Oude gebruiken

‘ne mèshòòp (mestvaalt) met een waarde van 14,50 gulden
Huisraad rond 1850
door Jo Purnot

Veel lezers van de Keerder Kroniek hebben een speciale belangstelling voor het dagelijkse leven van hun voorouders of vroegere dorpsbewoners. Een onderdeel daarvan zijn de woonomstandigheden. Een manier om daar meer over te weten te komen is het bestuderen van boedelbeschrijvingen en advertenties van openbare verkopen. In ons archief hebben we verschillende van die beschrijvingen, waar we zo nu en dan bij het schrijven van artikelen gebruik van maken. In dit artikel zullen we een 19de eeuwse boedel eens nader onder de loep nemen.

Wat is een boedelbeschrijving?
Een boedelbeschrijving is een opsomming van roerende en onroerende goederen die bij overlijden van één van de ouders werd opgemaakt. Zo een beschrijving was verplicht als één van de erfgenamen niet aanwezig kon zijn of onder curatele of voogdij stond. Dit laatste was het geval als minderjarige kinderen in de erfenis deelden, of als iemand van de gezinsleden blind of debiel was. Een boedelbeschrijving werd opgesteld door een notaris of een beëdigde dorpsgenoot. Waren er geen minderjarige kinderen of gehandicapten, dan mochten de erfgenamen zelf de boedel beschrijven en de erfenis regelen.

Verder was het in de 19de eeuw, veel meer dan tegenwoordig, de gewoonte om na een overlijden de goederen die in het sterfhuis aanwezig waren, door een notaris openbaar te laten verkopen. Advertenties hiervoor komen we in de kranten van toen regelmatig tegen. Via deze advertenties is het dan weer gemakkelijk om in het notarieel archief de verkoopakte op te zoeken.

Het belang van boedelbeschrijvingen voor de heemkunde
Door bestudering van 18de en 19de eeuwse boedelbeschrijvingen komen we meer te weten over welk huisraad er in een huis was, welk keukengerei gebruikt werd en wat er aan de muur hing. Omdat de beschrijving per vertrek werd opgemaakt, kan daar ook vaak de woningindeling uit worden afgeleid. Verder lezen we in een boedelbeschrijving een opsomming van gereedschappen, zaden, vruchten en andere zaken in de schuur die voor de landbouw van belang zijn. Hieruit kunnen we weer afleiden hoe het land bewerkt werd en welke vruchten men teelde. Ook vertelt de beschrijving wat zich in de stallen ophield, dus de grootte van de veestapel. Vaak werd zo een boedelbeschrijving afgesloten met de vermelding van de schulden en vorderingen. Kortom, het geeft een prima beeld van de materiële toestand van het gezin van de overledene. Door de nodige  beschrijvingen binnen een bepaalde tijdsperiode naast elkaar te leggen en te bestuderen krijgt men een aardig beeld van de verschillende facetten van de sociale geschiedenis in een dorp of streek.

2012blz26

Een fragment uit een deling/boedelbeschrijving van Theodoor van Promeren en Judith van der Linden (1 december 1836). Er staat te lezen: “Beneden. In een kamer uitziende op de straat. 1. Eene Eijke klederkas geschat vijf en twintig franken. 2. Een Eijke schaap (lage kast) begroot aan dertig franken. 3. Zes Eijke houten stoelen geschat aan twaalf franken– eene lange Eijke houten tafel geschat achttien franken– een klein oud vierkantig Eijke tafeltje geschat zes franken – een houte Christus geschat vijf en twintig Centiemen – tien kleine schilderijkes geschat zamen aan twee franken – een oud spiegel geschat aan eenen frank”


Voorbeeld boedelbeschrijving
Als voorbeeld bespreken we hieronder de boedelbeschrijving van het gezin van (Johannes) Pieter Leessens (1818-1864) en zijn pas overleden echtgenote Anna Helena Schijns (1811-1851). Pieter en Anna Helena woonden in ’t Gehuuch (Sint-Antoniusbank), zie kaartje. In het gezin werden tussen 1845 en 1848 drie kinderen geboren, van wie het oudste op eenjarige leeftijd overleed. Bij de aangifte van de geboorte van zijn kinderen geeft Pieter op dat hij schoenmaker is. Evenals vele dorpsgenoten had hij naast zijn beroep  wat vee en een stukje land en verder zal hij zich in het zomerseizoen wel vermeejd (verhuurd) hebben als dagloner.

De boedelbeschrijving is opgemaakt in juli 1851, drie maanden na het overlijden van de dan 40-jarige Anna Helena. De beschrijving was verplicht omdat er twee minderjarige kinderen Joannes (6 jaar) en Nicolaas Hubertus (3 jaar) waren. De kantonrechter had wethouder en landbouwer Michaël Dobbelsteijn beëdigd om de goederen te waarderen/schatten.
 2012blz27

Kadasterkaartje van Sint-Antoniusbank (1842). Op nr. 22 ligt het huisje van Pieter Leessens en Anna Helena Schijns.
Verder op nr. 18 hun tuin en op nr. 19 hun  boomgaard. Op nr. 23 woonde de weduwe Vliex. Op nr. 24 woonde Jan Muurmans

Het boerderijtje
Uit de boedelbeschrijving kunnen we afleiden dat het boerderijtje op de benedenverdieping bestaat uit een woonkeuken en een kamertje, dat als slaapkamer dienst doet. Verder zijn er een kelder, een zolder, een varkensstal, een koestal en een schuur. Opvallend is dat in het huis van Pieter Leessens geen sprake is van ‘ne niere (een gang). Was die er niet? Of is deze niet vermeld, omdat er geen “spullen” waren die genoemd moesten worden? In andere boedelbeschrijvingen komen we de niere wel tegen.

De woonkeuken
De woonkeuken van Pieter heeft uitzicht op de mèstem (binnenplaats). In de woonkeuken staat het grootste deel van zijn meubilair en allerlei huishoudelijk gereedschap. Een opsomming: twaalf essenhouten stoelen (waarde 10 gulden) – drie wilgenhouten stoelen en een leunstoel (waarde 3 gulden) – vier essen-, wilgen- , eikenhouten tafels (waarde 3 gulden) - een olmenhouten kast (waarde 15 gulden). De eerste indruk is dat er voor zo een klein gezin nogal veel stoelen en tafels zijn (we komen daar later op terug). Ook was het blijkbaar belangrijk te weten van welke houtsoort het meubilair was gemaakt.
 
2012blz28 Verder komen we, zoals in elk katholiek gezin, een Christusbeeld, kandelaars en een wijwatervaatje tegen. Maar ook een klok zonder kast (waarde twee gulden), zes schilderijen (waarde 60 cent) en een spiegel.

Voor de verlichting zorgde een kènking (ouderwetse petroleum- of olielamp). Van elektriciteit was natuurlijk nog geen sprake, het zou nog bijna zeventig jaar duren eer het zover was. Ook stond er geen kachel, er werd gekookt op open vuur. Er was waarschijnlijk een haardstede waarin boven het open vuur aan een stevige ketting met haak (de haolkètting) een ijzeren ketel hing. Dat klopt ook met de boedelbeschrijving waarin genoemd wordt: een lang kachelijzer, zeven ijzeren ketels en ijzeren kettingen. Ook is er sprake van een zwaveldoos (soort lucifersdoos) en een zwavelspuit (?).
Het open vuur zorgde niet alleen voor warmte in de winter, maar men moest er ook op koken. Dat had consequenties voor het dagelijks menu; het ‘warm eten’ bestond voornamelijk uit éénpotsgerechten, soep en pap. Het open vuur was niet zonder gevaar. Er gebeurden nogal wat ongelukken mee, soms met dodelijke afloop; vooral kinderen waren de ongelukkigen. Ook menige oorzaak van woningbrand lag bij het open vuur. Voorbeelden hiervan in ons dorp zijn er legio.

 
2012blz29

Tekening van een open haard met de zware ijzeren ketel aan de haolkètting;
de schoorsteengordijntjes ontbreken.
Rechts in de hoek een hoopje fomme (briketten van kolengruis en leem)



Zetten we de ‘zoektocht’ in de woonkeuken voort dan komen we nogal wat tinnen spullen tegen, zoals tinnen kannen, kandelaars, een theepot en theeketel, een melkpot, een mosterdpot, vijftien soeplepels, een juskom, een soepkom en lepel. Van koper zijn: een koffiepot, een theeketel, een pan en kandelaars. Ander aanwezig eetgerei: tien ijzeren vorken, zeven messen, zestien borden, vier kommen en een schotel.

Verder waren in de woonkeuken zeven emmers met ijzeren en koperen banden, vijftien tassen (kopjes), een melkpot, een suikervat, een zoutvat, een koffiemolen en nog allerlei kleiner spul. Bovendien tien grote en negen halve bierglazen en achttien jeneverglaasjes.

Het eetgerei
Voor het kleine gezin van Pieter Leessens was er meer dan voldoende eetgerei in huis. De eetgewoonten waren 150 jaar geleden flink anders dan tegenwoordig. Natuurlijk, het mets (mes) kende men al in de prehistorie, toen de jagers een stenen mes nodig hadden om de huid van het vlees van hun prooi af te schrapen. De lieëpel (lepel) gebruikte men al in de middeleeuwen om pap en soep te eten. De fersjèt (vork) werd door de gewone man pas gebruikt toen aardappelen in de 17de eeuw tot het dagelijks menu gingen behoren. Wat de teleure (borden) betreft weten we dat tot midden vorige eeuw op de grote boerderijen het boerengezin gescheiden at van het personeel. Dit personeel moest dan vaak nog uit één pan of ketel eten omdat ze geen bord ter beschikking hadden.

De mèstem (binnenplaats)
Op de mèstem waar de woonkeuken op uitkeek, liepen elf hennen (waarde vier gulden) rond en lag ‘ne mèshòòp (mestvaalt) met een waarde van 14,50 gulden. In de tijd dat er nog geen kunstmest was, zei men: ‘ne mèshòòp is gòòd vuur de boer (een mesthoop is goud voor de boer).

De mestvaalt lag in het algemeen in het midden van de koèr, zoals de mèstem ook wel genoemd werd. Op de mestvaalt kwam niet alleen stalmest, maar ook keukenafval en ander organisch afval terecht. Dit afval trok ratten en in de zomer vliegen en ander oongesiefer (ongedierte) aan. Ook was er vaker, vooral bij de grotere boeren, sprake van ‘n mèskojl of setèr (open mestkuil) waar ook gier in terecht kwam. Enkele keren per jaar moest de mèskojl dan ‘leeggereden’ worden. Bij ongunstig weer kon men dan tot ver in de omgeving van de stank ‘meegenieten’; “’t ruuk heej gezoond” (het ruikt hier gezond), zei men dan.

De kleine kamer
De kleine kamer die op de tuin uitkeek deed ook dienst als slaapkamer.
We komen daar in de boedelbeschrijving een kersenboom kommood (lage kast op poten met twee of meer laden) tegen (waarde 4,50 gulden). Een vederen bed met gordijnen, bedstede met toebehoor (waarde 10 gulden), twee spiegels en eenen korf (waarde 50 cent).

 
2012blz31a Buiten het meubilair stond daar ook nog een varkestíjn (kuip waar varkensvoer in klaargemaakt werd) en een waschkuip (waarde een gulden), een draaivat (zes gulden) en twintig pond varkenschvleesch (waarde 9,50 gulden).
Draaivat om boter te bereiden  

Een veren bed/matras was in de gegoede kringen meestal gevuld met ganzenveren. De gewone man moest tevreden zijn met een strozak (vaak roggestro). Zo een strozak komen we hierna in de koestal tegen. Kleine kinderen sliepen, tot ergernis van de katholieke kerk, tussen of bij de ouders.
 
2012blz31b Een bedstede of alkoof (in het Keerder dialect bèddekoetsj genoemd) was vaak vrij klein, omdat het gebruikelijk was dat men halfzittend sliep. Liggend slapen was een houding die men associeerde met de dood. Ook was men bang dat liggend slapen levensbedreigend was, omdat er te veel bloed naar de hersenen stroomde.
bèddekoetsj  
De koestal
In de koestal stonden een grijze bonte koe (waarde 45 gulden) en een zwart rund (waarde 25 gulden). Verder was in de stal een bed met strozak, bedstede en toebehoren (waarde vijf gulden) en boerengereedschap zoals: koekettingen, koekepan, een zessel (hakbijl met korte steel), een zaag, een riek, twee schoppen, een mesthaak en een aaks (hakbijl) (waarde 2,50 gulden).

We kunnen er alleen maar naar gissen wie in de bedstede en wie in de koestal sliep. Was het de dienstmeid Sophia Deckers die na het overlijden van de vrouw des huizes bij Pieter Leessens was komen inwonen? Of was het Pieter zelf? In ieder geval was het niet vreemd dat personeel in de stal bij het vee sliep. Zeker voor de paardenknecht was het zelfs gebruikelijk dat zijn bed in de vrí-j (de plaats waar het voer van het paard bewaard werd) stond.

De schuur
In de schuur treffen we aan: twee vlegels en gaffels, een kruiwagen, een schoffel en een draaisteen (slijpsteen). Het was hartje zomer toen de boedelbeschrijving opgemaakt werd, de schuur was (nog) leeg.

 
2012blz32a 2012blz32b


De varkensstal
In de stal waren een varken en een varkenstrog (waarde twaalf gulden).

De kelder
In de kelder stonden achttien aarden baren (stenen potten), vier aarden boterpotten, een melkstelling en een pot met vijf pond vet (waarde 2 gulden). Ook bewaarde Pieter er twaalf Nederlandsche kannen jenever (waarde 3,85 gulden).

Pieter had blijkbaar nogal wat drank nodig. Zo noteerde de notaris dat hij een openstaande rekening van 36,62 gulden had bij Gadiot uit Scharn voor geleverde jenever. Ook de bierbrouwer Bemelmans had voor 13,06 gulden bier geleverd dat nog betaald moest worden. Zetten we de drankkosten af tegen de begrafeniskosten voor Anna Helena die 55,56 gulden bedroegen, dan waren dat toch fikse bedragen. Het kan zijn dat die drank niet alleen voor eigen gebruik was, maar dat Pieter ook anderen van een drankje voorzag. Vandaar misschien ook het groot aantal stoelen en tafels in de woonkeuken.

De zolder
Op zolder lagen 51 bossen hooi, twee wilgenhouten kisten, een moelje (bak waarin deeg gekneed werd), vier kuipen, een boterloop (bak om boter in te kneden), vijf doeken zakken en een weeg (waarschijnlijk een weegschaal) en een ouden kagchel, een kist met kleren (waarde 23 gulden), een hekselkist met mes (kist waarin verschillende soorten stro met een mes gesneden werd), de schoorsteen- en venstergordijnen, zeven mudden aardappelen (waarde 10 gulden), bijna acht mudden tarwe (waarde 62 gulden).

 2012blz33
 
In het veld
Op het veld had Pieter nog 56 roeden tarwe en 48 roeden rogge staan (samen ter waarde van 66 gulden). Verder had hij op gemeentegrond nog vijf wassende kanadas boomen (waarde 21,50 gulden).

De afrekening
Alle roerende bezittingen werden geschat op 444,35 gulden. Daar tegenover stonden openstaande rekeningen voor een bedrag van 263,24 gulden. Dat betrof pacht, de eerder genoemde openstaande rekeningen voor geleverde jenever, bier en de begrafeniskosten. Ook moest hij nog 28,84 gulden betalen voor geleverd leer. Dat wijst erop dat hij toch nog de stiel van schoenmaker uitoefende, ondanks dat we hiervoor geen gereedschap in de boedelbeschrijving tegenkomen. Vreemd is ook dat er geen openstaande rekeningen waren van klanten. Want vroeger was het gebruikelijk dat men maar een of twee keer per jaar rekeningen betaalde. Tot slot was hij nog 80,98 gulden aan zijn vader verschuldigd, omdat deze voor hem granen, stro, aardappelen en het varken had betaald. Trekken we de schulden van de waarden van de roerende goederen af dan blijft een positief bedrag over van 181,11 gulden.
Na de boedelbeschrijving verklaren de toeziend voogd van de kinderen, hun oom, de hoefsmid Joannes Schijns en de dienstmeid Sophie Deckers dat er geen andere goederen in huis aanwezig waren.

Dertien jaar later
In 1864 overlijdt de dan 46-jarige Pieter in Margraten. Hij is inmiddels hertrouwd met Anna Helena Breuls. Zoals toen gebruikelijk was bij een overlijden schreef de belastingdienst voor dat een Memorie van Successie werd opgemaakt. In dit document komen we opnieuw een aantal ‘spullen’ van de boedelbeschrijving van dertien jaar eerder tegen. Weliswaar was het meubilair flink verminderd, maar de zes schilderijtjes waren er nog, ze worden nu geschat op 90 cent. Ook de klok zonder kast is een gulden meer waard. Over het Christusbeeld wordt niet meer gerept, wel over twee kruisbeelden.
 
2012blz34 Nieuw zijn ook een strijkijzer en een stoof.
De begrafeniskosten van Pieter waren bijna drie keer hoger dan die van zijn eerste vrouw, Anna Helena Schijns. Tussen die kosten (144,93 gulden) komen we een doodskleed (waarde drie gulden) tegen. Pieter was blijkbaar in het ziekbed overleden, want aan de geneesheer en apotheker moest nog 10 gulden betaald worden.

Overigens, zijn huis, tuin en boomgaard in Sint-Antoniusbank (gemeente Cadier en Keer) werd geschat op 1000 gulden.


2012blz35

Het huis van Pieter Leessens is decennia geleden afgebroken en opnieuw opgebouwd.
Nu Sint-Antoniusbank nr. 7

Ten slotte
Pieter Leessens gaf bij de geboorte-aangiftes van zijn kinderen als beroep op: schoenmaker. Een aanwijzing in de boedelbeschrijving hiervoor is dat hij nog een openstaande rekening van 28,84 gulden moet betalen voor aangeschaft leer. Vreemd is dat we geen gereedschap tegenkomen. Hoewel een schoenmaker niet zo veel gereedschap nodig had, zou dat er wel moeten zijn. Een aparte werkplaats was niet nodig, want we weten uit ander onderzoek dat in de 19de eeuw een schoenmaker zijn vak gewoon in een hoek in de woonkeuken uitoefende. Op zaterdagavond werd het materiaal aan de kant gezet, waarna het op maandagmorgen weer te voorschijn werd gehaald.

Bron:
Boterloop: "Collectie De Zuiderkempen, www.hetvirtueleland.be"
Tekening open haard: Oet vreuger jaore, deel 10. H.W.A. Lemmerling
Gebruikers
5
Artikelen
1946
Artikelen bekeken hits
5682710

Today 31

Yesterday 57

Week 137

Month 503

All 101596

Currently are 48 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME