facebook     twitter2  

 

Gebouwen en monumenten

De oprichting: een bewogen geschiedenis
Het verzetsmonument bij Huize St. Joseph (2)
Door drs. Harry H.M. Beckers

In het eerste deel van dit artikel (jaarboek 2008) is het drama beschreven dat begin in de bossen bij het Belgische Rotem en eindigde met de executie van elf Belgische verzetsstrijders en een onbekende Russische jongeman op 12 september 1944 nabij Huize St. Joseph. In dit tweede deel wordt ingegaan op de inspanningen van een aantal Belgische inwoners van Heer die hun gevallen landgenoten blijvend wilden herdenken. Daarbij gingen hun gedachten uit naar de oprichting van een verzetsmonument op de plek waar de ‘weerstanders’ werden geëxecuteerd. De realisering hiervan nam enkele jaren in beslag en is met veel voetangels en klemmen verlopen. De uiteindelijke onthulling van het monument bewijst dat hun inspanningen niet vruchteloos zijn gebleven.



Het comité
Wij schrijven mei 1946, meer dan anderhalf jaar na de executie van de verzetsstrijders, als een aantal Belgische inwoners van (toen nog) de gemeente Heer in het patronaatsgebouw bijeenkomen, met de intentie een comité in het leven te roepen. Doel is de oprichting van een waardig grafmonument  voor hun gevallen landgenoten. Heer telde toentertijd een 20-tal gezinnen van Belgische nationaliteit. De plek van de fusillade bij Huize St. Joseph wordt tot dan slechts gemarkeerd door een eenvoudig houten kruis met de namen van de slachtoffers. De historische plek verdient in hun ogen een waardig grafmonument. Het comité komt er en telt een vijftal leden. Een maand later is er een erecomité met (vooral) Belgische notabelen waaronder de consul van België in Nederland en de burgemeesters van Maaseik en Heer (Kessen).

Het comité gaat enthousiast aan de slag om de benodigde gelden bijeen te krijgen voor de financiering van het monument. De overtuiging bestond dat alle inwoners van Heer niet alleen het initiatief voor een monument zouden toejuichen maar daarnaast ook Bereid zouden zijn om een bijdrage te leveren in de benodigde financiën, die oorspronkelijk op 2000 gulden werden geraamd.

De fondswerving
Later zou blijken dat de nodige creativiteit, inventiviteit en (vooral) doorzettingsvermogen vereist waren om dit bedrag binnen te krijgen.
Het speerpunt van de inzamelacties bestond uit de verkoop van kaarten waarop foto’s van de elf verzetsmensen waren afgedrukt. Voordat de drukker aan de slag kon, was kunstdrukkarton nodig. Dat was toen in Nederland niet te krijgen, simpelweg omdat dit karton hier nog niet vervaardigd werd. In België werd het karton wel al gefabriceerd, maar was nogal prijzig.

jrg2009blz86

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Voogdijgesticht door de bezetter omgedoopt tot Lehrerbildungsanstalt

Het probleem van het kunstdrukkarton werd – op advies van de Belgische consul te Maastricht – in een uitvoerige brief op 24 september 1946 voorgelegd aan het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tevens verzocht men het Ministerie om de helpende hand te bieden bij het vervullen van de nodige formaliteiten voor de in- en uitvoer van het papier. Het was echter vergeefse moeite. Buitenlandse zaken had de brief weliswaar doorgezonden naar Binnenlandse Zaken maar de betreffende Minister liet (via het consulaat) op 11 januari 1947 weten dat hij zich moest bepalen tot het waarderen van het genomen initiatief. Het Departement zou evenwel bereid zijn de mogelijkheid eener tussenkomst te beoogen indien het gold de oprichting van één enkel monument voor den gezamenlijken Belgische weerstand, of ter herinnering aan den Belgischen en Nederlandschen weerstand samen. Kennelijk was de Minister nogal bevreesd voor de precedentwerking als hij zijn medewerking zou verlenen.

Het comité restte slechts de mogelijkheid om gebruikt te maken van het aanbod van de heer Meesters, die ook zitting had in het comité en tevens drukker in Heer was. Meesters beschikte nog wel over een ‘partijtje carton’ en hij kon aan de slag. Duizend kaarten kwamen er. De huis-aan-huisverkoop in Heer werd verricht door een tiental dames, vooral dochters van de comitéleden. De verkoop van kaarten met de foto’s van de verzetsstrijders in Heer stagneerde al vrij snel. Als vermoedelijke reden gold het feit dat in Heer ook een inzameling van gelden plaatsvond voor de ‘eigen’ gevallen soldaten. De ware reden was waarschijnlijk dat het initiatief niet echt aansloeg bij de Heerdenaren. Slechts weinigen konden zich associëren met het drama dat zich ruim buiten het dorp had afgespeeld en bovendien volstrekt onbekenden betrof.

Vermeldenswaard is nog dat er ook in ons dorp kaarten met de beeltenis van de gefusilleerden te koop waren. Als contactpersoon fungeerde de toenmalige wethouder Ackermans; hij droeg aan het comité wegens de verkoop van 175 kaarten, een bedrag van fl. 56,63 af.

Het comité diende andere aan te boren. En dat gebeurde ook. Brieven gingen op de post naar vooraanstaande Belgen in Nederlands Limburg; dat leverde – na herhaalde bedelbrieven en persoonlijke benadering – uiteindelijk fl. 425,- op. Tot de aangeschrevenen behoorde ook Elisabeth, Gravin de Liedekerke de Pailhe-de Lichtervelde, woonachtig in het kasteel in Eijsden. Haar echtgenoot, Raphael graaf de Liedekerke de Pailhe, behorend tot de Belgische hofadel en actief betrokken bij het verzetswerk in Eijsden, was gearresteerd en vervolgens op 9 oktober 1943 in Utrecht gefusilleerd.
Steun verwachtte het comité ook van de pers. In april 1947 benadert men de uitgever van het toentertijd veelgelezen weekblad De Nieuwe Tijden. De aangeschrevene antwoordt per kerende post dat hij wel bereid is om te helpen, maar dat het onmogelijk is om een inschrijvingslijst te openen omdat als wij dat doen we morgen alle pastoors aan de deur hebben, die hetzelfde vragen voor een kerk of een parochiezaal.

Wanneer de zeer ijverige secretaris van het comité in de krant leest dat er landgenoten een bezoek zullen brengen aan Zuid-Limburg, waarbij ook Huize St. Joseph op het programma staat, aarzelt hij geen moment. De organisatoren van deze excursie ontvangen een brief met het verzoek om de fusilladeplaats in Heer te bezoeken. En passant wordt gevraagd of er bezwaar bestaat tegen het houden van een kleine collecte of tegen het plaatsen van een offerblok: ieder frenkske is welkom. De organisator van het bezoek laat weten dat het gezelschap graag gul zou meedoen, maar ten zeerste gehandicapeerd zal worden door de deviezenmoeilijkheden en doordat wij geen Belgisch geld mogen meedragen.

De toneelvereniging V.O.V.L. uit Heer wil een bijdrage leveren; zij is bereid – gratis – een toneelvoorstelling te verzorgen in een cinemazaal te Maaseik. Aardig detail is dat van dit toneelgezelschap ook een in Cadier en Keer geborene deel uitmaakte: mevrouw Anna Schoenmakers-Keulen. De netto-opbrengst is 2585 franken. (De Belgische franc was destijds ongeveer 4 eurocent waard).

2009blz88


1954. Anna Schoenmakers-Keulen (rechts), samen met vanaf links: Agnes Heusschen, Maj Heusschen-Keulen, Math Heusschen (de köster)

Niet onvermeld mag blijven dat de gemeenten waar de gefusilleerden woonachtig waren eveneens een bijdrage aan de oprichting van het monument ter beschikking stelden. Het ging hierbij om een bijdrage van één franc per inwoner.

Het overmaken van het geld naar Nederland leverde vanwege de deviezenbepalingen zo veel problemen op dat de gemeentesecretaris van Veldwezelt als tussenpersoon fungeerde. Men stortte het geld op zijn privé-rekening: daarna haalde hij het geld van de rekening en stelde het vervolgens in contanten ter beschikking van de secretaris van het comité. Deze moest de Belgische francs vervolgens meenemen naar Nederland (waarschijnlijk clandestien) en daar omwisselen in Nederlands geld. Van belang is nog dat nota bene de Belgische gemeente Neeroeteren waar drie van de slachtoffers vandaan kwamen liet weten het geld pas te kunnen overmaken zoodra de geldelijke toestand dit zal toelaten. De financiële situatie was een maand later niet verbeterd; toen comitéleden zich persoonlijk bij deze gemeenteontvanger meldden om het geld in contanten mee te nemen naar Heer, moest deze hen teleurstellen. Er was geen kasgeld!

Het eerste ontwerp
Niet alleen de noodzakelijke financiële middelen bijeen krijgen bleek een probleem: een juiste keuze maken voor een ontwerp was dat evenzeer.
Het comité is nogal onbevangen gestart met het maken van een ontwerp voor het monument. Daartoe deed men een beroep op een broeder van Huize St. Joseph. Diens ontwerp kwam op het bureau van de gemeentearchitect van Heer terecht  met de bedoeling dat deze dit verder zou uitwerken. Dat is er niet van gekomen. Na enkele weken gaf hij de stukken terug met de mededeling dat hij daarvoor geen tijd kon vinden. Wel gaf hij het comité mee dat het idee wel aardig was maar dat het monument zóó niet gebouwd kon worden, omdat de verhouding tussschen de afmetingen van dien aard waren, dat de steen, waarop de namen zouden komen te staan, ongeveer 4 meter hoog zou worden.

Het tweede ontwerp
Een volgend ontwerp heeft geleid tot een vinnige en weinig verheffende correspondentie tussen de beeldhouwer Toon Hendrickx uit Breda enerzijds en het comité anderzijds. Toon Hendrickx kreeg van zijn heer-broer M. Hendrickx, die aan Huize St. Joseph te Heer verbonden was, de tip dat er ideeën bestonden voor een herdenkingsmonument en dat de gedachten daarbij uitgingen naar een beeldhouwwerk. Beeldhouwer Hendrickx wendde zich dan ook met een brief gedateerd 10 juli 1947 tot het comité waarin hij aangaf gaarne voor de opdracht in aanmerking te willen komen.  Hij had met betrekking tot het ontwerp reeds enkele ideeën hoe of ik zoo’n monument dacht. Bij zijn brief voegde hij enkele schetsen en deelt mede – in het geval er interesse bestaat – enkele maquettes in gips te willen uitvoeren om te laten zien wat zijn bedoeling als beeldhouwer is.

2009blz90

Het oorspronkelijke houten herdenkingskruis op de fusilladeplek achter Huize Sint-Joseph

De schetsen vallen niet in de smaak. Het comité laat Hendrickx twee maanden later weten dat deze niet aan de bedoeling beantwoorden. Men heeft eigen ideeën, waarbij het opvalt dat men nogal veel waarde hecht aan de plaats van oprichting van het monument. Men wijst er op dat de achtergrond bestaat uit een hoge bergwand van mergel en kiezel, begroeid met struiken en omgeven door hoge bomen. Aanpassing van het monument aan deze bosrijke omgeving is een absolute voorwaarde. Men vraagt vervolgens om een – zonder kosten of verplichtingen aan te gaan – nieuw ontwerp, waarbij men graag een beeld geplaatst wil zien van een weerstander in een strijdende houding tegen de verdrukking, van ongeveer manshoogte.

2009blz91Comité van oprichting monument Belgische Vrijheidsstrijders.
Vanaf links: Jef Geijs, A. Gijsen, Jos Ramaekers (voorzitter), L. Meesters, J. Vrijens ( secretaris-penningmeester)

De beeldhouwer is in zijn reactie weinig gecharmeerd van de ideeën van het comité. Hij laat fijntjes weten dat het niet gemakkelijk zal zijn om een kunstenaar te vinden die een weerstander in strijdende houding met een stengun of geweer in de aanslag zou willen beeldhouwen. Desondanks belooft hij om zijn best te doen een nieuw ontwerp aan te leveren. Dat ontwerp – in maquettevorm – levert hij bij een bezoek aan Maastricht persoonlijk af bij Huize St. Joseph zodat de comitéleden het daar kunnen bezichtigen.
En dan gaat het fout. Begin december 1947 schrijft Toon Hendrickx – de frustratie druipt er van af – een kort briefje. Hieruit blijkt dat hij zich bij een van de comitéleden had gemeld maar dat hij  gewoonweg niet verder als de deur werd ontvangen. Hij wil thans haring of kuit en vraagt om een definitieve beslissing zowel met betrekking tot zijn ontwerp als met betrekking tot de te gebruiken steensoort. Uit de beschikbare correspondentie blijkt dat hij nogal wat moeite heeft gedaan om een geschikte en betaalbare steensoort te vinden, waarvoor hij bij verschillende leveranciers een prijsopgave heeft gevraagd.

De reactie van het comité liegt er niet om. Men voelt zich door Hendrickx – zacht uitgedrukt – op het verkeerde been gezet. Had hij niet in september 1947 meermaals aangegeven dat de totale kosten van het monument maximaal fl. 3.000,- zouden bedragen? Hoe kon het dat – drie maanden later – de uitgezochte steen (Euville-steen) in prijs gestegen was  van de oorspronkelijk meegedeelde fl. 300,- naar fl. 1.975,-? Die laatste mededeling had bij de comitéleden ongeveer dezelfde uitwerking als een bom in een mand eieren. Het comité was het zat: Hendrickx’ plannen waren te duur en men had contact met een andere beeldhouwer, wiens ontwerp – het speet het comité overigens zéér dit te moeten mededelen – meer in de smaak viel. Voor Hendrickx restte slechts een bedankje voor de moeite en de goede bedoelingen.

Wie gedacht mocht hebben dat daarmee de kous af was, kwam bedrogen uit. Het spel kwam toen pas goed op de wagen. De correspondentie vliegt heen en weer en de toon wordt – van beide kanten – steeds grimmiger. Hoofdpunt in de verhitte discussie vormt de vraag wat wel of niet de afspraak was. Kortom de hele voorgeschiedenis komt opnieuw uitvoerig aan de orde; uiteraard vanuit ieders eigen gezichtspunt. Het wordt een gebed zonder einde. De beeldhouwer dreigt met alles en nog wat. Ook de broer van de beeldhouwer (pater M. Hendrickx) laat zich niet onbetuigd. De verwijten vliegen over en weer en de correspondentie heeft een hoog moddergehalte. Iedereen blijft van zijn eigen gelijk overtuigd en blijft bij het ingenomen standpunt.

Dan houdt de brievenschrijverij plotseling op. Is de beeldhouwer het gesteggel beu of heeft pater rector van Huize St. Joseph uiteindelijk ingegrepen? Wij zullen het niet weten. Hoe het ook zij, aan deze onverkwikkelijke affaire komt een einde.

De beeldhouwer
De beeldhouwer waar het comité mee in contact was gekomen, was Maastrichtenaar Jean Weerts. Geboren in Craubeek (Klimmen) in 1902, overleden St. Annadal te Maastricht. Aanvankelijk leerde hij op de Ambachtschool het meubel vak, maar al spoedig toonde hij belangstelling voor het houtsnijden. Hij keerde zich dan ook na enige tijd van het meubelmakersvak af en wijdde zich aan het beeldhouwen. Naar Frankrijk getrokken, waar hijveertien jaar zou rondzwerven van atelier naar atelier, keerde hij in 1936 naar Maastricht terug. Hier leed hij bittere armoede bij gebrek aan opdrachten. Die kwamen uiteindelijk via architect Boosten. Zo werkte Jean Weerts voor de kerk in Broekhem en ontstond van zijn hand de kruisweg van Eijs-Wittem. Daarna pas begonnen de opdrachten uit heel Limburg toe te stromen.

Jean Weerts was een volkomen teruggetrokken figuur, die geen of bijna geen publiciteit wenste. Zijn passie bestond uit zware kaparbeid in steen en hout in zijn atelier-aan-huis. Hij had een eigen opvatting, aanvankelijk meer realistisch, later sterk stilistisch. Hij heeft slechts een beperkt aantal beelden op zijn naam staan, waaronder de kruiswegstatie van Berg en Terblijt. Tevens zijn van zijn hand het kruisbeeld Achter de Barakken in Maastricht en het Mariamonument aan de Akersteenweg in Heer. Jean Weerts is als beeldhouwer slechts bij enkelen bekend; in zijn hele loopbaan heeft hij nooit aan een tentoonstelling deel genomen.

Het definitieve ontwerp
Het monument, uitgevoerd in Franse Vaurionsteen (een kalksteen), heeft een afmeting van bijna twee meter breed en is met het voetstuk drie meter hoog. De beeldhouwer heeft getracht in de expressie van de figuren en in de compositie van het geheel, de betekenis van de ondergrondse strijd te karakteriseren. Het herdenkingsmonument stelt dan ook een suggestieve beeldengroep voor. De hoofdfiguren bestaan uit een naar voren springende leeuw, drie figuren van verzetsstrijders in aanvallende houding, de blik stoer vooruit gericht, en – op de ravage der verwoesting – een treurende vrouw met kind. De houding van de strijders straalt vastberadenheid uit en de zekerheid dat hun strijd zal leiden tot het uiteindelijke doel. Zij hebben fier de vlag geheven terwijl de grimmige leeuw uit het wapen van België hun strijd naar een verlossende toekomst ondersteunt.

De kosten van het vervaardigen van het monument tezamen met een ongegraveerde  naamplaat bedroegen fl. 2.500,-. Rekening houdende met enkele bijkomende kosten betekent dit een totaalbedrag van fl. 2.725,-.

De gemeente Heer verleende de bouwvergunning op 22 juli 1948; één week nadat de aanvraag was binnengekomen. Voor het afgeven van deze vergunning bracht de gemeente niets in rekening (uit liefdadigheid vermeldt het besluit van burgemeester en wethouders).

De onthulling
Op de dag van de onthulling, zondagmorgen 12 september 1948, begint de ceremonie – zoals in deze streken gebruikelijk – om 10.00 uur met een plechtige Hoogmis. Als locatie voor deze Eucharistieviering dient het openluchttheater va – als n Huize St.Joseph. Dit leent zich hier prima voor zowel door de ligging – midden in het bos en omgeven door groen – als ook vanwege de beschikbare ruimte om alle mensen (de kranten spreken van zo’n twee- tot drieduizend bezoekers) onder te brengen. Vele hoogwaardigheidsbekleders wonen de dienst bij waaronder de gouverneurs van zowel Belgisch als Nederlands Limburg.

Om 11.15 is de kerkelijke plechtigheid afgelopen en begeeft de menigte zich naar de plek waar het verzetsmonument zal worden onthuld. Links en rechts naast het monument wapperen talrijke vlaggen en vaandels van verschillende Belgische verzetsorganisaties. Zoals gebruikelijk bij een dergelijke plechtigheid voert een aantal sprekers het woord. Vervolgens volgt de kranslegging; als eerste door de weduwe van de gefusilleerde commandant van de verzetsgroep Gustav Beazar. De plechtigheid wordt besloten met het spelen van de volksliederen; de Brabançonne en het Wilhelmus.

De Belgische Nationale Radio-omroep vindt deze onthulling van voldoende betekenis om er een rapportage aan te wijden. Rechtstreekse uitzending is technisch echter nog niet mogelijk; de uitzending vindt pas twee dagen later plaats (op dinsdag 14 september 1948 om 21.00 uur).

2009blz95

Vertegenwoordigers van de Belgische verzetsorganisaties en de wapenbroeders van de afdeling Heuvelland tijdens een jaarlijkse herdenking bij het verzetsmonument

Juliana-Boudewijnprijs
De verzorging en het onderhoud van het verzetsmonument geschiedt momenteel door de Stichting Belgisch Monument. Deze stichting, waarin ook enkele van onze dorpsgenoten zitting hebben (Charles Rouschop is voorzitter, Jacques Aussems is secretaris en verder Jos Oostenbach en Wiel Eggen uit Heer), organiseert de jaarlijkse herdenking op de tweede zondag in september. Wat daarbij opvalt, is nog steeds de grote belangstelling van familieleden van de gefusilleerden en de diverse Belgische Weerstandsorganisaties.

Voor die jarenlange inzet ontving de Stichting op 8 september 1999 in het Stadhuis te Maastricht uit handen van burgemeester Ph. Houben, de Juliana-Boudewijnprijs. Instelling van deze prijs geschiedde in 1959 door de voormalige gemeente Heer, bij gelegenheid van het bezoek dat de Belgische koning Boudewijn en de Nederlandse koningin Juliana op 11 juli 1959 aan het verzetsmonument brachten. Toekenning van de prijs vindt plaats aan een in Belgisch- of Nederlands-Limburg gevestigde instelling die door heeft bijgedragen aan de vestiging van vriendschapsbanden tussen beide landen.

Deze prijs is een huldebetoon aan alle betrokkenen die zich gedurende een lange reeks jaren voor de oprichting van het monument en het blijvend herdenken van die vreselijke gebeurtenis op 12 september 1944 hebben ingezet.

Tot slot
Dat het verzetsmonument bij Huize St. Joseph er uiteindelijk is gekomen, is uitsluitend te danken aan de vasthoudendheid en verbetenheid waarmee enkele Belgische inwoners van Heer zich hebben ingezet. Uit de ter beschikking staande stukken blijkt nergens dat het erecomité – dat toch ronkende namen telde – zich heeft ingespannen om het monument te realiseren. Ons respect en waardering gaan dan ook vooral uit naar die enkelingen die, dankzij hun koppige volharding, in hun opzet geslaagd zijn.
De jaarlijkse herdenking op de tweede zondag in september is niet alleen een herdenking van de gevallenen maar is uitgegroeid tot een moment om de verschrikkingen van oorlog en terreur, waar ook ter wereld, te overdenken. De uitdaging ligt er voor ons allen om de herinnering aan hen die vielen en hun ideaal van vrijheid en onafhankelijkheid, ook voor de toekomst, levend te houden.

Bronnen en literatuur

-         Lieshout van, Jan, Het Hannibalspiel, 1980

-       Dossier “Voor het Monument”, ter beschikking gesteld door de Stichting Belgisch Monument Heer

-       Weltjens, Raymond, Gedenkboek Geheim Leger, 1994

-       Interview op 24 maart 2005 met mevrouw Alphonsine Vliexs en Raymond Weltjens te Rotem, door Pierre Lemmens, Lei Haesen en Harry Beckers

-       Venne, van de, J.M., Geschiedenis van Heer, 1957

-       Purnot Jo, 60 jaar bevrijd, Keerder Kroniek, jaargang 8 blz. 3 – 13

-       Rouschop Charles, 50 jaar Belgisch Monument Heer, Keerder Kroniek, jaargang 1 blz. 159 – 163

-       Heijden van der, Rob, P.W.J.M., Het trauma van de 20e eeuw in Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal, jaarboek 2000, blz. 209 - 264