Vooral in basketball blonk hij uit. Hier behaalde hij in 1941 zijn diploma en vervolgens ging hij aan de universiteit van New York studeren. Deze studie maakte hij niet af. Eind 1942 meldden de tweelingbroers Clare - 19 jaar oud -  zich als oorlogsvrijwilliger. Hun studie werd even geparkeerd; dat kwam later wel. Er volgde een intensieve training van zestien maanden als zweefvlieger in North Carolina bij het 188e Glider Infantry Regiment. Samen met zijn beste vriend, de (latere) stafsergeant J.W. Burns, werd hij vervolgens overgeplaatst naar San Antonio in Texas en in juli 1943 werden beiden ingedeeld bij de 8e Pantserdivisie.

Na de oorlog werkte Paul als verzekeringsagent. In 1953 trouwde hij met Margaret Elisabeth Kleyn. In de jaren die volgden werden drie kinderen (alle jongens) geboren met David als middelste.

Zijn beste kameraad J.W. Burns (1923-1945) gesneuveld
Vooral de dood van de toen 22-jarige uit Eastland (Texas) afkomstige Burns heeft later het leven van Paul Clare beheerst.
David was 10 jaar toen zijn vader hem voor de eerste keer het verhaal van het sneuvelen van diens beste vriend vertelde. Het is dit verhaal dat David’s vader ontiegelijk vaak aan zijn zoon heeft verteld en op hem een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. David heeft het als zijn ultieme doel gezien om de onheilsplek in Merum te bezoeken om daar trachten te ervaren wat het latere leven van zijn vader zo heeft bepaald.

Burns sneuvelde op 27 februari 1945 - tien dagen na het vertrek uit Cadier en Keer - bij de eerste confrontatie met de Duitsers in Merum in de buurt van Linne. Bij het naderen van een fabrieksgebouw stuitte hun C-compagnie op zwaar mitrailleurvuur. Als commandant van het mitrailleurspeloton riep Burns twee van zijn 19-jarige schutters op om dekkingsvuur te leggen maar beiden werden al snel gedood voordat zij hun posities hadden kunnen innemen.
Om dekking te zoeken rende Burns vervolgens in de richting van het reddende schuttersputje waarin onder andere Paul (de vader van David) zat. Voordat hij dat echter kon bereiken werd hij in de rug getroffen door mitrailleurvuur; Paul zag de kogels dwars door het lichaam van zijn kameraad gaan. Deze viel enkele meters voor het schuttersputje neer.

Die plek in Merum waar dit alles zich afspeelde, heeft David dankzij Ralph Peeters uit Brunssum ook teruggevonden. Ralph - met wie David inmiddels bij zijn herhaalde bezoeken aan de begraafplaats in Margraten kennis had gemaakt - was zijn steun en toeverlaat bij deze zoektocht. Tijdens ons interview memoreerde David meermaals welke onuitwisbare indruk die bijzondere plek bij hem heeft achtergelaten.

2014blz60

Sergeant Paul W. Clare (links) met twee dienstmakkers bij het graf van zijn kameraad J.W. Burns
op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten,
1945

Vliegtuigongeluk tweelingbroer
Een volgende mentale dreun kreeg de vader van David toen op 13 oktober 1955 zijn tweelingbroer - kapitein bij de Amerikaanse luchtmacht - bij een vliegtuigongeluk in California om het leven kwam. De B-47 waarin hij als co-piloot vloog, stortte tijdens de start neer. Als eerbetoon aan zijn verongelukte tweelingbroer David heeft Paul zijn tweede zoon naar hem vernoemd.

Posttraumatische stressstoornis
Begin 1960 manifesteerden zich de eerste gedragsproblemen bij de vader van David. Hij had nachtmerries, begon met drinken, had angstaanvallen en kon om het geringste heel boos worden. De familie had niet direct in de gaten dat hier sprake was van een posttraumatische stressstoornis.

Paul Clare overleed - 69 jaar oud - in zijn huis in New York, omringd door zijn familieleden op 9 augustus 1992. Hier is hij ook begraven op het veteranenkerkhof.

Pfc Mario Salas
Soldaat 1e klas Salas (van Mexicaanse afkomst) is de Amerikaanse soldaat die op de foto (helemaal rechts) de kleine Anne op de arm draagt. Samen met zijn vrouw Lydia woonde het gezin in El Paso, gelegen in de meest westelijke punt van de Amerikaanse staat Texas en grenzend aan Mexico. Het gezin telde twee jonge kinderen: zoon Mario junior (geboren in 1943) en dochter Teresa. In zijn woonplaats is hij ook met militaire eer begraven. Hij is gesneuveld op 4 april 1945 in de buurt van Recklinghausen (in het noordelijk Ruhrgebied). Drie weken later was de oorlog voorbij; hij was 23 jaar. Dat hij degene is die de kleine Anne in zijn armen heeft is wellicht te verklaren uit het feit dat hij de enige op de foto is die jonge kinderen had. Het stoffelijk overschot van Mario Salas is later overgebracht naar de USA; hij ligt begraven op het National Cemetery van Fort Bliss, een klein dorp vlakbij zijn geboorteplaats.

Sergeant Clarence K Lally
Lally is geboren op 24 maart 1925 in Superior, een klein dorp in de Amerikaanse staat Wisconsin, grenzend aan Canada. Hier groeit hij op en 19 jaar oud meldt hij zich als vrijwilliger. Hij wordt onderscheiden met de Bronze Star als hij in Merum een mitrailleursnest het zwijgen oplegt.

2014blz62

Clarence Lally (l) en Paul Clare

Liggend in een schuttersput en zwaar onder vuur genomen, doorboordt een kogel de helm van een van zijn kameraden zonder hem overigens te doden. Wel bloedt zijn kameraad hevig. In de schuttersput ligt ook - een speling van het lot? - Paul Clare (de vader van David) die samen met hem ingekwartierd was in Cadier en Keer. Diens soldatenlaarzen bevinden zich enkele centimeters van Lally’s hoofd als plotseling de zool van een van Clare’s laarzen door een kogel wordt weggeschoten. Wonder boven wonder blijft Lally ongedeerd. Kort daarop sneuvelt, zoals eerder vermeld, stafsergeant Burns. Lally is volledig versuft. Enige seconden ligt hij hier: als bevroren. Dan besluit hij - wil hij overleven - dat hij risico moet nemen. Hij springt op en schakelt al schietend het mitrailleursnest uit.
 
De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog overleeft hij. In een brief aan een vriend met als datum 16 maart 2000 beschrijft hij - vijfenvijftig jaar later - zijn thuiskomst in 1945 in zijn ouderlijk huis. Toen hij zijn plunjezak helemaal had geleegd, vroeg één van zijn jongere broers hem:  ‘waar zijn nu je souvenirs?’ Zijn antwoord: ‘ik ben het enige souvenir!’ Zijn vader was het hier hartgrondig mee eens, getuige diens reactie: that is for sure (dat is het zeker!).

Lally start na zijn thuiskomst een praktijk als chiropractor in Chesterfield en huwt met Dorothy Grierson; het echtpaar krijgt vier kinderen: twee jongens en twee meisjes (waaronder Paula, onze informant). In 1958 verkast het gezin naar Yakima;  bijna 4000 km verderop.

Niet alleen Paul Clare heeft zijn hele verdere leven de gevolgen ondervonden van de opgelopen mentale verwondingen van de oorlog. Ook sergeant Lally heeft heel lang psychische problemen ondervonden. In de late jaren van 1960 openbaarden zich de gevolgen van de oorlog. Weliswaar niet in die ernstige mate zoals bij sommige andere soldaten maar toch zodanig dat de familie het opmerkte. Zo mochten zijn kinderen hem niet onverhoeds naderen en ook niet te kort bij zijn bed staan om hem ’s morgens wakker te maken. Het risico was dat hij dan uit zijn bed zou springen, klaar om te vechten alvorens zich te realiseren waar hij werkelijk was. Heel wat jaren durfde hij niet met zijn rug naar een raam te gaan zitten, bang als hij was voor sluipschutters. Van een trottoir afstappen deed hij ook niet; er konden wel eens landmijnen liggen! Steeds was hij alert op elk verdacht geluid. Alleen ’s nachts ging hij een ommetje maken omdat het donker hem een zekere bescherming bood.

Eind zestiger jaren - bijna vijfentwintig jaar na de oorlog – realiseerde hij zich na een kerkdienst in de Baptisten Gemeente dat hij ‘nog nooit getreurd had’ om het verlies van kameraden. Zijn credo was: ‘In de strijd is er geen tijd voor treurnis; het gaat allemaal om het overleven. Je moet je concentreren op de strijd en je moet weten dat er later wel een tijd komt om te treuren’.

Zijn dochter Paula verhaalt over de reizen van haar ouders over de hele wereld, daarbij hun christelijk geloof uitdragend. Eens, op een reis in Duitsland, hield haar vader in een kerk voor een paar honderd gelovigen een rede. Na afloop kwam een toehoorder naar hem toe met de mededeling; ‘ik was toen lid van de Gestapo; wil je mij vergeven?’ Vervolgens omhelsden beiden elkaar: in tranen.

Het is in zijn woonplaats Yakima dat Clarence Lally in 2006 overlijdt, 81 jaar oud, op 16 juni. Het is dezelfde dag als waarop hij zich tweeënzestig jaar geleden als vrijwilliger voor het leger meldde.

Ten slotte
David Clare is inmiddels een vaste bezoeker tijdens Memorial Day op de Amerikaanse militaire begraafplaats in Margraten. Hij was er drie jaar achter elkaar: 2011, 2012 en 2013. In 2015 bij de zeventigjarige herdenking van de bevrijding van Nederland zal hij er weer bij zijn. Het valt steeds opnieuw op hoe diep de nabestaanden van Amerikaanse militairen onder de indruk zijn van de waardering die zij in onze regio ontvangen voor de Amerikaanse bevrijders van destijds. Voor David is dat niet anders. In juni 2011 kon de toen nog in leven zijnde Lies Ackermans hem verhalen over haar herinneringen aan het verblijf van de Amerikaanse jongens in februari 1945. Ook de inmiddels 97-jarige Lène Kessels-Gilissen wist hem kleurrijk te schetsen hoe ‘de jonges’ (de jongens) hun korte tijd in ons dorp hebben doorgebracht. David heeft van die verhalen genoten; het was voor hem een herkenning van hetgeen hij al van de dienstmakkers van zijn vader had gehoord. Woorden als gastvrijheid, kameraadschap, huiselijkheid, zorgzaamheid: zij zorgden voor de bevestiging van de gevoelens die - ook na bijna 70 jaar - bij de GI’s van toen nog steeds levend zijn.

Dankwoord David
Na afloop van ons interview nam David pen en papier en schreef hij - spontaan - voor ons een reactie. Die willen wij u niet onthouden.

Thank you for remembering our soldiers.
Thank you for taking in a kid (22 years old) from Brooklyn, who must have been scared and sharing your homes with him and his buddies. God bless and thank you.

David Clare

Vrij vertaald
Dank u voor het herinneren van onze soldaten.
Dank u voor het in huis nemen van een kind (22 jaar oud) uit Brooklyn (die bang moet zijn geweest) en voor het delen van uw huis met hem en zijn kameraden.
God zegene u en ´bedankt´.

David Clare

2014blz65

Interview met David Clare (links), Harry Beckers (midden) en Jurgen Mingels op 31 mei 2013

Bronnen:
RHCL, gemeente Cadier en Keer 1944-1981, inventaris 30.0.10, nr's. 0751. 871 - 0751. 872 - 0751. 873

De schrijvers danken mevrouw Lène Kessels-Gilissen voor door haar verstrekte informatie
Gebruikers
5
Artikelen
1973
Artikelen bekeken hits
6274177

Today 4

Yesterday 36

Week 268

Month 1389

All 109195

Currently are 110 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME