Historie
door Fons Meijers

Over de ontstaansgeschiedenis van Cadier is weinig bekend. Het enige dat ‘zwart op wit’ ín de archieven is terug te vinden, is dat Cadier op 1 juli 1266 een zelfstandige parochie is geworden. Dat weten we uit de stichtingsakte van de parochie Cadier. Vóór die tijd behoorde het dorp Cadier tot de parochie Heugem. Hoe lang Cadier al tot deze parochie behoorde en in welk jaar en door wie Cadier is gesticht, weten we niet. De archieven die hierover uitsluitsel zouden moeten geven, zijn verloren gegaan. Bovendien is het onderzoek dat tot nu toe is gedaan naar de ontstaansgeschiedenis van Cadier niet erg betrouwbaar.
In dit artikel wordt een poging gedaan om iets verder te komen in het beantwoorden van de vragen, wie Cadier heeft gesticht en wanneer dat is gebeurd. Daarvoor is het nodig eerst een stukje algemene geschiedenis te schetsen. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van dorpen in de omgeving van Cadier. De zo verkregen informatie wordt vervolgens doorvertaald naar Cadier.
De ontstaansgeschiedenis van Keer wijkt deels af van die van Cadier. In het volgende jaarboek van de Keerder Kroniek zal hierover een artikel worden opgenomen.

1. De tijd van Karel de Grote
Voor de ontstaansgeschiedenis van Cadier moeten we terug naar de tijd, waarin de kiem is gelegd voor veel nieuwe ontwikkelingen; de tijd van Karel de Grote, die leefde van 748 tot 814. De plek waar later Cadier is gesticht, bestond toen nog uit een onontgonnen bosgebied. Karel de Grote heeft daarin géén verandering gebracht. Maar deze koning, later keizer, heeft er wel voor gezorgd dat ontwikkelingen op gang kwamen die, achteraf gezien, van grote betekenis zijn geweest voor de stichting van vele dorpen in onze streken en ook van Cadier.

Sterke bevolkingsgroei.
Door zijn vele veroveringen en door de manier waarop hij zijn rijk bestuurde, heeft Karel de Grote gezorgd voor een stijging van de welvaart, die gepaard ging met een groei van de bevolking. Die bevolkingsgroei heeft zich, ook na Karel de Grote, nog enkele eeuwen doorgezet. Zij is de aanleiding geweest voor grote veranderingen die zich, in de bloeiperiode van de middeleeuwen (tussen 950 en 1250 met als hoogtepunt de twaalfde eeuw), ook in onze streken, hebben voorgedaan.

2006blz97

Keizer Karel de Grote (748 –814) zorgde ook in onze streken voor groei van de welvaart en van de bevolking

Gebied Aken-Maastricht- Luik
Eén van de gebieden die hebben meegeprofiteerd van de toenemende welvaart, was het gebied Aken-Maastricht-Luik. Dit gebied heeft zich in de tijd van Karel de Grote ontwikkeld tot één van de kerngebieden van zijn grote rijk. Dat kwam in de allereerste plaats door Aken, waar de koning zijn hoofdzetel had. Vanaf rond 800, nadat hij veel last van jicht had gekregen, verbleef Karel de Grote bijna uitsluitend in Aken. Daardoor werd deze stad het grote aantrekkingspunt voor iedereen die met de keizer iets te maken had.

Maastricht is in de tijd van Karel de Grote een van de belangrijkste handelscentra van het rijk van de koning geworden. Dat kwam door de gunstige ligging van Maastricht aan het kruispunt van de Maas en de Romeinse heirwegen. Bovendien groeide Maastricht uit tot een druk bezocht bedevaartsoord, vanwege het daar aanwezige graf van Sint-Servaas.

Luik had zich in de tiende en elfde eeuw zowel economisch als cultureel een belangrijke positie verworven. Deze stad was het centrum van de Luikse gouw. Dat was het gebied, dat werd begrensd door de Geul in het noorden, Aken in het oosten, de Maas in het westen en Luik in het zuiden.

Goed voor de groei van de welvaart in het gebied Aken-Maastricht-Luik was ook dat de Romeinse heirwegen zorgden voor goede onderlinge verbindingen. Dat was vooral goed voor de handel. Door de groeiende welvaart kon ook de landbouw zich goed ontwikkelen.

De standenmaatschappij
Dat Karel de Grote zo een groot rijk heeft kunnen opbouwen, kwam mede door de wijze waarop hij de maatschappij had ingericht. Hij heeft daarvoor gebruik gemaakt van een systeem, dat was ontstaan in de achtste eeuw en dat later het feodale stelsel of leenstelsel is gaan heten. Kenmerkend voor dit stelsel was de grote macht van de grondeigenaren. Deze leenden hun grond alleen tijdelijk uit aan ‘leenmannen’, op voorwaarde dat ze beloofden trouw te blijven aan de ‘leenheer’.
Karel de Grote heeft het feodale stelsel aangewend om de ‘aanzienlijken’, vooral uit zijn leger, aan zich te binden. Deze personen kregen van de koning niet tijdelijk maar levenslang grond in bruikleen. Zij werden de leenmannen van de koning. In ruil daarvoor legden de leenmannen een eed af dat zij het nieuw verkregen gebied in naam van de koning zouden besturen en dat zij de koning op het slagveld bij zouden staan. Uit deze plaatselijke vertegenwoordigers van de koning is later de adelstand ontstaan.

De adelstand was één van de drie standen in de maatschappij van die tijd. De andere standen waren de geestelijkheid en de burgerij. Onder burgerij werden verstaan: de vrije boeren, de handelaren en de ambachtslieden.

Het feodale stelsel en de standenmaatschappij hebben zich, na Karel de Grote, verder ontwikkeld. Rond het jaar 1000 waren er overigens nog niet veel vrije boeren, die in een eigen boerderij konden wonen. De meeste kleine boeren waren horigen, die zich hadden`opgedragen' aan een heer. Zij deden dat om bescherming te zoeken tegen het aanhoudende gevaar van roversbenden en van rondtrekkende soldaten van vijandige legers. Als er gevaar dreigde mochten zij zich met hun vrouw, kinderen en kostbaarste bezittingen in de burcht van de heer in veiligheid brengen.

2006blz99
De meeste kleine boeren waren horigen
Tekening Jean Keulen

De kleine boeren betaalden voor deze bescherming wel een hoge prijs. Zij werden min of meer het persoonlijke eigendom van hun heer. Hij kon over hen recht spreken en hun boeten en lijfstraffen opleggen. Zij mochten het landgoed niet meer verlaten en moesten voortaan aan hun heer toestemming vragen om te trouwen. Verder waren ze verplicht tot het afdragen van een groot deel van de opbrengsten van het land en moesten zij hand- en spandiensten verrichten voor de heer. Ook moesten zij cijns (belasting) aan de heer betalen.

2. Grote veranderingen
De groei van de bevolking, die onder het bewind van Karel de Grote op gang was gekomen, zette zich in de eeuwen daarna onverminderd voort. Vanaf de tiende eeuw kon de toenmalige maatschappij de druk van de groeiende bevolking niet meer aan. Het probleem was vooral dat de landbouw niet meer genoeg voedsel kon produceren om in de behoefte van de alsmaar groeiende bevolking te voorzien. De ‘ouderwetse’ manier waarop de landbouw werd uitgeoefend leverde te weinig op en er waren te weinig gronden in gebruik als landbouwgrond. Een andere oorzaak van de tekortschietende landbouwproductie was, dat de meeste boeren, ook in de tiende eeuw, nog steeds horigen waren. Deze hadden er geen enkel belang bij om meer te produceren, omdat de meeropbrengst toch moest worden afgedragen aan de heer.

Om het gevaar van een tekort aan voedsel af te wenden, waren er dus grote veranderingen nodig; zowel in de economie, die in die tijd vooral bestond uit landbouw, als in de (standen)maatschappij. De boeren moesten anders en meer produceren, maar zij moesten ook een grotere vrijheid en meer verantwoordelijkheid krijgen. De standenmaatschappij waarin boeren nauwelijks meetelden moest op de helling.
Tussen 950 en 1250 en in het bijzonder in de twaalfde eeuw, zijn die veranderingen in zijn volle omvang opgetreden.

2.1 De Voedselproductie

Intensiever gebruik grond
De grootste uitdaging was te zorgen voor een grotere voedselproductie. Aanvankelijk leek dat te lukken door een intensiever gebruik van bestaande landbouwgronden. Dat gebeurde onder meer door het omzetten van weidegrond in akkerland. Verder werd het braakliggen van land teruggedrongen door te werken met het drieslagstelsel, waarbij de percelen volgens een driejarenplan werden bewerkt. Het eerste jaar moesten alle akkers van eenzelfde slag bezaaid worden met een zomergraan als haver, dat niet te veel van de grond eiste. Het tweede jaar werd een veeleisende graansoort als tarwe of rogge verbouwd. Het derde jaar bleef de grond braak liggen om te rusten. Dat rustjaar had drie voordelen. In de eerste plaats bood het de bodem de kans om zijn vruchtbaarheid te herwinnen. Vervolgens kon de dorpskudde op dit braakliggend terrein grazen. Ten slotte verrijkte de mest van het vee de grond. Veeteelt en akkerbouw vulden elkaar perfect aan.

2006blz101

De grond werd bewerkt volgens een driejarenplan:het drieslagstelsel

Om de bestaande grond meer te laten opbrengen werden ook paarden in plaats van ossen als trekdier gebruikt, omdat paarden wendbaarder en sneller waren. Verder werden technische vindingen als de risterploeg toegepast. Deze ploeg had een zwaardere constructie en verstelbare ijzeren onderdelen, die het mogelijk maakten zware gronden op verschillende diepten te bewerken.

Uitbreiding landbouwgronden
Al gauw bleek, dat het intensiever gebruik van bestaande landbouwgronden niet voldoende opbracht om de groeiende bevolkingsdruk op te vangen. Daarom werd tevens begonnen met het uitbreiden van de landbouwgronden.
In onze streken werden de eerste nieuwe landbouwgebieden gevonden in dalen bij rivieren en beken, waar de grond vruchtbaar was en waar genoeg water was om mensen en vee te laten drinken. Later werden vanuit deze dorpen in de dalen, boerenkolonisten uitgezonden naar de hoger gelegen plateaus om daar ook bossen en woeste gronden geschikt te maken voor de landbouw.

2.2 Veranderingen in de standenmaatschappij

De adel
De standenmaatschappij, waarmee Karel de Grote zo een goede resultaten had bereikt, begon al snel na de dood van de keizer af te brokkelen. De edellieden die van de koning grond hadden geleend gingen toen een deel van hun grond belenen aan hun vertrouwelingen en deze gaven op hun beurt ook weer gronden te leen. Daardoor versplinterde de grondeigendom en nam het aantal heren met een eigen rijkje sterk toe. Bovendien werden in het begin de gronden alleen tijdelijk ter beschikking gesteld, maar op den duur groeide het bezit van leengoed uit tot een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen. Omdat het beschouwd werd als definitief verworven, werd dit bezit eveneens verhandeld of onderwerp van erfenis of bruidsschat. Het gevolg hiervan was, dat de leenheer nog maar weinig greep had op zowel de lenen als de leenmannen. Bovendien kwamen door deze gang van zaken ook steeds meer lenen in de handen van niet-adellijke families.

