Jaargang 5 bladzijde 182
Welke waterput was vervuild in 1845?
door Sjeuf Felder
Begin maart 1845 heerste in Cadier en Keer een onbekende ziekte die veel slachtoffers maakte (zie Keerder Kroniek, jrg. 1998-199, pag. 119-124).
Eén van de geneesheren die een onderzoek instelden naar de ziekte veronderstelde dat vervuild water uit een waterput de oorzaak was. Onderzoek kon dat echter niet aantonen, zodat het een vraag bleef of putwater wel de oorzaak was. bijna even moeilijk was het om vast te stellen, welke put eventueel vervuild kon zijn. Vooral het ontbreken van gegevens over particuliere waterputten in het dorp bemoeilijkte dat.
Gemeentelijke waterputten
In 1857 waren er in Cadier en Keer, volgens de notulen van de gemeenteraad, twee gemeentelijke waterputten. Op 24 december 1857 besloot de gemeenteraad namelijk het volgende: “Overwegende dat de twee gemeenteputten zonder dak zijn, waardoor er boombladeren en andere vuiligheid in het water komt, dat dezelve dus dringend een dakwerk van lood nodig maakt, om reden de bekleding met pannen slechts over enige tijd, volgens ondervinding duurt, besluit omdat men een batig saldo heeft, tot het maken van 2 daken op de gemeenteputten met lood”. Eén van die putten stond ‘onder in het dorp’. De put ‘onder in het dorp’ ook wel ‘onderste put’ genoemd, lag in de Oondersjtraot, nu Dorpsstraat, ongeveer 50 meter vanaf de Rijksweg aan de rechterkant. De put ‘boven in het dorp’, de ‘bovenste put’ genoemd lag boeëve in de Väörsjtraot, nu Kerkstraat geheten, bijna op de plaats waar de Kerkstraat en de Limburgerstraat (Echtersjtraot) bij elkaar komen.  Bij de kerk was er in die tijd geen gemeentelijke waterput. Onbekend is, welke particuliere waterputten er toen in het dorp aanwezig waren. Omdat waterputten kostbaar waren, konden overigens maar weinig particulieren een waterput aanleggen.
De aanleg van een derde gemeentelijke waterput heeft heel wat moeite en beraadslagingen gekost. Op 16 februari 1869 besloten Burgemeester en Wethouders van Cadier en Keer “een voorstel te doen aan de gemeenteraad om een gemeenteput te maken boven in het dorp omtrent het huis van Veassens”. Op  7 september 1869 besloot de gemeenteraad een nieuwe waterput aan te leggen, maar in de verslagen van de volgende vergadering op 28 oktober 1869, staat dat “inzake de put de genomen besluiten door de raad verworpen zijn”. Er staat niet waarom de besluiten weer teruggedraaid werden, maar aan te nemen is dat sommige raadsleden terugdeinsden voor de kosten die het maken van een put met zich meebrachten. Naar het schijnt heeft men toen gewacht op nieuwe verkiezingen, alvorens weer beraadslagingen over de waterput aan de kerk plaatvonden. Immers pas op 27 mei 1873 is in de raad opnieuw gesproken over de put. Men besluit dan “een put te maken met rollen”. Enkele raadsleden hadden echter nog steeds bezwaar vanwege de “overgrote kosten”. Weer anderen meenden dat “brandputten”ook een oplossing boden.
Foto
De oude waterput bij de kerk.
Pas op 17 oktober 1873 werd het besluit genomen om de put aan de kerk te laten maken en aan te besteden “om het putwater met windaskettingemmers op te putten”. De werkzaamheden werden opgedragen aan Egidius Vliegen. Tot aanbesteding van de put werd ten slotte besloten in de vergadering van 15 april 1874. In deze aanbesteding, ten bedrage van 670 gulden, werden overigens ook de twee andere gemeentelijke waterputten in het dorp betrokken. In de raadsverslagen is niet vermeld, wat er bij de twee andere gemeenteputten moest gebeuren. Van provinciale zijde werd echter dringend geadviseerd de waterputten uit hygiënisch oogpunt te voorzien van windassen met kettingen en emmers. Op 11 juni 1874 besloot de gemeenteraad dan ook “de aanbesteding van de putten zonder ketting op 670 gulden en voor het leveren van de kettingen 100 gulden te stellen”. In de raadsverslagen is niet genoteerd, wanneer de waterput bij de kerk in gebruik genomen was. Pas op 27 februari 1887 komt de waterput bij de kerk in de notulen weer ter sprake: “De burgemeester draagt voor om van nu af een draadkoord voor de put aan de kerk te bestellen omdat men soms drie maanden in afwachting moet blijven van het bestelde en omdat, als de ketting versleten is, de meest menschen die aldaar hun putwater halen zouden van water verstoken zijn”. De raad vindt het voorstel goed onder voorwaarde “te zien of die van de onderste put niet kan worden gebruikt”. Aangezien de waterput niet in aanmerking voor de vervuiling die eventueel de ziekte in 1845 veroorzaakte. Opmerkelijk is het overigens dat indertijd niemand bezwaar maakte tegen de aanleg van deze nieuwe put zo vlak naast het kerkhof (ook de Provincie niet).
Welke put dan wel?
Vast staat dus dat er in 1845 geen gemeentelijke put bij de kerk was. Of er een particuliere put bij de kerk aanwezig was, is onbekend, maar het lijkt twijfelachtig. Waarom zou men in 1874 besluiten om nog een put te slaan bij de kerk als er al een aanwezig was? Het aanleggen en onderhouden van een waterput was duur. Dat het aanleggen en het onderhoud van een put inderdaad hoge kosten met zich meebracht, blijkt ook uit het besluit van Burgemeester en Wethouders om in 1879 de belasting (‘hoofdelijke omslag’) te verhogen voor het onderhoud van de putten met het argument, dat ook de ingezetenen daarbij gebaat waren.
Inderdaad, goed onderhoud van de putten was duur maar zeer belangrijk voor de gezondheid. Dat onderhoud nodig was, blijkt al uit het feit dat men in 1857 daken op de twee gemeentelijke waterputten moest maken. Als één van de waterputten de oorzaak van de ziekte in 1845 is geweest, dan mag men veronderstellen dat een van beide dakloze putten in aanmerking kwam en aangezien de meeste slachtoffers in de kern van het dorp vielen, is het meest waarschijnlijk dat de ‘bovenste put’ in de Kerkstraat de boosdoener is geweest.
Foto
De herbouw van de put bij de kerk in 1994.
Van links naar rechts: Etienne Ackermans, Leon Wintjens, Victor Speetjens en Jef Gilissen (va Pie).
Het water in een put kon gemakkelijk vervuilen door vallende boombladeren en andere vuiligheid, vooral als er geen dak op was (zie raadsbesluit van 24 december 1857). Meestal leverde een dergelijke vervuiling niet al te veel problemen op. Boombladeren zullen voor de volwassenen die van kind af aan gewend waren water uit de put te drinken, weinig ongemak veroorzaakt hebben. Voor kleine kinderen kan dergelijk vervuild water echt wel levensbedreigend geweest zijn. Kindersterfte, zonder dat men de oorzaak van de dood kende, was in die tijd vrij hoog. De oorzaak van het sterven van kleine kinderen werd zeer zeker niet bij het putwater gezocht, want iedereen dronk immers het water uit een van de putten. Voor volwassenen was het alleen gevaarlijk als er een dier in de put terecht kwam en in het putwater stierf. Door verrotting kon dan het putwater sterk vergiftigd worden. Het nuttigen van dergelijk vervuild water in ongekookte toestand was soms dodelijk. Het is daarom niet verwonderlijk dat één van de geneesheren die het onderzoek deden naar de onbekende ziekte tot de slotsom kwam, dat vervuild water uit een put wel eens de oorzaak kon zijn. Onderzoek van watermonsters uit de put, ongeveer een maand nadat inwoners ziek werden, leverde toentertijd echter geen verontrustende uitkomsten op. De gouverneur besloot dan ook om op 15 maart van dat jaar de put weer open te stellen. Nergens is vermeld dat men maatregelen getroffen heeft om een dergelijke onbekende ziekte in de toekomst te voorkomen. Men wist immers niet, waardoor de ziekte ontstaan was.
Bronnen en literatuur:
Lei Haesen: Onbekende ziekte eist veel slachtoffers, Keerder Kroniek, jrg. 1998-1999, pag.199-124.
Notulen gemeenteraadsverslagen van Cadier en Keer 1825-1947
Register besluiten gemeenteraad van Cadier en Keer 1825-1947
Notulen van B. en W. vergaderingen van Cadier en Keer 1825-1947.
door Sjeuf Felder

Begin maart 1845 heerste in Cadier en Keer een onbekende ziekte die veel slachtoffers maakte (zie Keerder Kroniek, jrg. 2, pag. 119-124). Eén van de geneesheren die een onderzoek instelden naar de ziekte veronderstelde dat vervuild water uit een waterput de oorzaak was. Onderzoek kon dat echter niet aantonen, zodat het een vraag bleef of putwater wel de oorzaak was. Bijna even moeilijk was het om vast te stellen, welke put eventueel vervuild kon zijn. Vooral het ontbreken van gegevens over particuliere waterputten in het dorp bemoeilijkte dat.

 

Gemeentelijke waterputten
In 1857 waren er in Cadier en Keer, volgens de notulen van de gemeenteraad, twee gemeentelijke waterputten. Op 24 december 1857 besloot de gemeenteraad namelijk het volgende: “Overwegende dat de twee gemeenteputten zonder dak zijn, waardoor er boombladeren en andere vuiligheid in het water komt, dat dezelve dus dringend een dakwerk van lood nodig maakt, om reden de bekleding met pannen slechts over enige tijd, volgens ondervinding duurt, besluit omdat men een batig saldo heeft, tot het maken van 2 daken op de gemeenteputten met lood”. Eén van die putten stond ‘onder in het dorp’. De put ‘onder in het dorp’ ook wel ‘onderste put’ genoemd, lag in de Oondersjtraot, nu Dorpsstraat, ongeveer 50 meter vanaf de Rijksweg aan de rechterkant. De put ‘boven in het dorp’, de ‘bovenste put’ genoemd lag boeëve in de Väörsjtraot, nu Kerkstraat geheten, bijna op de plaats waar de Kerkstraat en de Limburgerstraat (Echtersjtraot) bij elkaar komen.  Bij de kerk was er in die tijd geen gemeentelijke waterput. Onbekend is, welke particuliere waterputten er toen in het dorp aanwezig waren. Omdat waterputten kostbaar waren, konden overigens maar weinig particulieren een waterput aanleggen.De aanleg van een derde gemeentelijke waterput heeft heel wat moeite en beraadslagingen gekost. Op 16 februari 1869 besloten Burgemeester en Wethouders van Cadier en Keer “een voorstel te doen aan de gemeenteraad om een gemeenteput te maken boven in het dorp omtrent het huis van Vaessens”. Op  7 september 1869 besloot de gemeenteraad een nieuwe waterput aan te leggen, maar in de verslagen van de volgende vergadering op 28 oktober 1869, staat dat “inzake de put de genomen besluiten door de raad verworpen zijn”. Er staat niet waarom de besluiten weer teruggedraaid werden, maar aan te nemen is dat sommige raadsleden terugdeinsden voor de kosten die het maken van een put met zich meebrachten. Naar het schijnt heeft men toen gewacht op nieuwe verkiezingen, alvorens weer beraadslagingen over de waterput aan de kerk plaatvonden. Immers pas op 27 mei 1873 is in de raad opnieuw gesproken over de put. Men besluit dan “een put te maken met rollen”. Enkele raadsleden hadden echter nog steeds bezwaar vanwege de “overgrote kosten”. Weer anderen meenden dat “brandputten” ook een oplossing boden.

jrg5blz183
De oude waterput bij de kerk.

 Pas op 17 oktober 1873 werd het besluit genomen om de put aan de kerk te laten maken en aan te besteden “om het putwater met windaskettingemmers op te putten”. De werkzaamheden werden opgedragen aan Egidius Vliegen. Tot aanbesteding van de put werd ten slotte besloten in de vergadering van 15 april 1874. In deze aanbesteding, ten bedrage van 670 gulden, werden overigens ook de twee andere gemeentelijke waterputten in het dorp betrokken. In de raadsverslagen is niet vermeld, wat er bij de twee andere gemeenteputten moest gebeuren. Van provinciale zijde werd echter dringend geadviseerd de waterputten uit hygiënisch oogpunt te voorzien van windassen met kettingen en emmers. Op 11 juni 1874 besloot de gemeenteraad dan ook “de aanbesteding van de putten zonder ketting op 670 gulden en voor het leveren van de kettingen 100 gulden te stellen”. In de raadsverslagen is niet genoteerd, wanneer de waterput bij de kerk in gebruik genomen was. Pas op 27 februari 1887 komt de waterput bij de kerk in de notulen weer ter sprake: “De burgemeester draagt voor om van nu af een draadkoord voor de put aan de kerk te bestellen omdat men soms drie maanden in afwachting moet blijven van het bestelde en omdat, als de ketting versleten is, de meest menschen die aldaar hun putwater halen zouden van water verstoken zijn”. De raad vindt het voorstel goed onder voorwaarde “te zien of die van de onderste put niet kan worden gebruikt”. Aangezien de waterput niet in aanmerking voor de vervuiling die eventueel de ziekte in 1845 veroorzaakte. Opmerkelijk is het overigens dat indertijd niemand bezwaar maakte tegen de aanleg van deze nieuwe put zo vlak naast het kerkhof (ook de Provincie niet).

Welke put dan wel?
Vast staat dus dat er in 1845 geen gemeentelijke put bij de kerk was. Of er een particuliere put bij de kerk aanwezig was, is onbekend, maar het lijkt twijfelachtig. Waarom zou men in 1874 besluiten om nog een put te slaan bij de kerk als er al een aanwezig was? Het aanleggen en onderhouden van een waterput was duur. Dat het aanleggen en het onderhoud van een put inderdaad hoge kosten met zich meebracht, blijkt ook uit het besluit van Burgemeester en Wethouders om in 1879 de belasting (‘hoofdelijke omslag’) te verhogen voor het onderhoud van de putten met het argument, dat ook de ingezetenen daarbij gebaat waren.  Inderdaad, goed onderhoud van de putten was duur maar zeer belangrijk voor de gezondheid. Dat onderhoud nodig was, blijkt al uit het feit dat men in 1857 daken op de twee gemeentelijke waterputten moest maken. Als één van de waterputten de oorzaak van de ziekte in 1845 is geweest, dan mag men veronderstellen dat een van beide dakloze putten in aanmerking kwam en aangezien de meeste slachtoffers in de kern van het dorp vielen, is het meest waarschijnlijk dat de ‘bovenste put’ in de Kerkstraat de boosdoener is geweest.

jrg5blz185                        

De herbouw van de put bij de kerk in 1994.
Van links naar rechts: Etienne Ackermans, Leon Wintjens, Victor Speetjens en Jef Gilissen (va Pie).

 Het water in een put kon gemakkelijk vervuilen door vallende boombladeren en andere vuiligheid, vooral als er geen dak op was (zie raadsbesluit van 24 december 1857). Meestal leverde een dergelijke vervuiling niet al te veel problemen op. Boombladeren zullen voor de volwassenen die van kind af aan gewend waren water uit de put te drinken, weinig ongemak veroorzaakt hebben. Voor kleine kinderen kan dergelijk vervuild water echt wel levensbedreigend geweest zijn. Kindersterfte, zonder dat men de oorzaak van de dood kende, was in die tijd vrij hoog. De oorzaak van het sterven van kleine kinderen werd zeer zeker niet bij het putwater gezocht, want iedereen dronk immers het water uit een van de putten. Voor volwassenen was het alleen gevaarlijk als er een dier in de put terecht kwam en in het putwater stierf. Door verrotting kon dan het putwater sterk vergiftigd worden. Het nuttigen van dergelijk vervuild water in ongekookte toestand was soms dodelijk. Het is daarom niet verwonderlijk dat één van de geneesheren die het onderzoek deden naar de onbekende ziekte tot de slotsom kwam, dat vervuild water uit een put wel eens de oorzaak kon zijn. Onderzoek van watermonsters uit de put, ongeveer een maand nadat inwoners ziek werden, leverde toentertijd echter geen verontrustende uitkomsten op. De gouverneur besloot dan ook om op 15 maart van dat jaar de put weer open te stellen. Nergens is vermeld dat men maatregelen getroffen heeft om een dergelijke onbekende ziekte in de toekomst te voorkomen. Men wist immers niet, waardoor de ziekte ontstaan was.

Bronnen en literatuur:
Lei Haesen: Onbekende ziekte eist veel slachtoffers, Keerder Kroniek, jrg. 1998-1999, pag.199-124.
Notulen gemeenteraadsverslagen van Cadier en Keer 1825-1947
Register besluiten gemeenteraad van Cadier en Keer 1825-1947
Notulen van B. en W. vergaderingen van Cadier en Keer 1825-1947
.

 

Gebruikers
5
Artikelen
1994
Artikelen bekeken hits
6797905

Today 1

Yesterday 32

Week 260

Month 1016

All 115391

Currently are 36 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME