facebook     twitter2  

 

Spellingsregels (1)
Klanken die in het Nederlands niet voorkomen zijn:

De ao-klank Voorbeelden zijn sjtraot (straat), paol (paal), jao (ja). Bijna altijd zijn het woorden die in het Nederlands een aa hebben, maar niet altijd: baore (boren), haolster (holster). De äö-klank Deze klank komen wij tegen in het Engelse woordje bird (vogel). Voorbeelden in ons dialect zijn: bäört (beurt), käöre (keuren), väöl (veel). De ae-klank Ook een lettercombinatie die wij in het Nederlands niet kennen, maar overeenkomt met de klank in het Franse woordje ‘ordinair'. Voorbeelden: kael (keel), paer (peer), zjwaer (zweer). Dus eigenlijk moet de Keerder Carnavalsvereniging Klenderaere heten, i.p.v. Klenderaire. De è-klank Hierbij wordt gebruik gemaakt van de è (accent grave), een teken dat we in de Franse taal regelmatig tegenkomen. Voorbeelden in ons dialect zijn: bèd (bed), wèt (wet), lès (les). De ö-klank Deze klank horen wij in woorden als pöt (put), sjötterei-j (schutterij), blötsj (deuk), plökke (plukken). Vaak wordt de ö-klank verward met de u-klank, deze laatste komt als korte klank in Keer minder voor, maar toch in woorden als humme (hemd), Klumme (Klimmen), zjwumme (zwemmen). De ue-klank Deze lettercombinatie komt in de VELDEKE-spelling niet voor, maar wij gebruiken de ‘ue' in woordjes als: duepe (dopen), benuel (benul) sjluerepe (slurpen) en sjtuerem (storm).

Spellingsregels (2)

De Limburgse dialecten vertonen onderling verschillen en overeenkomsten. De van oorsprong niet-Limburgers vallen meestal alleen de overeenkomsten op. Dat is niet alleen de zachte ‘g', maar vooral de zinsmelodie, de intonatie; de Zuiderling zingt. Hij neemt die zangerigheid ook mee als hij Nederlands spreekt. Keerdenaren die ‘boven de Moerdijk' gingen studeren of werken, probeerden de zachte ‘g' en het ‘zangerige' af te leren. Het eerste lukte aardig, het tweede was moeilijker. Overigens geldt het omgekeerde ook voor ‘Noorderlingen', zij krijgen dat ‘zangerige' heel moeilijk aangeleerd. Zij spreken de dialectwoorden op één toonhoogte uit, waardoor direct opvalt dat zij geen oorspronkelijke dialectsprekers zijn.

In de Limburgse dialecten kunnen wij de klinkers op drie manieren uitspreken: - kort (stoottonig noemen we dat) - ‘slepend' (lang) en ‘met naslag'.

De groep stoottonig (kort) Bij deze woorden worden de (dubbel)klinkers kort (stoottonig) uitgesproken, zoals in het Nederlands. In ons dialect komen wij die woorden minder tegen. Voorbeelden zijn: sjtiek (stik), knoep (knop), watsj (mep), pöt (put), kalle (praten), get (iets), mès (mest).

Maar ook woorden als lui-j (mensen), bui-j (bui) klein (klein) knijn (konijnen), beis (koude noord-oosten wind), worden kort/stoottonig uitgesproken.
Er is een groot klankverschil tussen de Keerder ‘ui' en ‘ei/ij' en de Nederlandse ‘ui' en ‘eij./ij-klank'. De Nederlands woordjes ‘klein' en ‘buis' klinken duidelijk anders dan in het Keerder dialect: klein en buis. Toch geven wij dit klankverschil niet aan omdat de dialectspreker dit verschil gemakkelijk aanvoelt. Degene die de stoottoon wel wil aangeven schrijft: kléin en búis.

Spellingsregels (3)

De groep sleeptonig (lang)
In veruit de meeste dialectwoorden worden de klinkers en tweeklanken ‘(half)lang' uitgesproken - met sleeptoon -. Zo een woord heeft verschillende toonhoogten. In het Nederlands kennen wij dat fenomeen niet.

Luister maar naar het verschil tussen de ‘ie-klank' in het Nederlandse woordje muziek en het Keerder meziek. De ‘ie' het Nederlands wordt kort uitgesproken, stoottonig. In het

dialect lang, sleeptonig. Nog een voorbeeld: het Nederlandse woordje hoes wordt kort uitgesproken, maar het Keerder woord hoes (huis) lang.

Al jaren worden discussies gevoerd over de vraag of in dialectteksten de sleeptoon wel of niet moet worden aangegeven. Wij hebben na heel lang aarzelen besloten het bij een aantal klinkers en tweeklanken wel te doen, namelijk door een accent circumflex (^), het zogenaamde ‘hoedje', op de sleeptonige klinker of tweeklank te plaatsen. Het argument is dat in het Keerder dialect de sleeptonige ie en oe gebruikt wordt, terwijl dat in andere nabuurdialecten niet het geval is. Ook bij een aantal andere klinkers geven wij de sleeptoon aan. Voor de sleeptonige ‘a', ‘o' en ‘u gebruiken wij niet het ^-teken, maar de lange ‘aa' , de lange ‘oo' en de lange ‘uu'. Dus wij schrijven niet ‘bâl, ‘ândersj', ‘sjtâl' (wat eigelijk wel zou moeten), maar baal, aandersj, sjtaal.

De sleeptonige klinkers:

De sleeptonige ê-klank in vêld (veld), bêrm (berm), bêrk (berk).

De sleeptonige iê-klank in bedriêf (bedrijf), iês (ijs), tepiêt (behangsel)

De sleeptonige êi-klank in bêin (been), brêid (breed), sjêif (scheef).

De sleeptonige oê-klank in boêk (buik), koêp (kuip), sjoêl (school)

De sleeptonige oû-klank in boûm (boom), oûch (ook) voûl (vol)

Spellingsregels (4)

Verschil tussen stoottoon en sleeptoon De uitspraak met stoottoon (kort) of met sleeptoon (lang) kan bepalend zijn voor de betekenis van het woord. Kort: Sjnoets (snot) - lang: sjnoêts (snuit).De sjnoets löp ‘m langs z'n sjnoêts aaf (de snot loopt langs zijn snuit).
Zo zijn er meer voorbeelden waar de stoottoon of sleeptoon bepalend is voor de betekenis.

Kort (stoottonig) sleeptonig kort (stootonig) sleeptonig

Lies (naam) - liês (lijst) Wies (vrouwennaam) - wiês (wijs)

lienne (lenen) - liêne (linnen) kies (kist) - kiês (kaas)

douw (toen) - daûw (dauw) sjtriekke (breien) - sjtriêke (strijken)

wiet (wit) - wiêd (ver)

Het verschil tussen stoottoon en sleeptoon bepaalt in een aantal gevallen of een woord enkelvoudig dan wel meervoudig is. Mensen met een goed gehoor kunnen dat verschil horen:

sleeptonig - stoottonig

eine bêrg (berg) - twie berg (bergen)

eine êrm (arm) - twie erm (armen)

ein bêin (been) - twie bein (benen)

eine kuerf (korf) - twie körf (korven)


Spellingsregels (5)

De Naslag Buiten de sleeptonige uitspraak is er nog een kenmerk van ons zangerig dialect: de naslag. De naslag wordt aangegeven door ë achter de klinker te schrijven: gieëve (geven), lieëpel (lepel), knoeëk (bot), loeët (lot), nuëge (negen), ruuëk (reuk). Vooral het Keerder dialect heeft, vergeleken met de dialecten van buurdorpen in het Maasdal, veel ie-woorden met naslag: ieëte (eten), nieërsj (naaister), pieërd (paard), zjwieëgel (lucifer) gieën (graag) en Bieëmelerwieëg (Bemelerweg) of Sjtieëwieëg (Steenweg).
De toonhoogte in gieëve gaat van laag (gie) naar hoog (ë) en dan weer omlaag (ve)

 

De verschillende soorten ‘ie'

Diek (dik) - diêk (dijk) - dieëke (deken, baas van de pastoor)

Het eerste is stoottonig, het tweede sleeptonig, het derde met naslag

Ook is er een duidelijk verschil tussen doên (doen) en doeën (doorn), het eerste is sleeptonig en het tweede met naslag. Of tussen sjtoekke (stompen) en sjtoeëke (stoken), het eerste wordt stoottonig (kort) uitgesproken en het tweede met naslag.

Overigens is de naslag niet in alle gevallen zo gemakkelijk te herkennen als in de bovenstaande woordjes. Ter wille van de leesbaarheid en herkenbaarheid zijn wij bij sommige dialectwoordjes in dit boek niet altijd even consequent geweest.


Spellingsregels (6)

De medeklinkers De medeklinkers geven in ons dialect minder problemen dan de klinkers. Vergeleken met het Nederlands zijn er een paar bijzondere gevallen:

De gk; deze lettercombinatie lijkt veel op de eerste letter in het Franse woordje gare (station). Voorbeelden: liegke (liggen) brögke (bruggen), zègke (zeggen). Het is dus een andere uitspraak dan de twee kk's in takke (takken). Luister maar naar het verschil: takke (takken) en bagke (biggen) en zökke (sokken) en mögke (muggen)

De sj en zj; deze lettercombinatie komen wij in het Nederlands maar een paar keer tegen, bv. sjaal, sjees, sjoelbak. Voorbeelden in het Keerder dialect zijn er legio: sjoel (school), aandersj (anders), zjwieëgel (lucifer).

Let op!! De sch komt in de Limburgse dialecten niet voor. Voor het Keerder dialect geldt altijd sj. Dus niet schoon (schoen) máár sjoon.

Het geslacht van het zelfstandig naamwoord (namen van mensen dieren of dingen)

Het Keerder dialect kent, evenals het Nederlands, mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden. Aan het woord zelf is niet te zien van welk geslacht het is.

Het geslacht komt tot uiting in de vorm van het aanwijzend voornaamwoord (in het Nederlands ‘die'of ‘dat'). Voor het Keersj is dat:

Mannelijke woorden:

Vrouwelijke woorden

Onzijdige

dae maan

Déi-j vróuw

dat keend

In het meervoud is er geen onderscheid tussen de geslachten:

Mannelijke woorden:

Vrouwelijke woorden

Onzijdige

déi-j manslúi-j,

Déi-j vroúlúi-j

déi-j keender

Vroeger werd er bij de lidwoorden (de en het ) ook een onderscheid gemaakt. Er zijn nu nog mensen die zeggen bie d'r bekker. Toen sprak men nog van: d'r mân en de vroúw en 't keend.

Een restant daarvan vinden wij nog ná een mannelijk woord dat begint met een klinker of met een ‘t', ‘d' of ‘h', zoals, d'n doúm, d'n oto, d'n Hiering (familienaam Harings), d'n Haas (bijnaam voor degenen die Haesen heten), d'n handel, d'n hiêmel, d'n hood, d'n daag is in de loch, d'n dwéil en d'n diekke va Iettere (Itteren). Het is dus d'n toeën, de groete toeën maar d'n awwe toeën.

Het Keerder persoonlijk voornaamwoord Het persoonlijk voornaamwoord geeft een persoon aan.
Enkele Keerder persoonlijke voornaamwoorden wijken af van sommige omgevingsdialecten. Vooral aan de ‘hij-vorm' (hieë) en de ‘zij-vorm' (zeej) zijn Keerdenaren in de buurdorpen te herkennen.

 

Nederlands

Keer

Maastricht

Gronsveld

Hij

hieë

heer

haër

Zij

zeej

ziê

ziê

Voorbeeld: werkwoord zeuke (zoeken)

Enkelvoud

iech zeuk iech zeuk diech

diech zeuks diech zeuks miech

hieë/ zeej/ het zeuk hieë zeuk häöm/häör

viêr zeuke viêr zeuke uuch

diêr/ giêr zeuk giêr zeuk oes (tegenwoordig: ós)

zeej zeuke zeej zeuke hun

Vaak wordt in plaats van diech ook de gebruikt. De zags jao tieënge miech.