Veel edellieden hebben met deze afkalving van hun invloed geen genoegen genomen. Omdat ze als leenheer steeds minder te vertellen hadden over hun leenmannen, gingen ze langs een andere weg hun invloed vergroten. Onder meer in onze streken eigenden de edellieden zich het bannus toe; dit is het recht om te bevelen. Waar in de tijd van Karel de Grote alleen de koning/ keizer als banheer dit recht bezat, hadden rond het jaar 1000 eerst de hertogen en graven en in de loop van de elfde eeuw ook de gewone ridders zich dit recht toegeëigend. Zij werden allen banheer. Door van dit recht gebruik te maken, konden zij op tal van terreinen hun macht laten gelden. Zo konden zij rechtspraak uitoefenen; ook waar het ging om zware misdrijven. Verder konden zij aan de inwoners cijnzen (algemene belastingen) opleggen en de inwoners verplichten hand- en spandiensten te verrichten.

Waar het de banheren eerst en vooral om ging, was: hun rijk(je) te beheersen en andere heren op afstand te houden. Daartoe gebruikten zij op alle mogelijke manieren hun bannus; desnoods dreigden ze met terreur. De banheren hadden zich om over hun gebied te kunnen heersen omringd met een groep goed bewapende krijgers.

Ook hadden zij zich verschanst in een moeilijk te bereiken kasteel. Zo een kasteel was geen grote burcht, maar bestond meestal uit een houten of stenen toren, die op een kunstmatige hoogte (motte) stond en soms voorzien was van een omwalling met een ruimte voor stallen. Omdat ze op motten waren gebouwd, werden de kastelen motteburchten genoemd.

2006blz103

De banheren verschansten zich in een motteburcht

Rond het midden van de twaalfde eeuw was de banale heerschappij ook in onze streken wijd verspreid. Er zijn in die tijd in het huidige Zuid-Limburg heel wat motteburchten gebouwd. Een goed voorbeeld is nu nog te zien in het landschap tussen Gulpen en Cartils. Daar lag, bij een doorwaadbare plaats van de Geul, een motteburcht.

De boeren
Ofschoon de banheren met harde hand optraden om hun rechten te handhaven, zorgden zij er in de elfde/twaalfde eeuw wel voor dat de gedwongen arbeid door de horigen werd afgeschaft. In plaats daarvan werden de horigen door de heren aangesteld als landarbeider en werden zij daarvoor betaald in natura of in geld. Het gebeurde ook dat horigen het land waarop ze vroeger gedwongen arbeid verrichtten in erfpacht of in termijnpacht (deelpacht waarbij de eigenaar een vast deel ontving van de bruto opbrengsten) kregen. Daarnaast kregen de boeren de mogelijkheid andere horige lasten, zoals bijvoorbeeld het recht van de heer op het beste deel van de nalatenschap van horigen, af te kopen.

Zo beschouwd, waren de horigen van vroeger vanaf de elfde/twaalfde eeuw ‘vrije’ boeren geworden. Maar hun vrijheid werd gelijk weer ingeperkt door de regels die de banheer hen, en andere burgers, oplegde. Dit gaf ook voedsel aan de kritiek die vanuit de geestelijkheid steeds meer werd uitgeoefend op de banheren en de wijze waarop die hun heerschappij uitoefenden.

Toch betekende de banheerschappij voor de boeren (vroegere horigen) een duidelijke vooruitgang. Zij hoefden, langzaam maar zeker, minder lasten te betalen en hoefden ook hun meeropbrengsten niet meer aan de heer af te dragen. Verder konden zij, doordat ze niet meer rechteloos waren, financieel profijt halen uit de overerving van landbouwgronden. Belangrijk voor hun positie in de maatschappij was ook, dat ze deel gingen uitmaken van de zich in die tijd ontwikkelende dorpsgemeenschappen en parochies. Samen met de andere burgers uit het dorp of andere parochianen zorgden zij dat ze privileges van de heer kregen (die bij oorkonde werden verleend), waardoor ze meer ‘vrijheden’ konden verwerven.
Deze ontwikkeling naar grotere vrijheid en meer verantwoordelijkheid voor de boeren is nog versneld door de noodzaak om bossen te ontginnen voor nieuwe landbouwgronden. De (ban)heren zagen zich namelijk genoodzaakt om de boeren grotere vrijheden te geven, naarmate ze hen meer nodig hadden voor deze ontginning. Het was in die tijd niet meer zo, dat ze de boeren konden dwingen om zo een zwaar karwei op zich te nemen.

Al met al kan worden geconstateerd dat de aanhoudende groei van de bevolking er toe heeft bijgedragen, dat de boeren vrijer werden en grotere verantwoordelijkheden kregen. De boeren op hun beurt werden daardoor geprikkeld om hun land efficiënter te bewerken en om mee te werken aan het uitbreiden van de landbouwgronden. Dit was voor die tijd ook een noodzaak om de grote opgave van de ontginningen te kunnen vervullen.

2006blz105

Het Sint-Servaaskapittel bezat 2000 ha grond in Maastricht en wijde omgeving.
Op deze tekening het bergportaal van de Sint-Servaaskerk (ca. 1220)

De geestelijkheid
Vanaf de elfde/twaalfde eeuw groeide de invloed van de geestelijkheid ten koste van die van de adel. Dit had verschillende oorzaken.
Door de versplintering van de lenen waren de leenheren minder rijk geworden en voor een deel zelfs in geldnood gekomen. Dit proces van verarming werd nog versterkt door de schenkingen van land die de edellieden moesten verrichten aan kerkelijke instellingen in de vorm van tienden. Een tiende was tien procent van de grondopbrengst en van het pasgeboren vee, waarop de kerk recht had. De afdracht hiervan, die aanvankelijk als tijdelijk was bedoeld, werd door de kerk steeds meer als permanent beschouwd. Ook gingen in deze tijd steeds meer tienden, die aanvankelijk naar de adel werden afgedragen, naar de kerk.

Een andere oorzaak was dat nogal wat boeren, die voorheen horigen waren, zich onder de hoede van een kerk hadden geplaatst. Deze horigen werden vrij verklaard, maar om hun status van vrij persoon te kunnen behouden en in ruil voor hun bescherming door een kerk, verbonden zij zich aan de kerk cijns te betalen. Van horigen van een heer werden ze 'vrijgewijde dienstmannen' van een kerkelijke instelling ( b.v. kathedraal of kapittel).
Niet alleen door de opbrengst van de tienden en cijnsen maar ook door legaten van rijke gelovigen werd de kerk steeds rijker. De rijken vroegen aan monniken en kanunniken te bidden voor hun zielenheil en schonken in ruil daarvoor stukken grond en huizen aan de kerk. Naarmate de bezittingen in omvang groeiden en meer inkomsten opleverden, ging de kerk ook meer huizen en landerijen kopen en groeide het bezit nog verder.

Tot de kerkelijke instellingen die veel invloed hadden op wat er in de maatschappij gebeurde, behoorden de kapittels. Een kapittel was een autonome instelling die los stond van zowel het geestelijk als het wereldlijk gezag en zichzelf bestuurde. Het was een ‘staatje in de staat’. In onze streken hadden vooral het Maastrichtse kapittel van St. Servaas en het Luikse kathedrale kapittel van St. Lambertus veel invloed. Het St. Servaaskapittel bestond uit veertig kanunniken. Het was een rijk kapittel, dat niet minder dan tweeduizend hectare grond in Maastricht en wijde omgeving bezat. Het grootste deel daarvan had men al vóór het jaar 1200 verworven. Dit kapittel oefende in elf dorpen, waaronder Heer en Keer, ook nog eens de wereldlijke macht uit.

Naast het kapittel van St. Servaas was er in Maastricht het kapittel van O.L. Vrouw, dat bestond uit twintig kanunniken. Dit kapittel bezat ook grond, maar had zijn vermogen vooral opgebouwd uit tienden en verder uit pachten, renten en cijnsen.

3. Dorpen in onze streken

De eerste dorpen
Aangezien onder Karel de Grote al de basis was gelegd voor een krachtige regio Aken-Luik-Maastricht, is het niet vreemd dat in deze regio de bevolkingsdruk relatief snel werd gevoeld en de behoefte aan nieuwe landbouwgebieden groot was. In onze streken werden de eerste uitbreidingen van de landbouwgronden gevonden in de dalen van de Maas, de Voer, de Gulp en de Noor. Daar zijn mensen zich gaan vestigen om de gronden gereed te maken voor landbouw.

De eerste dorpen in onze streken waren plaatsen langs de Maas als Eijsden, Breust, Oost, Caestert, Maarland, Gronsveld en Heugem en plaatsen aan de Voer als Mesch en ’s Gravenvoeren. Ook Noorbeek in het dal van de Noor en Slenaken aan de Gulp zijn al vroeg gesticht.

Hoe oud deze dorpen zijn, is alleen bij benadering bekend. Volgens historicus Hartmann stammen de oudste gegevens over Breust en Eijsden uit de negende en tiende eeuw. Maarland is, aldus deze onderzoeker, waarschijnlijk niet voor het jaar 1000 ontstaan en Caestert vermoedelijk rond 1200. Van de Voerdorpen en van Noorbeek en Slenaken, weten we uit een schenkingsakte van Graaf Conrad, dat deze al in 1083 bestonden.

De hoger gelegen plateaus in onze streken, waaronder waarschijnlijk ook de plek waar nu Cadier ligt, bestonden in de tijd van Karel de Grote en van zijn directe opvolgers (negende en tiende eeuw) nog uit bos en woeste grond en waren niet bewoond. De behoefte aan nieuwe landbouwgronden was toen kennelijk nog niet zo groot, dat men op de gedachte kwam om naar de plateaus te trekken voor het ontginnen van die gebieden. Behalve de voor die tijd grote afstanden, die moesten worden overwonnen, was het vooral het tekort aan water op de plateaus dat een rem vormde voor een trek naar deze gebieden.

Dorpen op plateaus
Toch heeft het ook weer niet zo lang geduurd, tot het onvermijdelijk werd om de vruchtbare gronden op het plateau te gaan ontginnen voor nieuwe landbouwgrond. Tot dan toe was ook in onze streken geprobeerd, onder andere door het terugdringen van de braak, de bestaande landbouwgronden van de in de dalen gelegen dorpen intensiever te benutten. Maar deze intensivering deed ook bij ons de voedselproductie niet genoeg stijgen. Daardoor zijn vanaf die tijd, vanuit de Maas- en Voerdorpen kolonisten naar het plateau van het huidige Heuvelland getrokken om daar de bossen en woeste gronden te ontginnen. De bezwaren van de grote afstand en van het tekort aan water, die tot dan hadden bestaan, waren niet weggenomen, maar werden noodgedwongen overwonnen, omdat de behoefte aan nieuwe landbouwgrond zo groot was.
Omdat de plateaus in die tijd niet gemakkelijk te bereiken waren, zijn de kolonisten via de grubben (droogdalen), naar de plateaus getrokken. Zij gingen niet volgens een vooropgezet plan te werk, maar zochten ergens een plek die hun gunstig leek en namen niet meer grond in gebruik dan ze direct nodig hadden. Het waterprobleem werd opgelost door regenwater als drinkwater te gebruiken. Ook trokken ze naar de Maas om in hun behoefte aan water te voorzien.

2006blz108

Het waterprobleem werd deels opgelost door regenwater als drinkwater te gebruiken.
In latere eeuwen werden diepe putten geslagen en poelen voor het vee aangelegd.

Tot de plaatsen die in de elfde en twaalfde eeuw op die manier zijn ontgonnen, zijn er verschillende in de directe omgeving van Cadier, zoals Eckelrade, St. Geertruid, Bruisterbosch, Mheer en Herkenrade.
Het exacte stichtingsjaar is overigens alleen van Bruisterbosch bekend. Uit een oorkonde uit 1157 weten we, dat in dat jaar het kapittel van Sint Martinus te Luik aan zeven inwoners van Breust 35 hectare nieuw ontgonnen grond heeft uitgegeven. Ze noemden hun nieuwe dorp: ‘Bos van Breust’ ofwel Bruisterbosch.

Van Mheer kennen we het stichtingsjaar niet, maar de eerste vermelding van deze plaats dateert al uit het jaar 1002. Dat Mheer zo vroeg werd ontgonnen kwam door de ligging tussen twee omvangrijke uitlopers van grubben en de aanwezigheid van een watergang (nu de Horstergrub) in één van die droogdalen. Omdat deze plaats tot de parochie ’s-Gravenvoeren behoorde, wordt aangenomen, dat Mheer vanuit een van de Voerdorpen werd ontgonnen.

In zijn onderzoek komt historicus Hartmann tot de conclusie, dat Sint-Geertruid rond 1100 zal zijn ontgonnen. Omdat deze plaats tot in de 19e eeuw ook wel Breust op den Berg werd genoemd, zal ook deze ontginning vanuit Breust hebben plaats gevonden. Eckelrade en Herkenrade zouden allebei uit de twaalfde eeuw zijn, waarbij Herkenrade waarschijnlijk vanuit Eijsden en Eckelrade vanuit Gronsveld zijn ontgonnen. Dat deze beide plaatsnamen eindigen op ‘rade’ geeft aan, dat voor de stichting van deze dorpen bos is ontgonnen; rade betekent namelijk ‘rooien van bos’.

Soms valt uit de naam van een plaats een stuk van de ontstaansgeschiedenis van die plaats af te leiden. Dat geldt bijvoorbeeld voor Margraten. Volgens historicus J. Renes is de oorspronkelijke naam van deze plaats Mariarade (1248 ‘Sante Marien Rod’). Ook hierin zit dus het naamdeel ’rade’, wat erop duidt, dat ook voor de ontginning van Margraten bos is gerooid. Ook het naamdeel Maria is niet zo maar gekozen. J. Renes ziet dit als een aanwijzing dat het Akense Mariastift de hand heeft gehad in deze ontginning. En dat betekent volgens hem ook dat Margraten vanuit Gulpen is gesticht, omdat het Akense stift, sedert het begin van de elfde eeuw, eigenaresse was van Gulpen, Een verder ‘bewijs’ hiervoor is dat Margraten nog lang ‘Gulpen op den Berg’ werd genoemd.

De eerste nederzettingen die op het plateau werden gesticht, waren niet groter dan 20 tot 50 hectare. Toch is er, doordat er op zo veel plaatsen bossen zijn ontgonnen, in de elfde en twaalfde eeuw op het plateau heel wat landbouwgrond bijgekomen. Eerst later, in de dertiende eeuw, zijn de ontginningen groter en meer systematisch aangepakt. Toen is het gebied definitief opengelegd.

4. Wie heeft Cadier gesticht?

In het vervolg van dit artikel wordt geprobeerd om wat licht te werpen op het ontstaan van Cadier. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van wat in het voorgaande is vermeld over wat zich vanaf de tijd van Karel de Grote in de maatschappij heeft afgespeeld. Dit vormt de achtergrond waarbinnen de ontstaansgeschiedenis van Cadier moet passen. Een andere achtergrond die veel dichterbij het ontstaan van Cadier komt, is het onderzoek dat door mensen als Hartmann is verricht naar het ontstaan van dorpen in de omgeving van Cadier. Door de informatie vanuit beide bronnen te vertalen naar Cadier, kunnen min of meer betrouwbare aanwijzingen worden verkregen over het ontstaan van Cadier.

Graaf Herman van Daelhem?
Eén van de zaken waar de banheren zich mee bemoeiden was de ontginning van bossen en woeste gronden voor de uitbreiding van het landbouwgebied en de stichting van nieuwe nederzettingen. Er waren nogal wat banheren die zo ver gingen, dat zij voor de nieuwe nederzettingen tevens de ‘publieke orde’ regelden. Daarvoor stelden zij vaak een handvest op, waarin de grootte van de boerenhoeven, de jaarlijkse betaling, lokaal bestuur en rechtspraak in de nieuwe nederzetting, in één keer werden geregeld.

De vraag is of ook in de stichting van Cadier een banheer de hand heeft gehad. Dat zou graaf Herman van Daelhem geweest kunnen zijn, die vanaf 1080 heerser was over het land van Daelhem. Voor zover bekend heeft Cadier immers vanaf de stichtingsdatum tot het land van Daelhem behoord. Het lijkt dan logisch dat deze graaf verantwoordelijk was voor de stichting van Cadier.

De mogelijkheid dat het de graaf van Daelhem was, wordt groter, indien hij één van de vele banheren is geweest, die het tot hun taak rekenden om bossen te ontginnen voor nieuwe landbouwgebieden en nieuwe nederzettingen. Een aanwijzing voor het banheerschap van de graaf van Daelhem is dat hij de gravenzetel direct bij zijn aantreden van ’s-Gravenvoeren naar Daelhem heeft verplaatst, omdat hij in Daelhem veiliger kon wonen. De burcht die hij daar liet bouwen lag namelijk bovenop een steile rots die van twee zijden werd omspoeld door de Berwine en de Bolland. Deze behoefte om zich te kunnen verschansen in zijn burcht, wijst erop dat de graaf van Daelhem tot de in die tijd veel in onze streken voorkomende banheren behoorde. Het zou daarom best kunnen, dat de graaf van Daelhem de hand heeft gehad in de ontginning van het gebied Cadier en in de stichting van het nieuwe dorp.

2006blz111

Is vanaf deze plek besloten tot de ontginning van Cadier?
Het restant van de in 1080 gebouwde vesting van de graven van Daelhem

De vraag die daarbij opkomt, is wat de motieven kunnen zijn geweest om een nederzetting te stichten op een plek die ver van Daelhem vandaan lag en ook nog geïsoleerd ten opzichte van de rest van het land van Daelhem. De eerste reden kan zijn, dat het land van Daelhem in die tijd tot de gebieden behoorde waar de snelle bevolkingsaanwas het noodzakelijk maakte om nieuwe vruchtbare landbouwgebieden aan de bestaande landbouwgebieden toe te voegen. De reden om uitgerekend voor Cadier te kiezen, zou kunnen zijn, dat de graaf het gebied Cadier wilde bezitten vanwege de interessante ligging; direct naast de belangrijke handelsstad Maastricht en in de nabijheid van Aken en Luik.

Deze gang van zaken lijkt best plausibel; maar valt niet te bewijzen. Een handvest, waarin de graaf van Daelhem de ‘publieke orde’ voor het nieuwe Cadier had vastgelegd, zou een hard bewijs voor deze lezing van de stichting van Cadier zijn. Maar zo een handvest is er niet. Ook minder harde bewijzen in de vorm van andere documenten, oorkondes of aktes, waaruit aanwijzingen zouden kunnen worden verkregen, zijn er niet. Daarom blijft het onzeker of het op deze manier is gegaan.

Het Kapittel van Onze Lieve Vrouw ?
Het waren niet alleen edellieden die zich bemoeiden met de ontginning van bossen en woeste gronden tot landbouwgronden en met de stichting van nieuwe nederzettingen. Ook de geestelijkheid had hier bemoeienis mee. Dat dit ook in onze streken gebeurde valt het duidelijkst te bewijzen aan de hand van de acte van de stichting van Bruisterbosch uit 1157. Uit deze acte blijkt, dat het Luikse Martinuskapittel een door kolonisten ontgonnen stuk land ‘bij Breust’ heeft uitgegeven aan zeven inwoners uit Breust, die in de acte met naam worden genoemd. Hartmann meent dat deze inwoners tot de ‘bovenlaag’ van Breust moeten hebben behoord en deel hebben uitgemaakt van het hof van het kapittel. Hij leidt dit af uit het in de acte vermelde feit, dat deze bewoners waren vrijgesteld van een aantal verplichtingen aan de voogd en de meier van Breust. Ze hoefden voor het gebruik van de nieuw ontgonnen grond alleen jaarlijks een vaste cijns aan het kapittel te betalen.

Een ander voorbeeld van bemoeienis van de geestelijkheid met de ontginning van bos en stichting van dorpen is Margraten. Zoals hierboven vermeld heeft het Akense Mariastift naar alle waarschijnlijkheid de hand gehad in de stichting van Mariarade, dat later Margraten is gaan heten.

Indien ook voor Cadier vanuit een geestelijke instelling opdracht of toestemming is gegeven voor de ontginning, moet dit het kapittel van O.L. Vrouw van Maastricht zijn geweest. Vanaf het ontstaan heeft Cadier namelijk, tot 1 juli 1266, de dag dat het een eigen parochie werd, tot de parochie Heugem behoord en deze parochie was gesticht door het kapittel van O.L. Vrouw. Het gebied Cadier viel dus onder dit kapittel.

2006blz113

Of is door het kapittel van O.L.Vrouwe in Maastricht opdracht gegeven tot het ontginnen van het gebied Cadier?
Op de tekening de Basiliek van de O.L.Vrouwekerk, gezien vanaf de Graanmarkt.

De bemoeienis van het kapittel van Luik met de stichting van Bruisterbosch was zo gering, omdat de eerste inwoners leden van het hof van hun kapittel waren. Later (vanaf 1200) toen de ontginningen op grotere schaal plaats vonden en ook veel andere bewoners van bestaande dorpen naar de nieuwe dorpen trokken, gingen de kapittels zich veel sterker bemoeien met wat er in de nieuwe dorpen moest gebeuren. Net als de ‘banheren’ bepaalden zij niet alleen hoeveel grondcijns de bewoners van het nieuwe dorp aan het kapittel moesten betalen, maar regelden zij ook het bestuur en de rechtspraak in het nieuwe dorp en stelden zij regels ten behoeve van de openheid van het landschap.

De opvatting dat Cadier door kanunniken van het kapittel van O.L. Vrouw is gesticht, wordt vooral ondersteund door de ‘bewezen’ stichting van Bruisterbosch en door het voorbeeld Margraten. Dat het in het geval van Cadier het O.L. Vrouwekapittel is geweest, vindt ondersteuning in het feit, dat het de proost (hoofd) van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel was die, samen met de vicaris-generaal van Luik en de aartsdiaken van Hesbay in 1266 heeft besloten om van Cadier een eigen parochie te maken.
Een andere aanwijzing dat Cadier door toedoen van de geestelijkheid is gesticht, zou het testament uit 24 maart 1316 van Wiricus Borneken, een Maastrichtse ‘clericus’ (waarschijnlijk kanunnik) kunnen zijn. Uit dit testament blijkt, dat deze geestelijke bij zijn overlijden in 1316 ‘meerdere huizen en de nodige bunders grond’ in ‘Cadirs ’in bezit had. Mogelijk gaat het hierbij om grond, die het kapittel bij de ontginning heeft verkregen en in bezit van kanunniken is gebleven. Maar het is natuurlijk ook best mogelijk dat deze grond tussen de datum van ontginning en 1316 al één of meerdere keren van eigenaar is gewisseld. Daarom is deze aanwijzing misschien het minst overtuigend.
Voor de stichting van Cadier door toedoen van het kapittel van O.L. Vrouw van Maastricht bestaan ook géén directe zwart-op-wit-bewijzen. Niettemin vormen het voorbeeld van Bruisterbosch en de bemoeienis van de proost van O.L.Vrouw met de verzelfstandiging van de parochie Cadier, aanwijzingen dat Cadier vanuit het kapittel van O.L. Vrouw is gesticht.
De vraag die dan resteert is wat de rol van de boeren/ kolonisten is geweest. Zijn ze gestuurd of hebben zij zelf het initiatief genomen voor de ontginning van Cadier?

Of toch boeren uit Heugem?
Vanaf de elfde/twaalfde eeuw waren de boeren over het algemeen een stuk vrijer dan voorheen. Wel was in onze streken, door de banheerschappij, de macht van de edelen nog duidelijk aanwezig. Bovendien kregen ook de kapittels een steeds grotere invloed op wat er in onze streken gebeurde. Maar de noodzaak van ontginning van de plateaus zal ook hier de edelen en geestelijken ertoe hebben aangezet de boeren grotere vrijheden te verlenen. Het is daarom waarschijnlijk, dat er wel inmenging van het kapittel van O.L. Vrouw of van de graaf van Daelhem is geweest bij het ontginnen van het gebied Cadier, maar dat deze beperkt is gebleven tot het erkennen door de boeren van de rechten van het kapittel of van de graaf op het nieuw te stichten Cadier. Dat zou dan tot uiting zijn gekomen in het betalen van een jaarlijkse grondcijns, die ‘ten eeuwige dage’ betaald moest worden.

Zo een tussenkomst van de graaf of van het kapittel sluit overigens niet uit, dat het toch boeren zijn geweest, die het initiatief voor de ontginning van het gebied Cadier hebben genomen. Historicus J. Renes stelt in zijn onderzoek, dat Cadier vanuit Heugem is gesticht. Indien dit juist zou zijn, zullen het boeren uit Heugem zijn geweest, die naar het gebied Cadier zijn getrokken om dat te ontginnen. Of zij ook de eerste bewoners van Cadier zijn geweest blijft intussen onzeker. Het zou immers ook kunnen dat, net als bij de stichting van Bruisterbosch, vertrouwelingen van het kapittel, uit ‘de bovenlaag’ van Heugem, de eerste bewoners van Cadier zijn geweest. In beide gevallen is het waarschijnlijk dat de nieuwe bewoners de rechten van het kapittel van O.L. Vrouw moesten erkennen door het betalen van een jaarlijkse grondcijns. Mogelijk hebben ze ook nog aan andere verplichtingen moeten voldoen.

5. Wanneer is Cadier gesticht?

Negende of tiende eeuw?
Ten behoeve van het Gedenkboek Cadier en Keer 700 jaar Parochie van 1966 heeft journalist R.Kamphoven van De Nieuwe Limburger op verzoek van de toenmalige burgemeester gevorst naar de ontstaansgeschiedenis van Cadier en Keer. Hij heeft toen naar voren gebracht dat Cadier wel eens uit de negende eeuw zou kunnen stammen. Stedenbouwkundige R. de Wit heeft in het gedenkboek ter gelegenheid van Cadier en Keer 150 jaar gemeente deze bewering overgenomen. Zij baseren zich daarbij op onderzoek dat is verricht naar de kerktoren van Cadier. Volgens beide heren zou het onderste gedeelte van de toren uit de negende eeuw stammen, wat zou bewijzen dat in die tijd in Cadier al een kapel heeft gestaan en dat Cadier dus toen al bewoond was (Zie ook het artikel over de kerktoren in deze Keerder Kroniek).

2006blz116

Waarschijnlijk hebben boeren van Heugem de huidige Dorpsstraat als ontginningsweg gebruikt.
Op de foto rechts “de Pastory”.

Dat Cadier al in de negende eeuw zou zijn gesticht, is echter zeer onwaarschijnlijk, omdat alles wat tot nu toe beschikbaar is aan historische gegevens, wijst op een veel latere stichtingsdatum. Het enige historisch onderzoek, dat wijst op een zeer vroege stichtingsdatum van Cadier is dat van J. Habets. In een, in 1876 gepubliceerd onderzoek, stelt hij dat Cadier ‘altijd al deel geweest is van het land van Daelhem’. Indien dat zou kloppen, zou Cadier ook al tot het land van Daelhem hebben behoord, toen dit nog zijn hoofdzetel in ’s-Gravenvoeren had. En aangezien dat tot 1106 het geval is geweest, zou Cadier van vóór 1106 zijn. Het zou dan zelfs niet uitgesloten moeten worden, dat Cadier toen al lang deel uitmaakte van de palts van ’s-Gravenvoeren. In dat geval zou Cadier in leeftijd niet veel onderdoen voor de Maasdorpen, die uit de negende of tiende eeuw zijn.

Jammer genoeg moet Habets tot de onderzoekers worden gerekend die hun beweringen niet altijd voldoende onderbouwden. Zijn stelling dat Cadier ‘altijd al’ tot het land van Daelhem heeft behoord, wordt door hem helemaal niet onderbouwd. Daarom biedt zijn onderzoek te weinig houvast om te kunnen stellen, dat Cadier vanuit ’s-Gravenvoeren is gesticht en dat Cadier uit dezelfde tijd zou zijn als de Maasdorpen. Daarmee ontvalt ook het bewijs aan de bewering van Kamphoven en De Wit dat Cadier in de negende eeuw is gesticht.

Twaalfde eeuw?
De bevolkingsgroei heeft in de elfde/ twaalfde eeuw de behoefte aan nieuwe landbouwgronden nijpend gemaakt. Het ligt voor de hand dat ook in een zo belangrijk gebied als Aken-Luik-Maastricht die behoefte zeer manifest was. Daarnaast heeft in die zelfde periode de banale revolutie een einde gemaakt aan de horigheid van de boeren. Deze waren daardoor voldoende gemotiveerd om bossen en woeste gronden geschikt te maken voor de landbouw; ook al lagen die op in die tijd moeilijk bereikbare plateaus van het huidige Heuvelland.

Alleen al uit deze ontwikkelingen valt af te leiden, dat de ontginningen op het plateau van het huidige Heuvelland en de stichting van de dorpen op deze plateaus in deze periode (elfde/ twaalfde eeuw) hebben plaatsgevonden. Voor het beantwoorden van de vraag wat dat meer in het bijzonder voor Cadier betekent, moet te rade worden gegaan bij Hartmann.

Hartmann heeft Cadier in zijn onderzoek weliswaar buiten beschouwing gelaten, maar het is de moeite waard om na te gaan of zijn systematisch onderzoek naar het ontstaan van de buurdorpen, aanwijzingen biedt om de vraag te beantwoorden wanneer Cadier gesticht zou kunnen zijn. Uit zijn onderzoek weten we het nodige, dat goed ‘door te vertalen’ lijkt naar Cadier. Zo weten we, dat de ontginningen op de plateaus in de twaalfde eeuw niet beperkt zijn gebleven tot een paar plekken, maar dat op de meeste plaatsen op de plateaus een begin is gemaakt met de ontginning. Verder kennen we, van zijn onderzoek, de voorkeur van de kolonisten voor plekken die goed bereikbaar waren. Dat waren volgens Hartmann de plekken die via de grubben tussen de plateaus te bereiken waren. Daarbij hoorden ook Sint-Geertruid en Eckelrade, wat erop wijst dat de ontginners in ieder geval vlak in de buurt van Cadier moeten zijn geweest.

Het is op basis van deze ‘gegevens’ van Hartmann, en met de kennis over de algemene ontwikkelingen in die tijd, moeilijk voor te stellen, dat Cadier niet ook in dezelfde periode is gesticht als Sint-Geertruid en Eckelrade. De grond in Cadier was even vruchtbaar. En het gebied Cadier was net als Sint-Geertruid en Eckelrade bereikbaar via een grub.

Indien graaf Herman van Daelhem de hand heeft gehad in de stichting van Cadier zou de stichtingsdatum wel eens rond 1100 kunnen zijn geweest; niet lang nadat hij heerser over het graafschap Daelhem was geworden.
Wanneer, wat waarschijnlijker lijkt, de stichting van Cadier op naam moet worden geschreven van boeren uit Heugem en/ of het Kapittel van O.L. Vrouw van Maastricht, zal de stichtingsdatum wat later in de twaalfde eeuw zijn geweest. Het kapittel heeft immers in de loop van de twaalfde eeuw meer invloed gekregen ten koste van de adel en de boeren hebben ook in de twaalfde eeuw meer vrijheden gekregen.

Conclusie
Er is niets met zekerheid te zeggen; niet over de vraag wanneer en ook niet over de vraag door wie Cadier is gesticht. Toch kunnen, op basis van de resultaten van onderzoek waarvan gebruik is gemaakt, de volgende, voorzichtige, conclusies worden getrokken:
• Het meest waarschijnlijk is dat Cadier ergens in de twaalfde eeuw is gesticht.
• Het zijn waarschijnlijk boeren uit Heugem geweest die de bossen en woeste gronden in het gebied waar Cadier is gesticht, hebben ontgonnen.
• De rechten op de nieuw ontgonnen grond zullen in handen zijn geweest van het kapittel van Onze Lieve Vrouw van Maastricht.
• De eerste bewoners van Cadier (boeren uit Heugem of vertrouwelingen van het kapittel) zullen de rechten van het kapittel van O.L Vrouw hebben moeten erkennen. Daarvoor zullen ze een jaarlijkse cijns voor het gebruik van de grond hebben moeten betalen en wellicht ook nog aan andere verplichtingen hebben moeten voldoen.

Geraadpleegde Literatuur:
Hartmann, J.H.L.: De reconstructie van een Middeleeuws Landschap. Nederzettingsgeschiedenis en instellingen van de Heerlijkheden Breust en Eijsden. 1986
• Renes, J.: De geschiedenis van het Zuidlimburgse Cultuur-landschap.1988
• Habets, Jos: Schets van de voormalige Heerlijkheid Cadier en van het kasteel Blankenberg. 1876
• Rijksarchief in Limburg. Archieven van de landen van Overmaas
• Le Goff, Jaques e.a.:De wereld van de Middeleeuwen. 1987
• Blockmans, W. & P. Hoppenbrouwers: Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van Middeleeuws Europa; 2002
• Rijksarchief in Limburg. Archief van het kapittel van O.L. Vrouwe
• Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg II 1865
• Historie Kasteel Altembrouck
• Kamphoven, R.: Iets uit de geschiedenis. Gedenkboek Cadier en Keer 700 jaar Parochie, 1966
• Wit, R de: Streekfunctie op plateauniveau. Gedenkboek Cadier en Keer 150 jaar gemeente. 1978
• Mheerder Almanak 2003. Eerste vermelding van Mheer
• Purnot, Jo: Ós Keer, ‘ne tiêd truuk. Cadier en Keer 2005

Gebruikers
5
Artikelen
2012
Artikelen bekeken hits
7034347

Today 17

Yesterday 47

Week 134

Month 134

All 121893

Currently are 44 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME