Oud Nieuws

Uit de krant bijna honderd jaar geleden
Door Jo Purnot en Fons Meijers

Een Limburgsche burgemeester
(Dagblad Het Volk, 22 oktober 1912)

Voor de rechtbank te Maastricht moesten zich verantwoorden de burgemeester van Cadier en Keer Thomassen en zijn twee zoons Josef en Hubertus Thomassen, omdat zij op 22 Mei, met hun drieën mishandeld hebben A.J. Bessems.
Volgens het verhaal van Bessems, gelijk wij het nu in “Limburg’s Belang” weergegeven vinden, liep de burgemeester met zijn beide zoons naast een kar met paard. Bessems kwam met een los paard uit een zijweg. De burgemeester had toen tegen Bessems gezegd:
“Sjmeerlap, de hubs diene Paosche neet gehauwe!” waarop Bessems antwoordde: “Dich bis smeerlap geweest vuur mich”. De zoon Joseph heeft toen geroepen: “Sjlaot ‘m op ziene kop!” waarop de burgemeester dadelijk is beginnen te slaan. De tweede zoon heeft toen met het dikke einde van de zweep op hem geslagen. Bessems heeft zich met een distelschopje verdedigd en dat op zijn aanvallers stuk geslagen, daarna is hij wegeloopen, door den oudsten zoon achtervolgd, in de sloot langs den weg gegooid en daarna hebben zij hem met hun beiden nog bewerkt, dat zijn hoofd bloedde uit slag- en krabwonden en een gat in het achterhoofd.

 

De burgemeester verklaart de zaak heel anders. Bessems had met opzet zijn paard tegen hem aangeleid, waarop hij hem vroeg:”Is geen plaats genog, kand’r neet sjuive?” Waarop Bessems zeide :”Vuur dich smeerlap, en de burgemeester toen geslagen heeft met de distelschop en dat toen eerst de zoons zijn tusschenbeide gekomen met het bekende gevolg.

De beide zoons verklaren in hoofdzaak hetzelfde.
Bessems zegt:  “Ik heb niet het eerste gescholden, wel heb ik gezegd: “Gij hebt drie priesters verjaagd en de nageboorte van een koe bij den pastoor aan de bel gehangen. De rechtbank kan informeeren bij kapelaan Heijnen en bij den pastoor uit Bingelrade”.

2009blz3

Wöllen Brouwers

Wöllem Brouwers, smid, verklaart dat de burgemeester den volgende dag bij hem stond te praten, dat Bessems toenlangs kwam en tegen den burgemeester riep: “Dat is noe ‘ne aandere tied es toen geer mich 50 gulde woldt geve veur Wullemke (de Smid) de roete in te gooien”.

Jan Jacobs, voerman te Beek, getuige, kent geen van allen, verklaart dat in het langs gaan de burgemeester het eerste wat zeide tegen Bessems, kon niet hooren wat. Wel heeft hij gehoord dat de zoon met de hazenlip schreeuwde: “Slaot ‘m op zene kop!” Ook zag hij dat de burgemeester het eerste een slaande beweging maakte en dat de oudste zoon met het dikke einde der zweep op Bessems sloeg. Bessems liep toen weg, de oudste zoon haalde hem in en sloeg hem toen nog in de sloot. Getuige Jacobs maakt op allen de indruk van betrouwbaarheid.

De ambtenaar v.h. Openbaar Ministerie Mr. Gadiot zegt, dat uit alles blijkt dat er mishandeling is gepleegd. Echter niet in vereeniging. De vader is het meest strafwaardig. Hij is zelf het hoofd der politie en moet zorgen, dat zooiets niet voorviel maar juist het voorbeeld geven. Uit de verklaringen van Jacobs blijkt, dat de burgemeester het eerst heeft geslagen, en die getuige maakt een geloofwaardigen indruk. Hij zal tegen den vader 50 gulden boete of een week hechtenis eischen, tegen den tweeden zoon 5 gulden boete, terwijl de oudsten zoon ontslagen wordt van rechtsvervolging.

Het krantenbericht
Het bericht in het landelijke dagblad Het Volk is een opvallend bericht dat een aantal vragen oproept. Het eerste wat opvalt, is dat in een landelijke krant zo uitgebreid aandacht wordt besteed aan zo een ordinaire dorpsvete. De vraag is of deze vete en de verwijten die men elkaar maakt zo bijzonder zijn dat deze een zo uitgebreid bericht in een landelijke, vooral op de Randstad georiënteerde krant recht-vaardigen. Opvallend is ook dat in dit bericht de nodige citaten staan in Limburgs dialect; weliswaar niet in het Keersj, maar wel in een aan het Keersj verwant dialect. Verder valt de kop boven dit bericht op waar nadrukkelijk wordt vermeld dat het om een Limburgse burgemeester gaat. Wil de redacteur daarmee suggereren dat dit vooral typisch Limburgs is?
Om deze vragen te beantwoorden wordt hieronder eerst iets gezegd over de krant waarin het bericht heeft gestaan en over de, waarschijnlijke, redacteur. Daarna wordt wat dieper ingegaan op het bericht zelf; op de beide hoofdpersonen; de verwijten die men elkaar naar het hoofd slingerde en de sfeer die in die tijd in ons dorp heerste, waardoor zo een voorval zo uit de hand kon lopen.

Dagblad Het Volk
Het dagblad Het Volk was een in 1900 opgericht landelijk Dagblad voor de Arbeiderspartij waarvan de socialist P.J. Troelstra de eerste hoofdredacteur was.
Het bericht is waarschijnlijk van de hand van de uit Gulpen geboortige Wilhelmus Hubertus Vliegen, die van 1907 tot 1914 politiek redacteur van het dagblad Het Volk was. Deze Vliegen was een van de grote voormannen van de sociaal-democraten in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij was in de periode 1909-1937 lid van de Tweede Kamer en van de Eerste Kamer.
Dat het om een in Gulpen geboren redacteur ging verklaart al voor een deel waarom deze dorpsvete deze landelijke krant heeft gehaald en waarom in het dialect van de streek geciteerd werd. Omdat Vliegen politiek redacteur was van deze socialistische krant en zelf voor de Sociaal Democratische Arbeiderspartij in de Tweede Kamer zat, was er des te meer reden om van het voorval in ons dorp, met de burgemeester van ‘roomse huize’ in het middelpunt, uitgebreid melding te maken.
het bericht moet daarom worden gelezen vanuit het gezichtspunt van de toenmalige voorvechter van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij. Dat neemt niet weg dat het voorval dat in die tijd in ons dorp plaats vond ook wel getuigde van twee bijzondere figuren.

De twee hoofdrolspelers
Mathijs Thomassen was in 1846 geboren in de gemeente Sint-Geertruid. Hij trouwde met de Eijsdense Catharina Houbiers. Hun gezin telde tien kinderen: vier jongens en zes meisjes, van wie er twee voor het kloosterleven kozen. Mathijs was in 1890 in Cadier en Keer komen wonen om hier hoeve Blankenberg te pachten. Vijf jaar later werd hij benoemd tot burgemeester, een functie die hij tot 1919 zou bekleden. Verder was Thomassen lid van het kerkbestuur, voorzitter van het kerkkoor en onder-voorzitter van het landbouwcasino (bond van landbouwers, die in bijna elk dorp een afdeling had: red.). Thomassen was dus een man die flink wat in de melk te brokkelen had binnen onze dorpsgemeenschap van, in die tijd, een duizend inwoners.

Zijn rivaal Johannes Wilhelmus Hubertus Bessems (voorletters in het krantenartikel zijn niet correct, red.) was 35 jaar, nog niet getrouwd en landbouwer van beroep. Hij was in Keer geboren en getogen en was in de ogen van sommige Keerdenaren, gelet op eerdere akkefietjes, geen ‘lieverdje’. Hij had niet zo veel op met de mores van het dorp en de sociale controle die daarbij hoorde. Dit in tegenstelling tot de notabelen, zoals de burgemeester en de pastoor, die aan die controle een deel van hun macht ontleenden.

2009blz6

Afscheid van burgemeester Mathijs Thomassen op Blankenberg in 1919.
De burgemeester staat in het midden met schuin rechts achter hem zijn opvolger Andrien Thomassen (geen familie van Mathijs)

De verwijten tijdens de rechtszitting
Uit de verwijten die in de rechtszitting over en weer door deze beide personen worden gemaakt, kan het een en ander worden afgeleid over Bessems en vooral ook burgemeester Thomassen waren.

‘De höbs dien Paosje neet gehauwe’.
Toen burgemeester Thomassen met zijn twee zonen met hun kar en paard en Bessems op zijn paard elkaar op de openbare weg passeerden, zou de burgemeester volgens Bessems, tegen hem hebben geroepen: ‘De höbs dien Paosje neet gehauwe’. In 1912 was dit een grof verwijt, omdat ‘Pasen houden’ voor katholieken een ‘zware’kerkelijke verplichting was. Het betekende dat Bessems werd verweten dat hij zich niet hield aan het vijfde gebod van de Heilige Kerk dat gebood ín de paastijd waardig te communiceren’. Daardoor had hij zich aan de Kerk onttrokken en daarmee ook aan zijn eeuwig heil.
Uit het feit dat de burgemeester dacht ervan op de hoogte te zijn dat Bessems zich niet aan die kerkelijke verplichting had gehouden, blijkt dat de burgemeester midden in de dorpsgemeenschap stond, waarin iedereen alles van iedereen wist en de sociale controle
groot was. Maar anders dan de andere inwoners meende de burgemeester hierop Bessems in het openbaar te moeten aanspreken. Dat burgemeester Thomassen dat deed, zegt iets over de bijzondere positie die hij zichzelf binnen die gemeenschap toedichtte. Hij vond niet alleen dat hij dat mocht, maar ook dat hij dat moest doen!

‘Drie priesters uit het dorp verjaagd'
De verwijten van Bessems tijdens de rechtszitting aan het adres van de burgemeester gaven intussen het meeste aanleiding voor het bericht in ‘Het Volk’. Het eerste verwijt van Bessems dat de burgemeester drie priesters uit het dorp verjaagd en verbannen zou hebben, wijst op een burgemeester die niet alleen de gemeente bestuurde, maar, als lid van het kerkbestuur en voorzitter van het kerkkoor, ook een heel dikke vinger in de pap had in kerkelijke zaken in het dorp. Nu kwam het in de dorpen wel meer voor dat een lid van de gemeenteraad of de wethouder tevens lid van het kerkbestuur was, maar dat de burgemeester zelf ook de kerk meebestuurde was minder gebruikelijk. Dat zijn stem zo zwaar telde dat hij niet minder dan drie priesters uit het dorp zou hebben kunnen ‘verjagen’ was wel heel apart. Het lijkt erop dat Bessems zich wel realiseerde dat hij niet zo maar met zo een zware beschuldiging bij het Openbaar Ministerie kon aankomen. Daarom voerde hij kapelaan Heijnen op als iemand die zijn bewering zou kunnen staven. Van deze kapelaan weten we dat hij tien jaar, van 1902 tot 1912, in ons dorp in functie was en dat hij is vertrokken rond de tijd dat de aanvaring tussen de burgemeester en Bessems plaatsvond. Dat laatste zou kunnen betekenen dat burgemeester Thomassen inderdaad de hand heeft gehad in het vertrek van Heijnen. Zeker weten we dat niet; temeer omdat het in die tijd helemaal niet zo vreemd was dat een kapelaan na een periode van tien jaar een parochie verliet.

2009blz8

Joseph Thomassen (bij het paard) en Sjang Thomassen (vooraan) tijdens het dorsen van het gemaaide koren
bij hoeve Blankenberg met behulp van een mechanische dorsmachine

Nageboorte van een koe aan de bel gehangen
Het tweede verwijt van Bessems aan burgemeester Thomassen zal de ambtenaar van het Openbaar Ministerie nog vreemder in de oren geklonken hebben dan het eerste. Het kwam in die tijd misschien wel vaker voor dat mensen de nageboorte van een koe bij iemand aan de deurbel hingen. Het was een primitieve uiting van afkeer van degene die deze ‘verrassing’ aan zijn deurbel kreeg gehangen. Maar Bessems’ bewering dat het deze keer de burgemeester was geweest die daarmee zijn afkeer van de pastoor had laten blijken ging wel erg ver. Ook dit leek Bessems te beseffen en daarom verwees hij naar de pastoor van Bingelrade als mogelijke getuige.
De pastoor van Bingelrade was Jan Renier Voncken, de voorganger van kapelaan Heijnen in Cadier en Keer. Deze was hier kapelaan van 1897 tot 1902. Dat was in de periode van pastoor Waelbers, waarvan bekend is dat het niet boterde tussen hem en een deel van zijn parochianen. Vermoedelijk was Waelbers daarom de pastoor, van wie Bessems beweerde dat die de nageboorte van een koe aan zijn huisbel had gevonden. En Bessems zal geweten hebben dat de toenmalige kapelaan Voncken van Keer van dit voorval volledig op de hoogte was en dus voor het Openbaar Ministerie zijn bewering zou kunnen bevestigen.

Nog een verwijt
Na de vechtpartij is Bessems bij herbergier Mathijs Souren naar binnen gegaan (hoek Rijksweg-Bemelerweg). Souren verklaarde dat Bessems verschillende bloedende wonden had in zijn aangezicht en zijn achterhoofd. De herbergier gaf hem de gelegenheid zich te wassen en wat op te frissen. Tegen Souren verklaarde hij: drei tieëge èin, dat ès te väöl, meh iech bin nog neet kepot (drie tegen één, dat is te veel, maar ik ben nog niet uitgeschakeld). Wellicht heeft hij daarna nog een stevige borrel gedronken. Want dat Bessems iemand was die zich niet snel klein liet krijgen, blijkt uit de verklaring van de smid Willem Brouwers dat Bessems de dag na de vechtpartij de burgemeester toeriep: “Dat is nouw ‘ne aandere tied es toen geer mich 50 gölle wolt gieëve vuur beej Wöllemke, de Sjmieëd, de roète in te goeje”. (Dat is nu een andere tijd als toen u mij 50 gulden wilde geven om bij Wöllemke, de smid, de ruiten in te gooien).
Ook hier weten we het niet met zekerheid, maar die beschuldiging van Bessems aan het adres van Thomassen zou wel eens terecht kunnen zijn. Dat zou tenminste kunnen worden afgeleid uit de veroordeling van de burgemeester door het Openbaar Ministerie.

2009blz10

Foto ± 1915.
deze bouwvakkers herbouwen na een brand café Souren boven aan de Keerderberg, hoek Bemelerweg.
staande tweede van links Jupke Vliegen, derde van links herbergier Mathijs Souren.
Zittend in het midden: Colla Pluijmakers

Twee kampen in het dorp
Blijft de vraag hoe het mogelijk is dat deze ruzie in ons dorp indertijd zo hoog kon oplopen en hoe het kan dat een burgemeester zich aan dit soort activiteiten bezondigde. Hoewel er ongetwijfeld meer oorzaken zijn en de figuur van de burgemeester zeker heeft meegespeeld, heeft waarschijnlijk de verziekte sfeer die in die tijd in ons dorp heerste er sterk toe bijgedragen dat deze vete zo uit de hand kon lopen. Rond1900 was Keer namelijk min of meer verdeeld in twee ‘kampen’. Er waren twee zangkoren, waarvan de besturen elkaar naar het leven stonden en twee handboogschutterijen, die elkaar het licht niet in de ogen gunden.
Zo een verdeling in twee kampen in een dorp was zeker in die tijd niet ongebruikelijk, maar dat Thomassen gekozen aanvoerder was van een van beide partijen, moest wel tot grote problemen leiden. Dat gold temeer omdat de burgemeester ook nog in het kerkbestuur een flinke vinger in de pap had.

Tenslotte
Dat het dagblad Het Volk zo uitgebreid aandacht heeft besteed aan deze dorpsvete en de rol van de burgemeester daarin, had alles te maken met de tijd waarin dit voorval zich afspeelde, Het was de tijd waarin Het Volk als spreekbuis van de SDAP dit soort voorvallen aangreep om te laten zien hoe de heersende klasse misbruik maakte van de macht die ze hadden. Mensen als burgemeester Thomassen stonden de verheffing van het proletariaat in de weg en moesten daarom worden bestreden. Waarom het nodig was in de kop van het artikel zo nadrukkelijk te vermelden dat het om een Limburgsche burgemeester ging, wordt intussen uit het artikel zelf niet duidelijk. Deze kop zal zijn voortgekomen uit het ook nu nog regelmatig de kop opstekend vooroordeel, dat dit soort voorval overal kunnen gebeuren, maar vooral in Limburg.

 

Gebruikers
5
Artikelen
2065
Artikelen bekeken hits
8098209

Today 8

Yesterday 23

Week 198

Month 498

All 145808

Currently are 21 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME