Historie

‘Ik kreeg het wel eens ooit, wat een student druk noemt’
Wim van Uden, student op het Missiehuis
door drs. Harry H.M. Beckers

Inleiding
Met enige regelmaat ontvangt de secretaris van onze Historische Kring verzoeken van derden om informatie. Die verzoeken komen niet alleen uit Nederland maar ook uit het buitenland zoals België en Frankrijk. Zij hebben voor een groot deel betrekking op stamboomonderzoek van familieleden die hier – soms in een ver verleden – voor een kortere of langere periode woonachtig zijn geweest. In de meeste gevallen beschikken wij over de gevraagde gegevens en kunnen wij hen verder helpen.
In een enkel geval lukt dat niet zoals bij het verzoek om informatie over een voormalige student aan het seminarie van het Missiehuis (Backerbösch). Een van zijn neven vroeg of wij hem aan aanvullende informatie konden helpen over zijn oom, die aan het seminarie voor priester had gestudeerd. Die informatie kon niet worden verschaft. De reden was dat nagenoeg het gehele archief van het Missiehuis tijdens de grote brand van 1954 waarbij het gehele gebouw in de as werd gelegd, verloren is gegaan.
Toch leverde het verzoek iets op: die oom (Wim van Uden) had een dagboek bijgehouden en een deel van dit dagboek heeft betrekking op zijn verblijf op het Missiehuis. Over dit onderdeel gaat dit artikel dat ook voor onze lezers interessant kan zijn.

Het dagboek
Het handgeschreven dagboek bestrijkt de periode tussen 1940 tot en met mei 1946. Het is de periode dat Wim van Uden zijn priesterstudie aan het klein Seminarie in Sint-Michielsgestel (Noord-Brabant) behorend tot de Sociëteit van Afrikaanse Missiën (SMA-orde), aanvangt tot het moment dat hij zijn militaire dienstplicht gaat vervullen. Wims’ verblijf in het Missiehuis heeft niet lang geduurd: nog geen heel jaar. Van begin september 1943 tot eind juli 1944. In het bevolkingsregister van Oss werd hij overigens pas ‘officieel’ ingeschreven in juni 1945.
Toch krijgen wij een aardig beeld van de vrije tijdsinvulling van de priesterstudenten. Dit is voor ons ook het meest interessant. Wat overigens opvalt is dat er nergens in het dagboek inhoudelijk wordt ingegaan op het onderwijs zelf. Zo vernemen wij niets over het vakkenpakket, de leraren die de lessen verzorgen, de lestijden, de inrichting van de leslokalen, studievorderingen, of er individuele begeleiding plaatsvond etc. Ook geen enkel woord over collega-studenten; zelfs niet met wie hij optrok.

De priesterstudent Wim van Uden
Wim van Uden was het vierde kind in het ‘gewone’ burgergezin van vader Janus en Anna Boerakker; hij werd geboren op 19 december 1925 in Oss (Noord-Brabant) waar hij ook opgroeide. Vader Janus deed veel huisslachtingen; daarnaast verkocht hij vlees vanuit zijn boerderijtje waar een provisorisch winkeltje was ingericht. Moeder Anna was huisvrouw en verdiende wat bij als naaister.

2018blz7

Het gezin van Uden-Boerakker, rechts Wim.

Na de lagere school kreeg hij als 14-jarige een baan bij een weverij (Weverij NV Desseaux). Dat was niet wat hij wilde. In zijn dagboek schrijft hij: Ik voelde me gelukkig maar ik voelde ook dat God me tot een groter ideaal geroepen had en ik volgde zijn roepstem. Al snel nam hij ontslag om zijn priesterroeping te volgen. September 1940 startte hij de opleiding aan het Klein Seminarie in Sint-Michielsgestel (Noord-Brabant). Het waarom van zijn keuze om te studeren voor missionaris bij SMA komen wij niet te weten. Het dagboek zwijgt daarover.
Na drie jaar aan het Klein Seminarie verkaste Wim in september 1943 naar het Missiehuis (Backerbösch). Hier zou hij bijna een jaar blijven, namelijk tot 29 juli 1944.

Op naar het Missiehuis
Samen met zijn vader reisde Wim in september 1943 naar het voor hem onbekende Cadier en Keer; hier wachtte het vervolg van zijn priesterstudie.

2018blz8Het vertrek naar Cadier en Keer was extra moeilijk omdat zich drie weken daarvoor in Wims’ familie een dramatische gebeurtenis had voorgedaan. Zijn oudere broer Piet was bij het zwemmen in de Maas verdronken: 19 jaar oud. Een gebeurtenis die hem begrijpelijkerwijze sterk heeft aangegrepen. Dat blijkt uit verschillende aantekeningen in zijn dagboek. Vooral het feit dat zijn broer begraven was drukte zwaar op hem. Verheugd was hij dan ook toen zijn broer werd overgebracht naar een ander graf nabij de hoofdingang van het kerkhof. Piet was bijzonder actief in RK-jeugdverenigingen; zo was hij jeugd- en gildeleider bij de Jonge Wacht en hopman bij de verkennerij. Wellicht dat dit reden was waarom hij meende dat zijn broer een meer prominente laatste rustplaats op het kerkhof verdiende.De kennismaking met het Missiehuis beviel hem overigens uitstekend. Vooral het schitterende uitzicht op de stad Maastricht kon hem erg bekoren. Maar dat niet alleen: ook het natuurschoon en de omgeving wordt door hem lyrisch () beschreven.In zijn dagboek kunnen wij lezen dat de eerste zondag van het schooljaar startte met de Aanbidding. Hierbij wordt het Allerheiligste in de monstrans (houder waarin de geconsacreerde hostie wordt getoond) op het altaar uitgestald waarbij er wordt gezongen en gebeden. ‘s Middags werden de spieren los gemaakt in een onderlinge voetbalwedstrijd tussen de studenten. Het was heel erg warm die dag en de geplande wandeling ‘s middags ging dan ook niet door. Maar al spoedig eiste de studie zijn volledige aandacht op.

Van missionaris naar wereldgeestelijke
Januari 1944 wijzigde Wim, inmiddels 19 jaar oud, zijn oorspronkelijk plan om als missionaris te gaan werken. Hij had een nieuwe drang en dat was wereldgeestelijke worden. Naar de reden van die switch kunnen wij slechts gissen. Wel valt in zijn dagboek te lezen dat de weken dat hij - tijdens zijn Kerstvacantie- de door een longontsteking getroffen koster in zijn vroegere woonplaats Oss had vervangen ‘reuzefijn’ had gevonden. Zou dit van belang zijn geweest?

Zoals een goede zoon betaamt, vraagt hij zijn ouders bij zijn gewijzigde voorkeur om raad. Met enige opluchting noteert Wim in zijn dagboek dat zij met zijn nieuwe keuze: zonder lang nadenken, van harte mee konden instemmen.

Diverse baantjes

Hulpkoster in de kapel
Kennelijk hadden de paters al snel in de gaten dat Wim wist wat handen uit de mouwen steken inhield. Zo werd hem ook de zorg voor de kapel mede toevertrouwd. Al met al raakte zijn vrije tijd aardig gevuld. In zijn dagboek schrijft Wim: ik kreeg het wel eens ooit, wat een student ‘druk’ noemt.

‘Opdiener’
Tussen al die klusjes door werd hij ook tot ‘opdiener’ benoemd. Dat betekende dat hij ingeschakeld werd bij het uitserveren van het eten. In tegenstelling tot de andere twee baantjes beviel deze hem het minst. Zijn dagboek vertrouwt hij toe: het was een heel aardig baantje maar niets voor mij.

Lid Luchtbeschermingsdienst
In februari 1944 werd hij gekozen tot lid van de luchtbeschermingsdienst. Deze had vooral tot taak de zelfbescherming van de bevolking/bewoners door het geven van trainingen en voorlichting. Dat betekende niet alleen theorie bestuderen maar ook het doen van oefeningen in de praktijk. De taak van de luchtbeschermingsdienst werd steeds gevaarlijker door de toenemende bombardementsvluchten van de Geallieerden. In zijn dagboek komen wij overigens geen vermeldingen tegen dat hij in actie is moeten komen. Gezien het regelmatig voorkomende luchtalarm moeten wij aannemen dat dit wel het geval is geweest.

Tuinman
Wim heeft diverse ‘baantjes’ in het Missiehuis vervuld. Zo werd hij - om voor hem onbekende redenen - door pater-overste tot ‘tuinman’ benoemd. Als assistent van de primair verantwoordelijke pater Schoonen kon hij direct aan de slag. Dit werk beviel hem uitstekend; hij vond het heerlijk om te werken te midden van de bloemperken maar zijn voorkeur had toch het werken tussen de vele appel- en perenbomen. Ietwat ondeugend schrijft Wim in zijn dagboek: daar kwamen wij natuurlijk nooit aan, dat begrijpt u wel.
Het werken in het groen gebeurde op klompen. Nooit eerder had hij deze aan zijn voeten gehad. Na een klein dagje op zijn nieuwe klompen kon hij nauwelijks meer lopen. Boven op de Calvarieberg (een onderdeel van de zeer bekende Kruisweg van het Missiehuis) kon hij geen stap meer zetten. Een klasgenoot was zo vriendelijk om hem zijn schoenen te bezorgen. Pas na het verwisselen van de klompen kon hij zijn kamer bereiken. Maar daarmee was de miserie nog niet voorbij. ‘s Nachts kwam het ergste; toen wreekte zich het feit dat hij aan de appels had gezeten. Ik was de dood nabij. Zo ziek!
Toch was het feit dat hij kennelijk nooit eerder op klompen had gelopen opmerkelijk. Zowel zijn vader als zijn broers droegen altijd klompen.

2018blz11

De Calvarieberg staat tegenwoordig bij de ingang van het kloosterkerkhof.

RetraitesVan de opleiding maakten ook retraites deel uit. Die werden regelmatig gehouden: minimaal één keer per jaar en namen een volle week in beslag. Intensief hielden de studenten zich die week bezig met spiritueel zelfonderzoek en geestelijke oefening. Ook werd er intensief gemediteerd. De paters verzorgden die retraites niet zelf; daarvoor werden priesters buiten de organisatie van het Missiehuis ingeschakeld. Die keer dat Wim aan een dergelijke retraite deelnam was de leiding in handen van een pater Franciscaan.Hoe die retraites door de studenten werden beleefd en ervaren vertrouwt Wim niet aan zijn dagboek toe.

2018blz12

De kapel

Spreken in het openbaarVan missionarissen in spé mag worden verwacht dat zij niet alleen de kunst van het preken beheersen maar ook de kunst van het spreken en overtuigen.Daarom werd er ook geoefend op het in het openbaar spreken waarbij een groot beroep werd gedaan op het vermogen om te improviseren. Wims’talent op dat terrein moest hij etaleren toen hem werd gevraagd om iets te vertellen over zijn geboortestad Oss. Dat moet een geslaagde oefening zijn geweest. Zelf spreekt Wim in zijn dagboek van: . Niet zonder trots noteert hij vervolgens de uitspraak van pater Reckmann:

2018blz13

De bibliotheek. Veel boeken gingen tijdens de grote brand in 1954 verloren.

Declamatie-zondag
Niet helemaal duidelijk is of het declameren tot de studie moet worden gerekend of tot de ontspanning: het draagt de elementen van beide. Declameren is geen eenvoudige opgave. Het gaat om het met gevoel voorlezen en vaak uit het hoofd opzeggen van gedichten. Daarbij is het bijzonder van belang om door bepaalde intonaties de bedoeling van het gedicht weer te geven. Geen eenvoudige klus!

Het declameren gebeurde door de studenten zelf die daarmee hun declamatiekunsten op het toneel konden vertonen. Zondag 13 februari 1944 beleefde Wim zijn première. Hij koos daarvoor een stuk van de Vlaamse priester-dichter Guido Gezelle Over zijn gemoedstoestand – met bibberende knieën of niet – schrijft hij niets en ook over hoe hij het ervan af heeft gebracht, hult hij zich in stilzwijgen.Wel komen wij te weten dat soms een enkele keer ‘professionals’ van buiten worden ingehuurd. Zo valt in zijn dagboek te lezen dat er humoristen uit Scharn zijn opgetreden. Het moet Wim en zijn companen wel bevallen zijn, getuige de notitie in het dagboek: Maar er is méér: als herinnering aan hen hielden de studenten het ‘haken jongens’ over. Wat dat precies inhield, kunnen wij afleiden uit het voorbeeld dat Wim geeft:

Zingen
Een blij mens is opgewekt en staat vrij en blij in het leven. Die vrijheid en blijheid kan worden geuit in zingen. Vandaar dat er door de missionarissen in spé regelmatig werd gezongen hetgeen uiteraard later tijdens de H. Mis van pas zou komen.
Zingen was evenwel niet Wim’s favoriete bezigheid maar hij kon er niet aan ontkomen; zeker niet op de feestdag van Sint Cecilia (22 november). Cecilia is de patrones van de muziek en van de zangers (maar niet van mij; schrijft Wim) en haar feestdag betekende een middagje zingen met zijn allen. Welk repertoire er gezongen werd, beschrijft Wim niet maar het ligt voor de hand om te veronderstellen dat het grotendeels ‘kerkelijke’ liederen waren. Enthousiast was hij geenszins. Of het kwam omdat hij weinig met zingen ophad of dat het zingen zelf benedenmaats was weten wij niet maar wij lezen wel: deze dag was een volkomen mislukking.

Werkdagen
Op sommige dagen dat de studenten ‘vrij’ waren en er geen lessen hoefden te worden gevolgd en er ook geen sport en spel op het programma stonden, moesten alle studenten van de drie hoogste klassen klussen verrichten. Sommigen moesten de bladeren op de cour (speelplaats) verwijderen, anderen appels plukken. Voor die laatste ‘activiteit’ was er om begrijpelijke redenen de meeste belangstelling. Het voordeel van dergelijke werkdagen was kennelijk niet alleen dat er kosten door de paters werden bespaard maar daarnaast ook dat de jonge studenten een deel van hun energie hierin kwijt konden.

2018blz15

Gezondheid
Het hoeft geen verwondering te wekken dat een grote concentratie van mensen in één en hetzelfde gebouw bij ziekten het risico van een besmetting met zich brengt. In oktober 1943 bleken op een morgen een paar jongens ziek en al snel volgden er meer. Het virus was van dien aard dat alle studenten naar huis moesten; de Limburgers het eerst, de dag erna gevolgd door alle andere studenten. Na drie weken was het besmettingsgevaar geweken en kon iedereen weer terug om zijn studie voort te zetten.

Oorlogsperikelen
Uiteraard kreeg het Missiehuis en zijn bewoners te maken met uitvloeisels van de oorlog. Vooral het regelmatig janken van de sirenes als teken dat er vliegtuigen in aantocht waren, ontregelde niet alleen het lesrooster maar verstoorde ook de nachtrust.
Zo was er op 1 december 1943 tegen 11 uur ‘s morgens luchtalarm; dat duurde langer dan een uur tot 12.10 uur. Kort nadat de les opnieuw was begonnen moest iedereen weer de schuilkelder opzoeken: opnieuw luchtalarm.

In de nacht van 24 op 25 mei 1944 werd om 0.45 uur luchtalarm gegeven; dat duurde tot ongeveer 2 uur. Men lag nauwelijks in bed toen de sirenes opnieuw begonnen te janken; luchtalarm van 2.15 uur tot 3 uur. ‘s Morgens tijdens de H. Mis weer luchtalarm en ook het ontbijt en de eerste les moesten onderbroken worden. Later bleek dat er een twintigtal bommen op Maastricht waren gevallen en een vliegtuig vlakbij het Missiehuis was neergestort. Nieuwsgierige studenten (waaronder Wim) gingen een kijkje nemen maar konden al snel vaststellen dat van het vliegtuig nagenoeg niets was overgebleven.

In de periode dat Wim in het Missiehuis verbleef (september 1943 - juli 1944) werd het beschutting zoeken in de schuilkelder dus een regelmatig terugkerend gebeuren. Het hoorde min of meer tot de orde van de dag. Niemand keek er op den duur nog van op; het werd een routinegebeuren. Zo’n verblijf nam soms de nodige uren in beslag alvorens het sein ‘kust veilig’ kon worden gegeven. Een enkele keer moesten drie aaneengesloten nachten in de schuilkelder worden doorgebracht. Hoe de tijd met elkaar in die vochtige en op den duur bedompte ruimte werd ingevuld blijft in het ongewisse. Wim schrijft er niets over.

De Nazi’s voor de deur
Op 8 februari 1944 moest een deel van het Missiehuis op bevel van de Duitsers ontruimd worden. Alhoewel gevreesd werd dat men ‘inwoning’ zou krijgen, gebeurde dat niet en bleven de ruimten zelfs ongebruikt. Lang bleven de Duitsers echter niet weg. Zaterdag en zondag (1 en 2 april 1944) stonden ze weer voor de deur. Alle studenten moesten vertrekken. Op zich was dat niet zo’n probleem want ze zouden toch al naar huis gaan i.v.m. de Paasvakantie.

Wim signaleert in zijn dagboek dat de Duitsers met de dag zenuwachtiger werden. Zondag 14 mei meldden ze zich voor de zoveelste keer. Men kreeg de mededeling dat in het geval de Duitsers het Missiehuis nodig hadden, iedereen zes uur de tijd kreeg om het gebouw te ontruimen. De garage werd al gevorderd als opslagruimte voor benzine voor hun rijdend materieel.

De landing van de Geallieerden op de kusten van Normandië op 6 juni 1944 (D-day), gevolgd door hun opmars door Frankrijk en België, zou ook gevolgen hebben voor het Missiehuis. Dat de landing die dag had plaatsgevonden was overigens al snel bij de studenten bekend. Wim verwoordt het zo: een geweldige sensatie bracht dat natuurlijk teweeg.

2018blz17

De speelplaats, door de paters de cour genoemd.

Donderdag 6 juli 1944 (een maand na de landing van de Geallieerden) werd het de Duitsers menens; het was hun 21e bezoek aan het Missiehuis. Nu was het echt welletjes: het gebouw moest met spoed worden ontruimd want er moesten 400 arbeiders gehuisvest worden. Waarvoor deze zouden worden ingezet, vermeldt Wim niet. Het hele gebouw werd de dag erna opgemeten en er werd een plattegrond gemaakt. De 25e juli moest iedereen uit het hele gebouw geëvacueerd zijn. Dat betekende koffers pakken, kamer leegruimen en terug naar huis.

De ontspanning; sport en spel
Een gezonde geest hoort in een gezond lichaam. Dat brengt met zich dat naast een inspannende studie er tijd en gelegenheid dient te zijn voor ontspanning. In het seminarie op het Missiehuis werd dit dan ook op verschillende wijzen in praktijk gebracht.

Wandelingen
Regelmatig trokken de paters met de studenten er op uit. De omgeving werd dan verkend en dat ging gepaard met meestal een stevige wandeling. In één geval beleefde Wim bij zo’n wandeling een verschrikkelijk avontuur. Onder begeleiding van pater Ruikes had een twintigtal jongens een wandeling naar de Bemelergrotten gemaakt. Eenmaal bij de grotten aangekomen lokte het avontuur: een grottenwandeling! De eerste pogingen waren tot mislukken gedoemd: de gangen liepen dood. De volgende gang evenwel niet. Iedereen naar binnen en lopen maar: draaien naar links, draaien naar rechts, soms een bocht. De meegenomen lampen kwamen geweldig van pas want het was er stikkedonker. Na enige tijd ronddwalen in de grot kwam er toch iemand op de vraag: wie weet de uitweg? Het antwoord leverde een oorverdovende stilte op: niemand! Er zat niets anders op dan verder te lopen; steeds verder. Wim schrijft: een geloei als leeuwen deed ons bij elkaar houden in het donker. En dan kwam het besef: we zijn verdwaald! Nog maar weer alle moed bij elkaar geschraapt en verder met de zoektocht naar de uitgang. De vurige schietgebedjes leverden nog niet het gewenste resultaat op en velen hadden zich al in het onvermijdelijke lot geschikt.
Maar als het einde nadert, is de redding meestal nabij. Zo ook hier: iemand zag plotseling een straaltje zonlicht. Iedereen opgelucht: het begin van de reddende uitgang!
Toch was deze gebeurtenis geen reden om de mergelgrotten in het vervolg te mijden. Integendeel: het avontuur en de uitdaging lokten steeds weer! Soms werd er een vuurtje gestookt en behalve de zo nu en dan verstikkende walm kon het vuurtje prima worden gebruikt om de meegebrachte appels te poffen.

Niet ongewoon was om tijdens een wandeling een cafeetje op te zoeken; priesterstudenten zijn uiteindelijk ook maar mensen! Zo werd ook bij een wandeling gepauzeerd in Eckelrade. Wim schrijft: ‘daar hebben wij een heerlijke middag doorgebracht. Verschillende potjes bier werden achterovergeslagen. Ook muziek ontbrak er niet’.

Ook Rijckholt werd tijdens Eerste Pinksterdag met een wandeling aangedaan. Het was toen snikheet en het spreekt vanzelf dat er naarstig naar verkoeling werd gezocht. Die werd gevonden: in een café. De meest dorstigen deden zich tegoed aan bier en de anderen hielden het bij limonade. Maar de pret bereikte zijn top toen een boerderij werd bezocht. Wij lezen in Wims’dagboek: Nou hier was het feest, hoor! We hebben Limburgse vla gegeten, hoor! ‘s Avonds keerden wij terug maar nu ging het langs de grote wegen en van café tot café en gelukkig stonden er heel wat!

2018blz19

Regelmatig waren bij de Lourdesgrot religieuze activiteiten

Voetbal
Voetbal was met afstand de door de studenten meest beoefende sport. Niet alleen enthousiast maar ook fanatiek werd er achter de bal aangehold en onderlinge duels werden vaak op het scherpst van de snede uitgevochten. Wim was in eerste aanleg niet zo’n fan van het voetbal; het interesseerde hem nauwelijks. Dat zou echter veranderen.
Na korte tijd was hij ook door het spel geraakt en toonde hij zich een groot liefhebber. Enthousiast speelde hij het spelletje mee. Zijn team droeg de naam Ares en men speelde in een groen/blauw tenue. Die naam was niet willekeurig gekozen: daar zat een gedachte achter. Ares is de noodlottige aanstichter van de bloedige strijd, een moordzuchtig krijger, gek op wapengekletter en het aanrichten van een bloedbad. De tegenstander tooide zich met een aanzienlijk vredelievender naam: Minerva. Zij is een godin in Rome en stelt de goddelijke macht, de vindingrijkheid van de menselijke geest en van de wijsheid voor. De clubkleuren waren het geel/blauw.

Toneel en film
Toneeluitvoeringen behoorden ook tot het repertoire van de ontspanning. Voor de spelers was het meer inspanning. In de relatief korte periode dat Wim op het Missiehuis verbleef, vermeldt hij één toneeluitvoering met naam: De klucht van den Gehangene met den Koorde’ (over de menselijke hebzucht waarbij de onschuldige wacht op rechtvaardigheid). De voorstelling krijgt van hem de kwalificatie: prachtig.
Het vertonen van films was min of meer vaste prik voor de zondagavond. Filmprenten als Het Tropenoffer, de zeven wonderen van Zuid-Afrika. Deze film (een registratie van het missionariswerk) is tegenwoordig nog op internet te bekijken: https://www.youtube.com/watch?v=rm5l_ZmkrnA. Hetzelfde geldt voor de film Rintintin (over een Duitse herder die allerlei heldhaftige daden verricht). https://www.youtube.com/watch?v=hp4dlzfEN4I

Afbreken priesterstudie
Na de door de Duitsers bevolen evacuatie van het Missiehuis in juli 1944 is Wim nog één keer in het Missiehuis teruggeweest. Dat was bijna een jaar later: 16 april 1945.
Maar hier bemerkte hij al spoedig dat de studie nog steeds niet kon worden hervat. Na 10 dagen ging hij weer terug naar zijn ouderlijk huis in Oss. Zijn studie en het Missiehuis heeft hij toen definitief achter zich gelaten. In het Missiehuis is hij niet meer teruggeweest.

Wim is noch missionaris noch wereldgeestelijke geworden. De reden hiervoor vermeldt hij niet en ook in zijn familie is die reden vaag gebleven. Hier deed het verhaal de ronde dat de diefstal van een vulpen die hij gekregen had als aandenken aan het overlijden van zijn broer Piet die aanleiding zou zijn geweest. Maar ligt het niet meer voor de hand te veronderstellen dat de bevrijding waarmee Nederland in 1945 te maken kreeg ook bij hem een verlangen teweegbracht naar vrijheid en ongebondenheid? Wilde hij weg van het keurslijf dat een studie in een seminarie nu eenmaal met zich brengt? Was het de drang naar het onbekende en het avontuur dat hem - als jongeman van 19 jaar - lokte en heeft hij daarom zijn vertrouwde omgeving vaarwelgezegd en zijn roeping opgegeven?
Wij weten het niet; zijn dagboek zwijgt hierover. Feit is dat hij als tolk voor de Geallieerden gewerkt heeft tot mei 1945, het moment van de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog. Met de geallieerde legers heeft hij de opmars tot diep in Duitsland meegemaakt totdat de Nazi’s definitief verslagen waren.

In 1946 werd hij opgeroepen voor de vervulling van zijn militaire dienstplicht en vervolgens werd hij uitgezonden naar het toenmalige Nederlands-Indië. Het Nederlandse leger voerde daar ‘politionele acties’ uit die gericht waren op het herstel van het Nederlandse gezag aldaar. Hij werd ingedeeld bij de ‘7 December-divisie’ (onderdeel Tandheelkundige Troepen). Hier was hij administrateur waardoor hij waarschijnlijk niet daadwerkelijk aan politionele acties heeft deelgenomen.

Motorongeluk
Enkele weken voordat hij zou inschepen voor de thuisreis naar Nederland is hij in augustus 1949 in Bandoeng om het leven gekomen bij een motorongeluk. Op zijn militaire motor kwam hij op een kruising in botsing met een militaire truck: hij was op slag dood. Die botsing was zo hevig dat ook twee van de drie inzittenden van de truck zwaar gewond raakten doordat deze tegen een boom tot stilstand kwam.

Ten slotte
Op zichzelf is het al verwonderlijk dat een jonge kerel na zijn lagere school een dagboek bijhoudt over zijn studietijd en dat langere tijd volhoudt. Het zijn – goedbeschouwd – slechts fragmenten uit het leven van hetgeen een priesterstudent tijdens zijn opleiding ervaart. Die fragmenten handelen grotendeels over randgebeurtenissen; diepgaande beschouwingen over de inhoudelijkheid van zijn studie en de relatie met zijn roeping komen wij niet tegen. Maar mag men dat van zo’n jeudig persoon verwachten? Zijn de dingen buiten zijn studie niet méér de moeite van het opschrijven waard? En is het niet dat randgebeuren dat voor ons het meest interessant is? Wat blijft is een inkijkje – over een relatief korte periode van één jaar – van een ‘gewone’ jonge priesterstudent aan ‘ons’ Missiehuis over ‘gewone’ dingen op het eind van de Tweede Wereldoorlog. Toch belangrijk genoeg om vast te leggen.

2018blz22

Bron:
- Dagboek van Wim van Uden, ongedateerd

De schrijver dankt Ad van Uden uit Ravenstein voor het beschikbaar stellen van relevante delen uit het dagboek van zijn oom.

De ansichtkaarten in dit artikel zijn uit de verzameling van de auteur.

Gebruikers
5
Artikelen
2061
Artikelen bekeken hits
7927851

Today 3

Yesterday 31

Week 67

Month 637

All 142108

Currently are 32 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME