facebook     twitter2  

 

Oude gebruiken

Volksgeneeskunde
door Jo Purnot

In het vorige jaarboek hebben we een artikel gewijd aan volksdiergeneeskunde. Dit artikel gaat over de volksgeneeskunde bij mensen.

Onze dorpsgemeenschap eind 19de eeuw
Ongeveer honderdtwintig jaar geleden geeft de toenmalige gemeentesecretaris van de gemeente Cadier en Keer een klein inkijkje in de levensomstandigheden van onze vroegere inwoners. In een rapport aan de Provincie schrijft hij:
- Alle inwoners leven van landbouw, ook de ambachtslieden zijn daarnaast landbouwer.
- De arbeidende klasse eet vooral roggebrood, aardappelen en spek.
- Ze drinken putwater en koffie. In de zomer daarbij bier en jenever.
- De bemiddelde klasse heeft, behalve het hierboven genoemde ook een weinig tarwebrood, vlees en soms vis op het menu staan.
- De zindelijkheid bij de dorpelingen is matig.
- De kindersterfte is hoog.
We kunnen hieruit opmaken dat het voedingspatroon erg eenzijdig was en dat de hygiënische omstandigheden niet positief uitpakten voor de gezondheid van de gemiddelde dorpeling.
 
Hygiëne
De beperkte hygiëne was vroeger de belangrijkste oorzaak van allerlei ziekten, zeker bij kinderen. De mesthoop op de mèstem (binnenplaats) was een verzamelplek van oongesiefer (klein ongedierte) en ratten. De straatgoten waren vaak gevuld met mestwater. Ook vele waterpoelen die als drinkwaterreservoir voor het vee dienst deden, waren besmet.
Verder droegen de woonomstandigheden, zoals donkere muffige slaapplaatsen en gebrek aan stromend water, bij aan die onhygiënische situatie. Het is nog maar enkele generaties geleden dat het toilet, ‘t húiske, buiten het woongedeelte lag. De bewoners moesten ’s nachts hun behoefte doen in een emmer of in ‘ne pispot (po). Deftige mensen beschikten over een kakstoel. Douches hoorden pas vanaf begin jaren vijftig standaard in een woning. Toen het Groene Kruisgebouw (nu Limburgerstraat 142) gebouwd werd, konden de Keerdenaren daar voor een luttel bedrag douchen.

2011blz46

Boerderij Schillings-Dobbelsteijn ten oosten van de kerk. Nu is hier een parkeerplaats.

Ook het drinkwater uit de drie waterputten die ons dorp rijk was, was niet altijd even schoon. Toen begin vorige eeuw het leger in Keer en omgeving een grote manoeuvre hield, kwam bij een test aan het licht dat ons putwater zelfs ongeschikt was voor de paarden van de cavalerie. Terwijl de Keerdenaren het met veel smaak dronken. Ze hadden in de afgelopen eeuwen een bepaald immuunsysteem ontwikkeld en konden tegen een ‘stootje’, maar toch. De aanleg van de waterleiding - in Keer eind jaren twintig van de vorige eeuw - betekende een grote sprong voorwaarts. De gemeenteraad was daar niet direct van overtuigd, want enkele jaren eerder (1922) had de raad nog tegen aanleg van de waterleiding gestemd. Een van de argumenten tegen was dat het koele putwater beter was voor het boterkarnen dan het kraanwater. Toen kort erna aan huis karnen verboden werd en de melk naar de melkfabriek moest, kwam dit argument op losse schroeven te staan.

Gezondheidszorg
In ons dorp was geen dokter gevestigd. Bij ziekte waren de inwoners aangewezen op artsen uit de grotere plaatsen zoals Valkenburg, Heer en Maastricht. Na de Tweede Wereldoorlog pas openden twee dokters uit Heer, Neven en Lauw, een dependance in Keer. Hiervoor hadden ze in de bungalow van Pie (va Sjang va Kläöske) Bisscheroux (nu Limburgerstraat 43) een ruimte gehuurd.
Ook vestigde zich hier een wijkzuster, mevrouw Peters. Zij lette op de woonomstandigheden en de hygiëne van ouderen en in de grote gezinnen
Toen de grote uitbreiding van Keer begonnen was, zo rond 1970, vestigde zich dokter Jacques Prevoo als apotheekhoudend arts aan de Kapelweg. En enkele jaren later verplaatste hij zijn praktijk naar een nieuwe locatie aan de Willem-Alexanderstraat.

Onze voorouders gingen niet snel naar een dokter. Het woordje ziekenfonds was voor velen een onbekend begrip. Het verplichte ziekenfonds voor loontrekkers is pas in 1941 ingevoerd. Voor die tijd betekenden een bezoek aan de dokter en de uitgaven voor medicijnen voor de gewone man een flinke greep in de huishoudportemonnee. Het was daarom niet vreemd dat er in elke dorp wel inwoners te vinden waren die zelf medicijnen ‘brouwden’ of een rechtstreeks lijntje hadden met heejboeëve (hierboven).

De hulp van de heiligen bij zieken
In een streek waar bijna alle mensen Rooms Katholiek waren, riep men al gauw bij lichamelijke klachten of andere problemen de hulp in van een heilige. In tegenstelling tot de protestanten die zich rechtstreeks tot de Heer wenden, denken de katholieken meer baat te hebben bij de voorspraak van een heilige, die immers kort bij God staat. Deze eeuwenoude vorm van volksdevotie heeft de laatste decennia flink ingeboet.

Sommige heiligen waren in bepaalde ziekten ‘gespecialiseerd’. Die specialiteit had meestal te maken met de manier waarop de heilige gestorven of gemarteld was. Men ging ervan uit dat een heilige die onthoofd was, hoofdpijn kan wegnemen (Sint-Jan Baptist). De heilige Agatha wordt aangeroepen bij pijn in de borst. Zij was omwille van haar geloof de marteldood gestorven, waarbij haar beide borsten waren afgesneden. De heilige Apollonia, een martelares van wie in onze parochie een relikwie aanwezig is, kan helpen bij kiespijn, omdat haar beulen haar indertijd de tanden hebben uitgetrokken.

 2011blz48

Wijkzuster Martha Peters.
 
Wanneer men een heilige om hulp vroeg, betekende dat niet dat de pijn onmiddellijk verdween. Men ging er vanuit dat de pijn na het bidden nog even lang duurde als ervoor. Daarom was het verstandig om er zo snel mogelijk bij te zijn, aldus een zegspersoon (geboortejaar 1927).

Overigens ging men bij kiespijn ook bidden bij een ongevals- of moordkruis. In Keer was het stenen ongevalskruis in de Keerderberg (bij de Pater Kustersweg) een toevluchtsplek voor mensen met kiespijn en ‘t fiêt (fijt) aan een vinger. Voorwaarde was wel dat men onderweg naar het kruis met niemand een woord wisselde en alleen maar bad: daarom ging men meestal als het donker was.

Er waren heiligen die men voor meerdere ziekten en kwalen aanriep. Sint Cornelis bijvoorbeeld werd in Borgharen op 16 september aangeroepen. Mensen gingen er bidden tegen: kinderziektes, eczeem, huiduitslag en jicht. Veel Keerdenaren maakten in de septembermaand de haardergaank (naar Borgharen dus).
Een andere bekende plaats was Mesch waar Sint-Pancratius op de voorlaatste zondag van augustus te hulp werd geroepen tegen allerlei kwalen. Voor de ‘zenuwe’ (overspannenheid of depressie) ging en gaat men tegenwoordig nog naar O.L. Vrouwe van Rust in Heppeneert (B).
Ten slotte: in een gebedsgenezingsboekje van honderd jaar geleden lezen we:
Voor eczeem bedevaart gaat men naar Sint Markoen de heilige bevindt zich in de Sint-Servaaskerk achter in het portaal bij de deur links staat gewijd water, neem water mee, was de wonde en drink ervan en laat een H.Mis lezen.

Soms was één keer bidden of laten zieëngele(zegenen) niet voldoende, maar was een noveen voorgeschreven. Dat betekende negen dagen achter elkaar bidden. De zondag telde niet mee, maar er moest toch op die dag gebeden worden.
Het was niet altijd nodig om zelf een noveen te houden. In elk dorp waren wel oudere vrouwen te vinden die graag tegen betaling de noveen overnamen. Zo ging Maria Hubertina Elisabeth Roebroeks-Schreurs (1874-1937) voor anderen op bedevaart of bad ze op verzoek. Kosten 50 cent.
 In 1857 schreef pastoor H. Göbbels van Cadier en Keer in het verslag aan de deken van Wyck over zijn parochie: ‘Men heeft ook hier al bedevaarten gedaan naar Meerssen, Valkenburg en Noorbeek bij bijzondere gevallen van smettelijke ziektens en andere algemene onheilen’

Bedevaarten naar Keer
Sinds de 18e eeuw bestond in Keer een Sint-Blasius devotie tegen keelziekten. Na de verwerving van een beeld en een reliek groeide de verering voor deze patroon al vrij snel. Tot in deze tijd is er nog altijd een druk bezochte keelzegening rond 3 februari, de feestdag van Sint-Blasius. Het enige verschil met vroeger is dat het nu nog alleen Keerdenaren zijn die hun keel laten zieëngele. Misschien heeft dat ermee te maken dat de Leechmeskèrmes (Lichtmiskermis) - die hier vroeger op 2 en 3 februari werd gehouden - is afgeschaft.
 
 2011blz50

Sint-Blasiuskapel bij Blankenberg. Het gebouwtje deed van 1934-1992 dienst als schakelstation van de PLEM. Daarna werd het verbouwd tot kapelletje. De inzegening vond plaats op 4 oktober 1992. De kapel is in onderhoud bij de VTN Cadier en Keer.
De tekening is van Ton Lourens

Voor arme parochies was de speciale verering van een heilige erg belangrijk: de jaarlijkse devotie zorgde voor wat extra inkomsten. Ook de stichter van het Missiehuis pater Gaston Desribes wist dat. Wellicht dat hij daarom de Lourdesgrot al liet bouwen voordat het klooster af was. Hierdoor was hij verzekerd van inkomsten. Dagelijks kwamen er immers van heinde en verre bedevaartgangers naar de Lourdesgrot om de H. Maria te vereren.
Dat gold ook voor de Keerdenaren, want waarschijnlijk al in 1892, maar zeker vanaf 1894, droeg pastoor Waelbers er in de meimaand elke zondagochtend om 6.00 uur een H. Mis op. En iedere avond was bij de Lourdesgrot in die maand een Maria-oefening. Naderhand trok er, tot 1968, op 15 augustus jaarlijks een processie vanuit Keer naar de Lourdesgrot. Tegenwoordig branden er nog elke dag kaarsen bij de grot.

Gebedsgenezing
In ons dorp woonden verschillende gebedsgenezers. Een tweetal willen we hier noemen.
Een van de bekendste genezers van kwalen bij zowel dieren als bij mensen was ongetwijfeld Jeu Paulussen (1891-1948). In 1938 kwam hij met zijn gezin in Keer, op ’t Indsje (nu Rijksweg 89) wonen. Jeu had blijkbaar een gave om met mensen om te gaan, want een jaar later werd hij al tot raadslid gekozen. Jeu verstopte tijdens de oorlog, meer dan anderhalf jaar, het joodse gezin Frank (vier volwassen personen) uit Leiden in zijn woning. Buiten pastoor Durlinger en de huisarts was daar verder niemand van op de hoogte. Direct na de bevrijding werd Jeu tot wethouder en loco-burgemeester benoemd.
Zijn ‘kracht’ om mensen en dieren via gebed van hun kwalen af te helpen was tot ver in de omtrek bekend. Hij had die gave ooit ‘overgekregen’ van een oud buurvrouwtje in Maastricht, die haar eigen kinderen er niet geschikt voor vond. Een zegspersoon (geboren 1927) vertelde dat zij als kind last had gehad van umlaop, een soort eczeem aan haar bovenarm, en dat Jeu Paulussen haar er toen vanaf had geholpen. Op welke manier dat gebeurde kon zij zich niet meer herinneren.

Ook Louis Heijnen (1869-1951) was gebedsgenezer; hij zieëngelde (zegenen) bij kiespijn. Hij gebruikte hierbij een kies van een overledene, waarmee hij over de zieke kies wreef. De kies droeg hij altijd bij zich. Als hij hem kwijtraakte, ging hij bij de doodgraver een nieuwe kies halen.

2011blz52

Frans Neederlants en zijn schoonzus Agnes Neederlants-Herben. Zij woonden op ‘t Rooth, in de Peen. Frans had een schriftje met gebedjes en bezweringsformules om zieke mensen en dieren te genezen

Boekjes en schriftjes
Zoals ook al in het vorige artikel is vermeld, schreven onze voorouders de gebedjes, bezweringsformules en de bereiding van zalfjes in boekjes en schriftjes. Verschillende van die boekjes heb ik mogen inzien of kopiëren. Maar niet in alle gevallen. Men wilde er wel over praten, maar het schriftje uit handen geven, was er niet altijd bij, omdat, zoals men zei, daardoor de bezweringsformules en gebeden hun kracht zouden verliezen.

Bezweringsformules en gebeden
De ‘gebedsgenezers’ liepen niet altijd met hun gebed of bezweringsformule te koop. Tijdens ’t uëverlieëze (uitspreken van hun gebed of formule) mompelende de genezer wat voor zich uit, zodat de omstanders de juiste woorden niet konden verstaan.

Drie voorbeelden uit de vele gebedjes die we verzameld hebben:
In een schriftje nagelaten door Nes Beckers-Jans (1884-1953) lezen we een gebedje tegen brandwonden:
[ ……. Onzelieveheer en Sint-Jan reisden door het land zij vonden een die was verbrand, ze raapten hem op en blaas hem er op (naam noemen …….. en blazen). Daarna vijf Onzevaders voor de arme zielen in het Vagevuur].
In een schriftje van Frans Neederlants (1906-1978) een gebedje tegen bloedstolling:
[Men maakt het kruisteeken ter Eere God onze L. Vrouw en H.Drievuldigheid en dan zegt men: Zoowaar als Onzen Heer Jezus Christus gedoopt is door den H.Johannes in de Jordaan zijn alle wateren blijven stilstaan en nu zal het bloed van ………. (naam) ook blijven stilstaan. Dan 5 onze Vaders bidden voor 5 bloedige wonden en 7 voor de arme zielen in ’t Vagevuur].
Uit een schriftje uit Gronsveld:
[ … Ik zag drie maagden. De eerste zegde: ik zie bloed. De tweede zegde: ik zie het loopen. De derde zegde: ik zal het doen ophouden.5 onze Vaders bidden voor de arme zielen in ’t Vagevuur].

In een boekje uit Eijsden lazen wij het volgende:
Bij verstuiking van een hand of verzwikking van de voet. Spuiwen op uwen duim, verwekkende een ackt van berouw en make een kruisteeken en voelen naar de peezen der hand of voet en zegge ter eere Sint-Holin, Sint-Manskerit en Sint-Loeij. Op de voet stampe en op de hand pitse.
In dit boekje stond voorin vermeld: die het vindt is verpligt het terug te geven.

Vernagelen, besterven, doorgeven
Soms was bidden alleen niet genoeg. Zo wordt in ons dorp verteld dat Bel van ’t Geiske (geboren 1893) zieken van de geelverf kon afhelpen. Bel nam hierbij het gebed voor haar rekening, maar er moest meer gebeuren. De patiënt moest op een stuk spek urineren en het vlees aan een boom spijkeren. Als het spek vergaan was, was ook de geelverf genezen. Het vernieëgele, zoals men dat noemde, was ook een remedie die bij andere ziekten gebruikt werd, bijvoorbeeld bij kiespijn. Tijdens het bidden wreef men met een stukje stof over de zieke kies. Dit stukje stof werd ook aan een boom gespijkerd. Dat was niet zomaar een willekeurige boom, maar een boom die als ‘vernagelboom’ bekend stond. In Libeek staat nog zo een boom (de buumkesbòòm), die door mensen van Sint-Geertruid, Mheer en andere plaatsen uit de buurt gebruikt werd om op te vernieëgele.

 2011blz54

Bel van ’t Geiske (Bessems-Stheins), gebedsgenezeres voor mensen die last hadden van de geelverf.


Andere gebedsgenezers, ook in ons dorp, nagelden het spek waar iemand met geelverf op geürineerd had niet aan een boom, maar stopten het in de grond. De gedachte hierbij was dat als het vlees weggerot was, ook de geelverf verdwenen was.
In de aantekeningen van een gebedsgenezer in een naburig dorp  lezen we een heel andere remedie om van de geelverf af te komen:
Men moet een ei nemen en dat in het water van dien zieke leggen gedurende vier en twintig uren, daarna wat vet en meel erbij doen en dan eenen koek laten bakken en dien op een kruispunt gaan leggen en den eersten hond die den koek eet heeft de krankheid en men is genezen. Dan moet men bidweg gaan naar het dorp Sankt-Vith.

De gedachte dat mensen elkaar ziekten konden doorgeven, komen we vaker tegen. Als men last had van wratten op een hand, was het advies van Math Heuts: stop de hand in het wijwatervat achter in de kerk en zeg dan: iech gieëf diech. Op die manier werden de wratten doorgegeven aan een volgende kerkganger. Dat men wratten kon doorgeven aan een dode was algemeen bekend. Een goed moment daarvoor was wanneer het stoffelijk overschot onder het zingen van in paradisum deducant te angeli de kerk werd uitgedragen. Men kon dan als het lijk passeerde de wratten in gedachte overdragen. Anderen beweerden dat dit niet voldoende was, maar dat men ten minste de dode of de kist moest aanraken om de wratten te kunnen doorgeven.

Doden speelden vaker een rol bij gebedsgenezing. Een voorbeeld is ’t lièkedeukske (lijkendoekje). Dat is een doekje waar de dode kort na zijn sterven mee gereinigd was. Het doekje waar bijzondere ‘krachten’ aan werden toegeschreven, bleef in de familie op een speciale plek bewaard. Het werd alleen te voorschijn gehaald als een gezinslid ernstig ziek was. De zieke werd dan met het doekje bestreken, vaak werd daarna een stukje van het doek vernieëgeld.

Huismiddeltjes tegen grote en kleine kwalen
Over huismiddeltjes die (zouden) helpen tegen allerlei ziekten en kwalen zijn hele bibliotheken vol geschreven. Wij beperken ons hier tot de middeltjes die we in ons dorp in gesprekken en aantekeningen zijn tegengekomen.

Bekend zijn de middelen gemaakt uit planten:

Paardebloem
In een schrift uit Honthem lezen we hierover: De gekookte bladeren zijn erg smaakelijk. De wortels zijn om koffee van te maken. Medicinaal als urine drijvend middel te gebruiken. De paardenbloem wordt in onze contreien niet voor niets pisblom genoemd.

Boerenwormkruid
Lintwormen en spoelwormen kwamen vroeger in het menselijk lichaam veel meer voor dan tegenwoordig. Als iemand zich aan tafel flink te goed deed, vroeg men: Höbste soms ‘ne leentwuerem. De remedie zit in de naam van de plant: boerenwormkruid. Het kruid is niet ongevaarlijk. Een te grote dosis is giftig. Het veroorzaakt een sterke maag/darmkanaal-irritatie.

 2011blz56

Boerenwormkruid (dialectnaam: kroedwösj). Kenmerkend zijn de gele bloemhoofdjes.

Weegbree
Weegbree was het beste middel tegen diarree. De bladeren werden gekookt en afgegoten. Het afgietsel behoorde met melk ingenomen te worden. Het resultaat moest al vrij vlug merkbaar zijn

Ten slotte
Als uitsmijter een remedie uit Honthem voor kinderen die kinkhoest hadden. Hiervoor gebruikte men kelderslakken, een naakte slak met grijze en zwarte strepen die in elke (vochtige) kelder voorkwam. Men prikte in de slak waardoor meer slijm vrij kwam. Dit slijm werd opgevangen en op een stuk brood gesmeerd… Smakelijk eten!