De Soeurs de la Miséricorde (Zusters van Barmhartigheid) [zie voor meer informatie ook het artikel Soeurs de la Miséricorde] arriveerden op 10 februari 1903 vanuit Frankrijk in Cadier en Keer nadat zij waren gevlucht vanwege de Franse anticlericale wetgeving. Zij trokken in het toen leegstaand Ursulinenklooster. De eerste jaren waren hard en zwaar. Nederland was zo verschillend van Frankrijk. De taal was een groot probleem, vooral waar het de behartiging van zakelijke belangen betrof. Ze hadden een schooltje voor lager onderwijs opgezet, maar de opbrengst (schoolgeld) woog niet op tegen de kosten. Aangezien veel ouders vroegen om particuliere lessen in handwerken en Frans voor hun dochters, dachten de zusters er over een opleiding te starten voor meisjes die van de lagere school kwamen. Het idee was een kostschool op te zetten, naar het principe van een Franse kostschool, want daar droomden in het begin van de vorige eeuw heel wat ouders en jonge meisjes van! En menige jongedame- eerst uit Limburg en later ook uit het Brabantse land – zou later de trein, bus of sjees [redactie: een lichte, door paarden voortgetrokken kar voor het vervoer van personen] nemen om zich in enkele jaren „la douce langue” eigen te maken.

Internen ULO 1946
Jonge mensen kon men echter niet alleen bezighouden met – natuurlijk op de eerste plaats – Frans lezen en spreken, fijne handwerken en andere nuttige zaken. Om ook breder onderwijs te kunnen geven haalde Soeur Marie Chazal als Française – reeds na 2 jaar, in 1906 – haar L.O.-akte [redactie: een onderwijsbevoegdheid voor het deel van het Nederlandse voortgezet onderwijs tot het Lager Onderwijs (tot 1968)]. Ze beschikte reeds over haar bevoegdheid voor M.O. (Middelbaar Onderwijs) Frans.
De Lagere School groeide en met zeer ambitieuze plannen overwoog men het stichten van een M.M.S. (Middelbare Meisjes School). In het voorjaar van 1946 besloot men tot het oprichten van een Mulo-school.
Aan het begin was er geen gebouw, men had niet voldoende bevoegde krachten. Men had weinig of geen inzicht in de gang van zaken, wat Mulo-onderwijs betreft, enz. Hoe kwam men er dan toch toe een Mulo te beginnen? Dit was mede op aandrang van de ouders van de pensionaires, die graag Ulo-onderwijs voor hun dochters hadden en die vroegen of de zusters genegen waren een dergelijke school te stichten.
Soeur Marie-Anne Ploumen – die als eerste Nederlandse onderwijzeres de gelederen versterkt had – kreeg de taak her en der haar Ulo-licht op te steken bij bevriende scholen en kennissen, en vervolgens als hoofd der school in Cadier en Keer te fungeren, toen het officiële startschot kwam op 1 oktober 1946.
Het ging er in de beginjaren zéér gemoedelijk toe: er werd les gegeven in een geïmproviseerde klas (alias “kleine spreekkamer”) als een ronde tafelconferentie. Bijna alle lessen door één en dezelfde persoon.
| Ervaringen van een leerlinge – Helma Bruynen – de Macker Het is nu a.s. september [1976] 30 jaar geleden dat ik aan de hand van mijn moeder, heel aarzelend mijn „intrede” deed in het pensionaat van de Zusters. De oorlog was toen net voorbij en het kostte nog heel wat moeite om de verplichte uitzet bij elkaar te krijgen, daar in die tijd nog niet alles te koop was. Zo herinner ik me dat ik een blauw uniform had en een stevige groene jurk met een wit kraagje (aandenken van een jas van een Engelse piloot, die we thuis in de oorlog verzorgd hadden). Ik kwam in 1946 intern op de Mulo, waarvoor ik in 1949 slaagde. Het was niet altijd even gemakkelijk als je lange tijd thuis weg was; we mochten maar 1 maal per maand naar huis, maar toch hing er een leuke sfeer op school en ben ik er altijd graag geweest. Zo herinner ik me van de 1e klas juffrouw David die me maar steeds, “onder de les notabene” , mijn postzegelverzameling afnam. O, wat vond ik dat verschrikkelijk, want de postzegels waren in die tijd voornamer voor me dan de studie. We zaten op school in het oude gebouw, met grote spreekkamer, kleine spreekkamer en het donkere gangetje, allemaal vertrekken met een heel eigen sfeer, als je zo jong bent. In het begin sliepen we boven op een grote zaal, maar naarmate je ouder werd kwam je op een slaapkamertje terecht. Daarboven was het rijk van Soeur Marie de la Croix, die ‘s avonds altijd over de gangen liep, want om 9 uur moest het stil zijn. Ze had het daar niet altijd even gemakkelijk, want o, wat hebben we daar afgelachen, vooral een keer toen Trees Cobbenhagen met St. Nicolaas een electrospel gekregen had (iets heel nieuws voor die tijd) en dit ‘s avonds in bed gedemonstreerd werd. Als ik aan het gezicht van Soeur Marie de la Croix denk, moet ik nog lachen, want ze kon maar niet begrijpen waar dat licht steeds vanaf kwam. Diezelfde Trees had ook de eerste echte nylons op school, waar we onze ogen op uitkeken. |
Maar onderschat deze gemoedelijkheid niet, want er werd hard gewerkt en reeds in de zomer van 1948 presenteerden zich voor het examen 12 kandidaten, waarvan er 9 glansrijk met een diploma werden beloond. Eén ervan zelfs met een lijst cijfers van: 9-9-10-8-9-10-9-6-10-8-10! !!!!
Er hoefde echter niet altijd gestudeerd te worden. De boog moest niet te strak gespannen zijn! Daarom werd er – zeker in het pensionaat – genoeg aandacht besteed aan sport, spel en uitstapjes, al moest je er wel terdege op letten je kap niet te verliezen in de frisse zeebries.
Het leerlingenaantal groeide en er was op een gegeven geen ruimte meer om al de leerlingen te herbergen. De Zusters konden niet doorgaan met spreek- of slaapkamers af te staan als leslokalen.
Plannen, tekeningen kwamen ter tafel. Architektenbureau Boosten van Maastricht werd ingeschakeld, vergunningen werden aangevraagd en verkregen van officiële instanties. Burgemeester Huyben van Cadier en Keer gaf alle medewerking en in 1952 werd de eerste spade in het “kippeweitje” gestoken. De fundamenten voor een echt, apart schoolgebouw werden gelegd.
Eindelijk, in het nieuwe schooljaar 1953, geeft Monseigneur Lemmens hoogst persoonlijk ‘acte de présence’ voor de inzegening het nieuwe schoolgebouw, dat onder de naam Mater Misericordiae Uloschool aan een volgende leerperiode gestalte gaat geven.

Opening nieuwe ULO – 1953
Ruimte was er nu dus in overvloed. Het “knusse” schoolleventje dijde uit en verloor iets van zijn charme. En toen het algemeen streven werd een 3-jarige Ulo om te zetten in een vierjarige cursus, sloot de Ulo-leiding zich daarbij aan en er waren nu 4 Mulo-klassen. Toch probeerden in die volgende jaren enkele leerlingen deze vier jaren in te korten tot drie en met succes!!!
Het onderwijs bleef niet langer beperkt tot „pensionaires”. Ook externen bezochten de school, al was het voor die laatsten iets moeilijk om in de middagpauze naar huis te gaan eten. Geen nood! Onder de leslokalen was een groot souterrain, waar om 12 uur in een geïmproviseerd “keukentje” koffie en thee werd gezet en zelfs limonade werd geschonken om de dorstigen te lessen.
Dit souterrain (later handvaardigheidslokaal) diende ook als gymlokaal. De zusters konden zich toen goed aanpassen en roeien met de riemen die ze hadden!
In de avonduren werd er vaak druk toneel geoefend voor allerlei feestjes. Want er was een echt toneel met mooie fluwelen gordijnen en soms met de (eigen) handgeschilderde coulissen. De leerlingen schrokken er zelfs niet voor terug balletdansen en Franse stukken ten tonele te voeren.
De school had immers internationale befaamdheid; Belgische, Franse, Duitse (en zelfs een Ierse) jongedames kwamen er om het schone Nederlands te leren. Omgekeerd gingen er ook afgestudeerde Nederlandse leerlingen naar Franrijk (Clermont-Ferrand) om zich verder te bekwamen in de Franse taal.
| Ervaringen van een docente – E. Hodiamont Toen ik voor het eerst hier kwam lesgeven, kreeg ik een kamer toegewezen in het huis van de zusters. Die “klas” lag beneden en op het Westen, was lang en smal, maar had gelukkig heel veel ramen. Achterin stond een gezellig ouderwets potkacheltje, met dik roodgloeiend buikje in de winter. Een lange gebogen kachelpijp zorgde voor wat meer spreiding van de warmte en de huiselijke aanblik. Af en toe kwam de goede oude Mère Maria z.g. de klas binnen om nog wat brandstof op de kachel te doen. Ze wilde me zeker dat werk besparen (of vermoedde ze dat ik niet zo’n held was in het stoken?) en excuseerde zich ook nog steeds op charmant-Franse manier voor het storen van de les. Natuurlijk gooide ik ook wel eens wat in de kachel, oude schriften bijvoorbeeld. Zo gaf de afgedane wijsheid nog warmte (deze theorie niet te verwarren met die van Einstein!). Wij verbeelden ons wel, tegenwoordig rationeel te leven, maar vroeger werd er echt wel rationeler omgesprongen met allerlei materialen. Dan hadden we acht lessen per dag. ‘s Morgens van 9 tot 12 vier lessen, met een korte onderbreking van tien minuten rond half elf, die we momenteel pauze of speeltijd noemen; en dan weer van 1 tot 4 vier lessen met eveneens in het midden ongeveer tien minuten dat we „gelucht” werden. En dat ging zo: je keek op je horloge of het zo ongeveer tijd was, maakte je zin of je onderwerp af en zei „opruimen”. Dan liepen we rustig door de gang, langs de keuken van de zusters naar de cour. Aan de zuidkant daarvan waren trappen en een Lourdesgrot. Daar konden ze wat omheen rennen of de trappen op en af, ze konden wat tegen een van de pilaren hangen en elkaar het laatste nieuws vertellen. Mijn collega (er was er maar één op de Mulo, behalve de “hoofdzuster”) en ik stonden ook onder de pilaren, hielden de kinderen in de gaten en aten ons tienuurtje op. We konden gelukkig goed met elkaar overweg en er ontstond menig prettig gesprek. Het is ook een paar keer gebeurd, dat de onvolprezen keukenzuster naar buiten kwam en tegen ons zei: “Keender, wilt ger e sjtuk vloai?” Wie zou daar nee op zeggen! We lieten de kinderen de kinderen – het waren alleen meisjes en die speelden toch nooit zo wild dat we ongelukken moesten verwachten – en gingen mee naar de keuken. Met een heerlijk stuk zelfgebakken Limburgse “kronselevlaai” b.v. op het vuistje kwamen we weer bij onze pilaar staan. Dat ging vlot en glad naar binnen. We waren tenslotte jong en nog niet verslaafd aan koffie. leder jaar, meestal in de herfst, op een mooie zonnige zondag in september of oktober bijvoorbeeld, stond alles op zijn kop. Dan was er tombola voor de missie van de paters aan de overkant. Op de niet al te grote speelplaats kon je toch aan enorm veel tentjes je geld kwijt: hengelen, ballen gooien, grabbelton, raden hoeveel bonen in een glas zaten, de naam van een mooie pop raden, lotjes kopen voor een kwartje, naar de waarzegster gaan! Praktisch alle leerlingen werden ingeschakeld en het was „elck wat wils”. Ook een „restaurant” was er, en op den duur zelfs een kraam met heuse frites: het keukenraam van de zusters. De frituurpan stond roodgloeiend, want al was het warm, de frites „met” of „zonder” van alles gingen er grif in. Hulde nog achteraf aan al die vlijtige aardappelschilsters. De talenten van de meisjes kwamen waarlijk tot hun recht; de één bleek een geboren kelnerin en deed niets liever dan met een vol blad met kopjes en gebak jongleren boven de hoofden en schouders van het publiek; de ander bleek gewoon in de wieg gelegd als waarzegster. Anderen weer konden je zo fijn taai achterna zitten met lotjes of iets om te raden, dat een jachthond er eer mee had ingelegd! Het publiek, dat waren de leerlingen met hun ouders en liefst ooms, tantes, opa’s en oma’s, alle kennissen van de zusters, de leerlingen en ons, buren, zakenrelaties. Van tevoren hadden we natuurlijk zo veel mogelijk spullen als prijzen meegebracht – veel te veel om op te sommen. Die stonden tentoongesteld in de twee klaslokalen aan weerskanten van de grote inrijpoort. Wat is dáár een werk verricht – onvoorstelbaar – hoofdzakelijk door de beide zusters Marie-Anne en M. Matthea. Maar het resultaat mocht er zijn. Ze waren enorm trots als ze ons de volgende dag al konden meedelen, hoeveel duizend gulden er, bruto eerst maar eens, binnen waren. Ook netto bleef er nog een lief sommetje over. De paters van hun kant leverden ons de godsdienstleraren! Er was zogezegd een goede verstandhouding. Alleen met het vak gymnastiek zaten we vast. Je had niets, volstrekt niets in het begin. Je ging maar met je klas naar de speelplaats en liet ze “volkerenbal” of “grensbal” of zoiets spelen. Want om “buig-, strek”-oefeningen te doen, voelden we ons te modern! Alleen konden we van al die mooie dingen, die we bij de opleiding meegekregen hadden, niets toepassen bij gebrek aan materiaal. En je gaf in die tijd van het Mulo alle vakken! Je was gewoon, de juffrouw van de eerste (of tweede) klas” – punt. Ik hoor mezelf nog praten over cohesie en adhesie! Kwam je aan het hoofdstuk „soortelijk gewicht”, dan kreeg je zin om er vandoor te gaan: onmogelijk ze dat aan hun verstand te brengen. Wat was dat oude Mulo toch een halfslachtig onding: het viel naar zijn wezen onder het middelbaar onderwijs, maar werd in de praktijk gehanteerd als lager onderwijs. Je was gedwongen om duizendpoot te spelen, zeker aan een kleine school. Langzamerhand werd dat beter; tenminste de A- en de B-groepering kon bij de onderwijskrachten uitkristalliseren. Al was je bevoegd voor alles, je voorkeur ging toch allicht uit naar één richting. Maar wij gingen niet gebukt onder een minderwaardigheidscomplex – niks hoor! Ideeën genoeg. Jarenlang werd er zelfs na school balletles gegeven, tweemaal iedere week, meen ik. Een goede vriendin van mij, die zeer muzikaal was, en om zo te zeggen op de „spitzen”‘ was opgegroeid, kwam deze taak vervullen. Verder denk ik aan onze kerstvieringen. We hadden niet veel ruimte, maar sfeer wás er! Met dennentakken, kaarsen en linten werd het souterrain (bedoeld als fietsenstalling, maar gebruikt als overblijflokaal, toneelzaal, aula, klas, gymzaal!) opgetuigd. De kerstliedjes kende men nog; er werd een stuk evangelie en/of een verhaal met betrekking daarop voorgelezen, soms zelfs een “kersttoneeltje” opgevoerd. Daar mochten gerust engelen in voorkomen, met witte nachthemden en veren vleugels; een Maria en een Jozef en als Kindje een mooie pop. En natuurlijk heerlijk rafelige, haveloze herders! Zeker kostte het moeite, om al die meisjesmonden stil te krijgen en te houden – het was werkelijk geen onverdeeld genoegen, aangezien de stemming zo vlak vóór de kerstvakantie uitbundig was, vooral bij de internen, die “eindelijk” weer naar huis mochten. |

Schoolreis 1956
In februari 1957 verleende de gemeente subsidie voor een heuse gymleraar. En al verdwenen langzamerhand de kostschool-uniformen, daarvoor verscheen de eigen gymkleding – groen rokje en broekje, witte bloes met embleem. Bij de buitenwacht zichtbaar als in schoolverband derde, tweede en zelfs eerste prijzen werden weggesleept in de jaarlijkse “Margraten-tocht”. “Nooit wijken voor de plicht”, leerde de schoolvlag, al was dat in de regen of heel devotelijk in de Sacramentsprocessie.
In de loop der jaren waren de eerste en tweede klassen gesplitst en werd er gedacht over verdere uitbreiding van de “nieuwbouw”. Er stond immers pas de helft van het complex dat oorspronkelijk opgezet zou worden. Maar eerst werd er gedacht aan een betere outillage voor de gymnastiek. Het souterrain was toch wel een beetje “benauwd”, zeker als er op dinsdag en donderdag (de gymdagen) naar hartenlust en in het zweet des aanschijns getraind werd. Geen nood echter! De boerderij in het verlengde van het klooster lag reeds enkele jaren buiten bedrijf en na een grondige interne renovatie werd deze letterlijk omgetoverd in een voor die tijd hypermoderne gymzaal. Jammer genoeg mochten de Zusters niets aan de buitengevel (straatkant) laten veranderen. Met de “aftrap” door Burgemeester van Laar en allerlei gymnastische “vertoningen” van de leerlingen, werd hij tot grote vreugde van iedereen in gebruik genomen, waarbij de godsdienstleraar zijn geluk – en blaren in de handen – in hogere sferen zocht; door middel van het klimtouw.
De maanden verstreken, ideeën rijpten en nieuwe tekeningen werden ontworpen: men ging denken om een héél nieuw, los complex neer te zetten in de aangrenzende wei, die de Zusters gaarne voor de groei en uitbouw afstonden. De realisering van de nieuwe school is op bijzonder vlotte wijze verlopen, dankzij de goede en constructieve samenwerking tussen schoolbestuur, gemeentebestuur, architect en aannemer. Dat het uiteindelijke resultaat beter was dan het oorspronkelijke ontwerp bewees de inventiviteit en de voortvarendheid van de partners. Zo is b.v. het plan voor de aula en de garages „tijdens de rit” geboren. Toch zou het nog tot 1967 duren eer de eerste bulldozer het terrein opreed, de appel- en perenbomen het kruintje moesten neerleggen en de fundamenten gestort werden.
In 1968 vond de overgang plaats van Ulo naar Mavo. De stichting van een nieuwe Mavo-school vond nog net plaats voordat de Mammoetwet in werking trad.
Toen lokalen smetteloos waren geïnstalleerd, toneelstuk ingestudeerd, de autoriteiten uitgenodigd en alle leerlingen op hun paasbest waren, kon de ‘Mavo’ in gebruik genomen worden!!! Pastoor Wolfs hanteerde de wijwaterkwast met zoveel verve dat deze een heel eind verder belandde; de zegen hadden we!
In het nieuwe schooljaar kon de eerste brugklas van de Mavo starten in een spiksplinternieuw gebouw. Wat een weelde: grote aula, muzieklokaal, practicum voor natuur- en scheikunde en een grote ruimte voor handvaardigheid; leraren en leerlingen waren in hun nopjes. Met de overgang van de Ulo naar de Mavo heetten onderwijzeressen leraressen, de klassen en het lerarencorps zijn „gemengd” geworden en de „nieuwbouw” is overtroefd door een nog nieuwer gebouw „de Mavo”.
Steeds meer religieuze instellingen trokken zich terug uit de leidinggevende functies. In de loop van 1969 achtte het schoolbestuur van de Mavoschool te Cadier en Keer, dat tot dan toe steeds had bestaan uit kloosterzusters, de tijd rijp, het bestuur over te dragen aan een leken-schoolbestuur.
Vanaf 1970 kreeg de Mavo een ietwat ander karakter; uit diverse omliggende plaatsen kwamen de leerlingen naar Keer: de school kreeg langzamerhand een duidelijke streekfunctie.
Helaas moest de school naar verloop van tijd sluiten. Tot 2006 werd het pand gebruikt door het Centrum Ontwikkeling der Volkeren, dat ontwikkelingsprojecten in de Derde Wereld ondersteunde. Vanaf 2019 is het complex herontwikkeld tot woningbouw. Een van de gebouwen die is gerestaureerd heet nu toepasselijk Résidence le Monastère.
Gepubliceerd: Oktober 2026
Bron: 30 jaar ULO/MAVO




