De in opdracht van het Franse bestuur door de agents municipal opgestelde bevolkingslijsten zijn een eerste poging om tot een compleet bevolkingsoverzicht te komen. Vóór de Franse tijd waren er wel plaatselijke initiatieven geweest en ook de Romeinen hielden al volkstellingen met het oog op de te heffen belastingen, maar de schaal waarop de Fransen het aanpakten, was uniek. Om de bevolking zo eenduidig mogelijk te tellen, werden er standaardlijsten ontwikkeld.
Meestal zie je in de lijsten in de kolom ‘nummers’ de nummers van de huishoudens. Het systeem was eigenlijk als volgt: de agent die tot taak had de lijsten te maken begon bij het eerste huis van het dorp en gaf dat nummer 1. De deur werd geopend en er werd gekeken wie er woonden en wat de onderlinge verhouding was: man, vrouw, beroep, kinderen (onder de 12 jaar alleen hun aantal), knecht, meid etc. Zo werd het hele dorp en uiteindelijk het hele departement in kaart gebracht. Het was een systeem dat in Nederland nog bij de bevolkingstelling van 1931 in gebruik was.
De bevolkingstellingen van 1796 per woonkern
De overzichten per woonkern zijn letterlijke transcripties. Dat wil zeggen dat namen, beroepen etc. exact zo zijn overgenomen als ze in (soms lastig leesbaar) handschrift in de bevolkingslijsten staan.
Naast een beschrijving per woonkern geeft een tabel per kern een samenvatting naar de drie economische sectoren te weten de agrarische, ambachtelijke en dienstensector, aangevuld met ‘onbekend’ en ‘niet actief’. Dit maakt de kernen onderling goed vergelijkbaar.
Een fraai voorbeeld van hoe het bedoeld moet zijn geweest, is de lijst van ’t Rooth.

Bevolkingstlijst ’t Rooth (rond 1796)
Agent Johannes Nijssen heeft keurig alle kolommen ingevuld en er zelf nog een aan toegevoegd: links van de kantlijn staan de nummers van de huishoudens. In de kolom ‘nummers’, de eerste kolom, heeft hij de personen genummerd. Met stippellijntjes heeft hij een goed leesbaar overzicht gemaakt.
Helaas waren niet alle agents even consciëntieus. Zie bijvoorbeeld de lijst van Keer. Alhoewel absoluut keurig geschreven, is deze lijst niet alleen een zelfontworpen lijst maar kent het ook minder gegevens. De lijst van ’t Rooth laat ook zien of iemand in het gehucht geboren is, of van elders is gekomen en wanneer. De opsteller in Keer was agent Joannes Bergmans die, in staking ging uit onvrede over zijn baantje (zie ook het artikel over de bestuurlijke indeling en lokaal bestuur in de Franse tijd).

Bevolkingslijst Keer
Wordt het overzicht hiermee ook onbetrouwbaar? Dat is moeilijk te zeggen. Sommige lijsten zijn vollediger dan andere, maar er zijn geen aanwijzingen in de lijsten die wantrouwen opwekken over de betrouwbaarheid van wat er wel in staat. Maar een garantie is er niet.
De agents gebruikten niet allemaal dezelfde beroepsbenamingen en dat is soms knap lastig. Er zijn er die de lijsten invullen in het Nederlands, maar er zijn er ook die het in het Frans deden. Dat laatste was eigenlijk de bedoeling, maar niet alle agents beheersten het Frans op voldoende niveau, een doorn in het oog van de commissarissen van het departement. (1)
Bijvoorbeeld in de landbouw is er binnen de vijf kernen van het huidige Cadier en Keer sprake van cultivateur, laboureur, censier, ackerman, pachter, landbouwer, borenarbeider, daghuerder, journalier, mercenaire. Duidelijke instructies aan de agents die op pad gingen om de bevolking met hun beroepen te registreren, ontbraken kennelijk. Een leermomentje zouden we tegenwoordig zeggen.
De bevolkingstelling van Keer (2)
Keer telde 206 inwoners, 144 personen boven en tweeënzestig onder de twaalf jaar, verdeeld over 47 huishoudens. Twee woningen stonden leeg. De gemiddelde grootte van een huishouden was dus ongeveer 4,4 personen. Op een paar uitzonderingen na wordt alleen van de hoofden der huishoudens (de eerstgenoemde persoon op een adres) een beroep vermeld.
De meeste hoofden der huishoudens werkten in de landbouw: vier cultivateurs, vier landbouwers, negen boerenarbeiders en elf dagloners (daghuerder). De vraag die opkomt, is wat het verschil is tussen cultivateur en landbouwer. Waarschijnlijk is dat agent Bergmans van Keer zijn lijst begon met vier ‘cultivateurs’ om vervolgens over te gaan op de aanduiding landbouwer en ook verder alleen nog Nederlandse beroepsbenamingen te gebruiken. Recalcitrant als hij was heeft hij misschien gedacht: ik doe het niet in het Frans, maar gewoon in het Nederlands.
| Hoofden huishoudens Keer | Aantal | Procent |
| Agrarisch | 28 | 60% |
| Ambacht | 9 | 19% |
| Diensten | 1 | 2% |
| Niet actief | 8 | 17% |
| Onbekend | 1 | 2% |
| Totaal | 47 | 100% |
Blijft het verschil tussen boerenarbeider en dagloner. Een plausibele verklaring is dat een boerenarbeider een min of meer vaste betrekking had op een boerenbedrijf, terwijl de dagloner maar moest afwachten of en waar en wanneer hij werk vond.
Al deze agrarische beroepen opgeteld kunnen we vaststellen dat 28 van de 48 huishoudens hun al dan niet schamele bestaan vonden in de landbouw.
Negen huishoudens leven van de inkomsten uit een ambachtelijk beroep: twee kuipers, twee timmerlieden, drie kleermakers, een schoenmaker en een zadelmaker.
Ook de pastoor van Cadier, een nog jonge vent van 28, woont in Keer. Twee personen worden ‘eigenaar’ genoemd. Wordt hier misschien rentenier mee bedoeld? Ik heb ze als zodanig geregistreerd.
De 74-jarige man waarbij vermeld staat ‘Hollants gagarde’, is vrijwel zeker een gepensioneerde soldaat van ‘de Hollandse Garde’ die na zijn diensttijd in het Staatse leger, in Keer is gebleven. Eén hoofd wordt ‘huijsman laem’ genoemd en een ander ‘oncompabel’. Beiden waarschijnlijk geestelijk en/of lichamelijk dermate gehandicapt dat ze niet konden werken. In de tabel zijn deze als ‘Niet actief’ opgenomen. Bij één persoon staat als beroep ‘eijgenarbeijder’. Het is niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. In de tabel betekent dat ‘Onbekend’.
Van drie huishoudens is de beroepsaanduiding van het gezinshoofd ‘arm’ . In alle drie de gevallen gaat het om weduwen, één weduwe met zeven kinderen en twee weduwen met ieder één kind.
De bevolkingstelling van Cadier (3)

Bevolkingslijst Cadier
‘La commune de Cadier n’a qu’une seul ranger des maisons. Les habitans om y sont nés, on ij demeurent depuis longtemp’ is de transcriptie van de tekst in de kolom opmerkingen waarmee agent Geelen in niet geheel vlekkeloos Frans het bevolkingsoverzicht begint. ‘Cadier is een rij huizen waarvan de inwoners er al hun hele leven wonen’. Vandaar dat er in de bewonerslijst ook geen straatnaam genoemd wordt. Cadier telde 24 huishoudens met in totaal 76 inwoners: 64 boven en twaalf onder de twaalf jaar. Een huishouden was gemiddeld 3,2 personen groot. Cadier was voor 79% agrarisch, negentien van de 24 hoofden van huishoudens waren werkzaam in de landbouw: drie censiers, zes laboureurs en tien journaliers, waarbij een censier een pachtboer is. De laboureur was in de 18e eeuw een boer met een eigen stukje land en soms wat vee en een journalier een dagloner. Cadier telde twee ambachtslieden: een hoefsmid (marechal) en een timmerman (menusier). Drie personen kregen bij beroep de vermelding ‘geen’. In alle drie de gevallen betrof het een weduwe waarvan één zonder kinderen, één met één kind en één met drie kinderen.
| Hoofden huishoudens Cadier | Aantal | Procent |
| Agrarisch | 19 | 79% |
| Ambacht | 2 | 8% |
| Niet actief | 3 | 13% |
| Totaal | 24 | 100% |
De bevolkingstelling van St. Antoniusbank (4)
Het gehucht, dat in de bevolkingslijst ‘Bemelen onder Keer’ genoemd wordt, telde 21 inwoners, vijftien boven en zes onder de twaalf jaar, op vier adressen. Iets meer dan vijf personen per huishouden telde het gehucht.
Het grootste huishouden vormden de zes bewoners van de Bresdaelshoeff, een pachthoeve. Op het gebied van deze hoeve leefde ook een heremiet of kluizenaar genaamd Joannes Bucker. Van de drie andere huishoudens heeft één hoofd als beroepsaanduiding ‘arm’ en de twee andere hoofden van huishoudens zijn beiden boerenarbeider.
| Hoofden huishoudens St. Antoniusbank | Aantal | Procent |
| Agrarisch | 3 | 75% |
| Niet actief | 1 | 25% |
| Totaal | 4 | 100% |
De bevolkingstelling van Honthem (5)
De agent beschrijft het gehucht in de bevolkingslijst van Gronsveld als volgt: ‘ici suit Honthem hameau de la commune de Gronsvelt situé près Cadier sur la grande route de Limbourg.’ Oftewel: ‘Hier volgt Honthem, een gehucht in de gemeente Gronsvelt gelegen nabij Cadier aan de hoofdweg van Limburg’. Naast drie laboureurs (eigenaren van kleine boerenbedrijven) en vier mercenairs (dagloners) telde het gehucht vier ‘armen’ een ouvrier (letterlijk vertaald ‘werkman’, kennelijk anders dan dagloner) en een burgemeester. Deze 50-jarige ‘bourgemaitre’ woonde samen met zijn vrouw in bij een ‘pauvre’. (Wordt hij nog steeds burgemeester genoemd om hem niet te kwetsen? De functie bestond in ieder geval niet meer). Het gehucht telde naast 32 volwassenen veertien kinderen onder de twaalf. Met dertien huishoudens komt dit neer op gemiddeld 3,5 persoon per huishouden.
Er werd één horlogemaker vermeld als inwonend ambachtsman. Hij woonde met zijn vrouw en kind in bij een boer (laboureur) en zijn vrouw.
| Hoofden huishoudens Honthem | Aantal | Procent |
| Agrarisch | 7 | 54% |
| Diensten | 1 | 8% |
| Niet actief | 3 | 23% |
| Onbekend | 2 | 15% |
| Totaal | 47 | 100% |
De bevolkingstelling van ’t Rooth (6)
Dit gehucht valt op door zijn grote boerenbedrijven met personeel. Eén heeft maar liefst drie knechten, een dienstmeid en een schaapherder in dienst (en inwonend). Het grootste boerenbedrijf van de vijf woonkernen. Daarnaast is er nog een boerenbedrijf onder leiding van een weduwe met een dienstmeid en een schaapsherder die inwonen.
Er worden nog drie dienstmeiden genoemd. Echter als je goed kijkt, zie je dat het feitelijk dochters zijn die kennelijk hulp in de ouderlijke huishouding zijn, één bij een dagloner, één bij een timmerman en één bij een schoenmaker.
Er is ook nog één wolspinner.
Van de zeventien hoofden van huishoudens zijn er acht werkzaam in de agrarische sector. Drie zijn ambachtsman één is winkelier. Het gehucht telt maar liefst vijf weduwen met kinderen die verder zonder beroep zijn. Welvarend en heel arm liggen dicht bij elkaar.
De gemiddelde grootte van een huishouden is met zeventien huishoudens, 56 volwassenen en 25 kinderen onder de 12 jaar: 4,8 personen.
| Hoofden huishoudens ’t Rooth | Aantal | Procent |
| Agrarisch | 8 | 47% |
| Ambacht | 3 | 18% |
| Diensten | 1 | 6% |
| Niet actief | 5 | 29% |
| Totaal | 17 | 100% |
Vergelijkingen met Zuid-Limburg als geheel (7)
De gecombineerde beroepsstructuur van Cadier en Keer, Sint Antoniusbank, Honthem en ’t Rooth vergeleken met Zuid-Limburg als geheel .
Was Cadier en Keer, met Sint Antoniusbank, Honthem en ’t Rooth (hieronder verder kort samen aangeduid als Cadier en Keer) aan het eind van de achttiende eeuw een plattelandssamenleving zoals je dat kan verwachten in Zuid-Limburg, of week het af?
De vergelijking heeft betrekking op de beroepen van de hoofden van huishoudens. Van de overige personen binnen een huishouden werd maar heel af en toe een beroep vermeld.
| Cadier en Keer | Zuid-Limburg | |
| Agrarisch | 79% | 56% |
| Nijverheid | 17% | 35% |
| Diensten | 4% | 9% |
In eerste instantie laat een vergelijking van de drie economische sectoren (de agrarische sector, de ambachtelijke nijverheid en de dienstverlening) verschillen zien. De agrarische sector is groter dan gemiddeld in Zuid-Limburg en de dienstensector en nijverheid zijn kleiner. Echter als we nader inzoomen op de getallen ontstaat toch een genuanceerder beeld. In de meeste kantons was ruim 11% van de hoofden van huishoudens werkzaam als spinner of spinster. Zij waren toeleverancier voor de textielfabrieken van Clermont in Vaals. Tel daar nog eens de 2% wevers bij op in dit gebied en het wordt duidelijk dat een groot deel van het verschil veroorzaakt wordt door het ontbreken van textielnijverheid rondom Cadier en Keer.
Het is Interessant om eens te kijken naar welke ambachtslieden je zou verwachten in een plattelandssamenleving als Cadier en Keer met zijn 105 huishoudens. De ambachten die minimaal per honderd hoofden van huishoudens in de dorpen en gehuchten van Zuid-Limburg voorkomen zijn: kleermaker, schoenmaker, timmerman en smid. Deze ambachten vinden we ook in Cadier en Keer. Daarmee is Cadier en Keer exemplarisch voor Zuid-Limburg.
Alle ambachten in Cadier en Keer nader vergeleken met de Zuid-Limburgse cijfers, laten het volgende beeld zien (zie de tabel): Eén hoefsmid meer in Cadier en Keer en het aantal zou gelijk zijn geweest aan dat in Zuid-Limburg. Kleermakers zijn er verhoudingsgewijs gelijk verdeeld, kuipers weer iets meer vertegenwoordigd in Cadier en Keer. Het aantal schoenmakers valt wat tegen als we alleen naar de hoofden van huishoudens kijken, maar opmerkelijk genoeg is de enige ambachtsman woonachtig op ’t Rooth, alhoewel inwonend toch apart genoemd met zijn beroep, een schoenmaker. Je mag aannemen dat het meer dan een knechtje was. Daarmee wordt het verschil met Zuid-Limburg al wat kleiner en blijft het binnen acceptabele marges.
Timmerlieden zijn er in Cadier en Keer met 5% tegenover 1% in Zuid-Limburg vijf keer zoveel verhoudingsgewijs. Bovendien worden er ook nog eens vier inwonende timmerlieden vermeld: alle vier in Keer. Hoe dit te verklaren? Mijn verklaring zou zijn: zo dicht bij Maastricht waar ongetwijfeld veel bouwactiviteiten waren, was er veel vraag naar timmerlieden die zich in de directe omgeving van de stad vestigden en dat leidde tot een oververtegenwoordiging in de nabijgelegen dorpen vergeleken met de verder weg gelegen woonkernen.
In heel Zuid-Limburg waren er negentien zadelmakers. Een onmisbaar beroep in een tijd dat het paard het belangrijkste transportmiddel voor de mens was. Eén zadelmaker in je dorp telt aan: vandaar 2% in Cadier en Keer vergeleken met afgerond 0% in overig Zuid-Limburg.
Tot slot mag niet onvermeld blijven de horlogemaker in Honthem. Weliswaar inwonend en niet hoofd van een huishouden, maar met slechts vier horlogemakers in heel Zuid-Limburg toch een bijzonder ambacht in Cadier en Keer.
Conclusie
Cadier en Keer, samen met St. Antoniusbank, Honthem en ’t Rooth, kent met betrekking tot de beroepsstructuur duidelijke verschillen met overig Zuid-Limburg. Die zijn vooral te vinden in het geheel ontbreken van de textielnijverheid die in Zuid-Limburg een belangrijke rol speelde. Anderzijds woonden en werkten er ook bijzondere ambachtslieden: een zadelmaker, een horlogemaker en een relatief groot aantal timmerlieden. Maar belangrijker, ambachten behorende bij de achttiende eeuwse landelijke zelfvoorzienende samenleving, te weten de kleermaker, de schoenmaker, de hoefsmid, de kuiper en de timmerman ontbraken niet. Alles samen een gemiddelde Zuid-Limburgse samenleving met bijzondere uitschieters.
Geschreven door Jean Beyers, december 2025
Bron: HCL 03.01 Frans Archief inventaris nr. 1030a -1062g inwonerslijsten van gemeenten An V (1796) An V (1796) en An XI (1803)
Voetnoten:
(1) (HCL 03.01 Frans Archief 895-901 Ingekomen brieven en stukken en minuten van uitgaande brieven betreffende ‘régime municipal’, An IV (1796) – An IX (1801)
(2) 03.01 Frans Archief inv nr. 1049h
(3) 03.01 Frans Archief inv nr. 1037e
(4) 03.01 Frans Archief inv nr. 1049h
(5) 03.01 Frans Archief inv nr. 1037b
(6) 03.01 Frans Archief inv nr. 1062e
(7) Jean Beyers is in 1981 afgestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, als historicus met de specialisatie economie, op een onderzoek naar de beroepsstructuur in Zuid-Limburg eind 18e eeuw. Daarvoor is destijds gebruik gemaakt van de Franse bevolkingstellingen. De Zuid-Limburgse bevolking exclusief Maastricht was toen ongeveer vijftigduizend personen groot. De beroepsbevolking telde ongeveer tienduizend personen. Met de gegevens uit dit onderzoek is Cadier en Keer vergeleken.




