Advertentie “redde” levensloop van zoontje

 door Lei Haesen

 Op 24 december 1894, de dag voor Kerstmis, kort voor drie uur in de middag, streek een vermoedelijk dan al doodzieke vrouw, moeder met een ongeveer vier jaar oud kind, neer op een bank voor het woonhuis van het gezin van Jan Hubert Brouwers en zijn vrouw Anna Elisabeth Brouwers in de Dorpsstraat (nu Kerkstraat) naast de toenmalige pastorie. Omstreeks drie uur overleed zij, zittend naast haar zoontje. Had de vrouw met het jongetje evenals bijna tweeduizend jaar tevoren een andere moeder met kind, tevergeefs bij verschillende woningen om hulp aangeklopt, maar slechts gesloten deuren gevonden?

 

Zwerfster

 

...overleed zij, zittend naast haar zoontje
(tekening: Jean Keulen)

 

 Na de Kerstdagen verschenen voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Cadier en Keer akkerbouwer en wethouder Egidius Vliegen en hoefsmid Andries Huijnen om aangifte te doen van het overlijden van een onbekende vrouw. De leeftijd van de nog jonge vrouw – naar later zou blijken een bedelares en landloopster – werd door de aangevers geschat op dertig tot vijfendertig jaar. De kleding van de arme overledene bestond uit twee zwarte hoofdomslagdoeken, een paar zwarte kousen, een paar klompen, twee rokken en een witte onderbroek. Alles was zeer versleten en zat vol ongedierte. Zij had dertien cent op zak. De vrouw was anderhalve meter lang, had donkerblond haar en donkerblonde wenkbrauwen, een gewone neus en mond, blauwe ogen en een laag voorhoofd. Zij miste enkele voortanden. Wij zouden over dit stukje menselijk drama vermoedelijk niet verhaald hebben, ware het niet dat de vrouw vergezeld geweest was van een kind. Hoe is het met dit jongetje verder gegaan? Die vraag hield ons bezig en na enig speurwerk kwamen wij een en ander over de ongelukkige vrouw en haar zoontje te weten. In de archieven van de voormalige gemeente Cadier en Keer vonden we correspondentie over dit trieste voorval en in het gemeentearchief aldaar, was zelfs nog een dossier van het jongetje aanwezig

Gemeentegraf    

Kort na het overlijden van de moeder slaagde men erin haar naam te achterhalen: Wilhelmina van Wageningen, geboren omstreeks 1856 in Amersfoort, ongehuwd en Nederlands Hervormd gedoopt. Komende van Amersfoort verbleef zij eind jaren tachtig van de vorige eeuw als dienstmeid in Utrecht. Eind 1889 of begin 1890 vertrok zij uit deze stad, samen met een niet met naam genoemde scharenslijper, en leidde sindsdien een bedelend bestaan. Enkele maanden voor haar overlijden verbleef zij enige dagen in een logement in Venlo, samen met het jongetje en een zekere Jacob Hunners, geboortig uit Groningen. Of deze Jacob identiek is met de onbekende scharenslijper is niet bekend. Zeker is, dat zij verder naar het zuiden reisde en in Maastricht belandde. Dat laatste verklaarde zij althans kort voor haar dood aan de toenmalige parochieherder van Cadier en Keer Andreas Waelbers. Zoals de vrouw stierf, eenzaam en door iedereen verlaten, zo zou ook haar laatste rustplaats worden. Zij werd als niet-katholiek begraven op een smalle strook gemeentegrond met een lengte van veertig en een breedte variërend van één tot vijf meter, gelegen langs een holle weg op ongeveer een kwartier afstand van de kom van ons dorp.

De juiste ligging van deze begraafplaats leek gemakkelijk te bepalen, zeker nadat wij in een schrijven van het provinciaal bestuur het kadastraal nummer vonden (sectie A, nr.1805). Wij konden met behulp van een oude kadasterkaart de juiste plek vaststellen. In elke gemeente diende een algemene begraafplaats aanwezig te zijn. In de meeste plaatsen werd doorgaans bij het katholiek kerkhof daarvoor ruimte gereserveerd. In ons dorp had de gemeente in 1871 een perceeltje langs de Trichterweg tot algemene begraafplaats aangewezen. Er was ruimte voor ongeveer vier tot zes graven. Aan de rechterkant van de holle weg naar Huize St. Joseph en ongeveer ter hoogte van de achterzijde van de nu afgebroken mulo/mavo aan de Rijksweg (naast het voormalig klooster) werd de vrouw begraven.

 2_blz

Het perceel van de voormalige algemene begraafplaats langs de Trichterweg waar Wilhelmina van Wageningen haar laatste rustplaats vond

 Ook weten wij uit de nog in het gemeentearchief aanwezige correspondentie dat de provinciale gezondheidscommissie, zetelend in Meerssen, het gemeentebestuur bij herhaling (onder meer in 1904 en 1907) maande een afrastering te plaatsen rond deze begraafplaats. De commissie achtte het ongepast, dat karren over de aldaar begraven liggende overledenen reden. Vanwege de daarmee gemoeid zijnde kosten schoof de gemeente de uitvoering van deze verplichting blijkbaar op de lange baan en geleidelijk raakte het kerkhof in verval en in vergetelheid. Immers, toen de provincie in 1941 in een vertrouwelijk schrijven de gemeente attendeerde op het bestaan van een algemene begraafplaats, fronsten onze dorpsbestuurders verbaasd de wenkbrauwen. In antwoord op de brief van de provincie verklaarden zij, dat bij navraag gebleken was, dat er inderdaad een algemene begraafplaats was en dat aldaar 46 jaar geleden een onbekende vrouw begraven werd. Uit deze opmerking mogen wij concluderen, dat Wilhelmina van Wageningen de enige persoon was die hier ter aarde werd besteld. Tot opheffing van het kerkhof was nooit een verzoek ingediend.

Graf_zwerfster

 

De laatste rustplaats van Wilhelmina van Wageningen: eenzaam en door iedereen vergeten
(Tekening: Jean Keulen)

 In de jaren zestig werd in verband met werkzaamheden ten behoeve van een betere afwatering langs de Trichterweg de begraafplaats met de stoffelijke overblijfselen van Wilhelmina geruimd. In het archief van de gemeente zijn van deze ruiming geen stukken (meer) aanwezig.

En het kind?       
Zowel in Amersfoort als in Utrecht wist men over een mogelijke zoon niets te vertellen. Het jongetje was oud genoeg om zijn naam te kennen: Jantje. Maar een kind zonder geboorteakte bestaat in onze wetgeving niet. De speurtocht naar zijn identiteit zou bijna vijftien jaar gaan duren. Keerder dorpsbestuurders ondernamen al vrij snel pogingen het jongetje in een tehuis te plaatsen. De reden daarvoor was echter niet zo nobel. In een schrijven van de burgemeester aan de gouverneur lezen wij namelijk: “…dat de opvoeding van dit kind in een totaal Katholieke gemeente ongepast is en zeer kostbaar, temeer voor eene Kleine Arme gemeente. En als Cadier en Keer tot die kosten genoodzaakt werd, zou dit betreurenswaardig zijn; zoo onschuldig met iets vreemds ten onrechte in de val te loopen, dat zij vermeenen, dat zulke landlopers ten kosten van het Rijk komen”. Op advies van de gouverneur nam men contact op met het gesticht De Heibloem, maar opname was alleen mogelijk indien een geboorte- of doopakte overgelegd kon worden. Men wilde weten of het kind protestants of katholiek gedoopt was en wie de kosten betalen zou. Jantje geheel voor rekening van de gemeente te laten opnemen in De Heibloem kostte per dag 35 cent en dit ging de draagkracht van onze gemeente blijkbaar te boven. Van de totale gemeentelijke inkomsten van ongeveer 2500 gulden zou jaarlijks een bedrag van bijna 128 gulden voor de opvoeding van het jongetje gereserveerd moeten worden. Het kind werd voorlopig op kosten van de gemeente ondergebracht bij Johannes Lardinois in Keer.

Burgemeester Egidius Vliegen wendde zich vervolgens tot de deken van Wijck-Maastricht en tot de bisschop. Deze stelden voor voogden te benoemen, opdat het kind dan gedoopt kon worden. De ook in die tijd bestaande bureaucratie besliste echter anders. De kantonrechter in Gulpen berichtte, dat hij geen voogden mocht aanstellen, daar niet bewezen kon worden van wie het kind was. Een vicieuze cirkel. Een verzoek aan de arrondissementsrechtbank in Maastricht om het kind als vondeling te laten registreren, werd eveneens afgewezen: er was immers geen sprake van het vinden van een pasgeboren kind. Ook het protestants weeshuis in Maastricht wilde het kind alleen opnemen indien een bewijs van herkomst van de vader en de moeder overhandigd kon worden. Opnieuw verstreek een jaar. Eind 1896 nodigde de kantonrechter twee leden van het Armbestuur van Cadier en Keer uit om als voogd en toeziend voogd benoemd en beëdigd te worden, indien althans het zoontje nog niet in een opvoedingsgesticht was opgenomen. Er kwam nu enig schot in de zaak. Het kind werd medisch onderzocht en gevaccineerd. De onderzoeksarts verklaarde, dat het jongetje “niet bepaald ziek is, maar zwak en klierachtig, maar dat zal met de leeftijd wel beter worden”. De regenten van het protestants weeshuis in Maastricht verklaarden zich in januari 1897 bereid het kind in hun tehuis op te nemen. Dat gebeurde ook daadwerkelijk in maart van dat jaar. 

2blz8

Drie jaar later dienden de regenten van het weeshuis bij de rechtbank een verzoek in om de akte van overlijden van de vrouw aan te vullen met haar inmiddels achterhaalde naam en burgerlijke staat en de aantekening dat zij vermoedelijk de moeder was van het haar vergezellend kind. Zij vreesden namelijk dat, gezien de omstandigheden, de moeder het kind in geen enkel gemeentelijk geboorteregister had laten inschrijven. Helaas, de president van de rechtbank wees het verzoek af. Er was geen enkel bewijs, dat de vrouw ook de moeder van het kind was. Zowel de rechtbank als de raadsman van het Gereformeerd Weeshuis konden ook geen andere oplossing aandragen. In het hele Burgerlijk Wetboek was geen artikel te vinden hoe gehandeld moest worden in het geval van Jantje. Anders gezegd: op papier bestond Jantje gewoon niet.

 Intussen ging het jongetje naar de gemeentelijke school  (de openbare lagere school) in Maastricht. De jaren verstreken. De regenten van het weeshuis waren echter doordrongen van de problemen die Jan nog te wachten stonden wanneer aan zijn bestaan  geen officiële status werd gegeven. Bij de meeste rechtshandelingen (bijvoorbeeld een huwelijk) moest een uittreksel van de akte van geboorte overgelegd worden. Jan was inmiddels negentien jaar oud, toen de regenten een laatste poging ondernamen, Men vond misschien wel de meest doeltreffende oplossing: het uitloven van een beloning aan degene, die de geboorte akte van Jan kon opsporen. Daarvoor plaatste men een advertentie in een tweetal weekbladen bestemd voor het gemeente personeel in Nederland. Deze bladen verschenen op zaterdag.

 

2blz9

 Advertentie, geplaatst op 12 juni 1909 in “De Gemeente-Stem. Weekblad aan de belangen van de gemeenten in Nederland gewijd”

 De uitgeloofde beloning van tien gulden – in die tijd meer dan gemiddeld weekloon – liet het ambtenaren apparaat nog dezelfde dag (er was geen vrije zaterdag) op volle toeren draaien. Heel wat ambtenaren van de Burgerlijke Stand in Nederland zullen ongetwijfeld in de registers van geboorte gespeurd hebben in de hoop de gevraagde akte te vinden. En met succes! Nog dezelfde dag ontving het weeshuis een telegram uit Haarlemmermeer, waarin ene Eggink meedeelde dat hij de akte opgespoord had. De maandag daaropvolgend ontving het weeshuis twee brieven: één van een volontair ter secretarie in Haarlemmermeer (iemand die zonder of tegen geringe bezoldiging werkzaam is) en één van de burgemeester van deze gemeente. De burgemeester schreef, dat twee ambtenaren van zijn secretarie de akte opgespoord hadden ( Eggink en de volontair). Er was een geschil gerezen over wie de akte nu het eerst gevonden had en de beloning mocht ontvangen. De regenten van het weeshuis aarzelden niet en stuurden onmiddelijk een postwissel naar de burgemeester. Hoe deze laatste het geschil tussen zijn twee ondergeschikten heeft opgelost, weten we niet. Twee dagen later kwam het lang gezochte uittreksel van de geboorte akte van Jan. Hieruit bleek dat hij geboren was op 14 mei 1890 in Haarlemmermeer in de woning van de slachter Jan Gladpootjes, genoemd werd Johannes Cornelis en een zoon was van de ongehuwde Wilhelmina van Wageningen. Gezien het jaar van geboorte is het niet onwaarschijnlijk, dat de onbekende scharenslijper de natuurlijke vader van het jongetje was. Liet hij Wilhelmina in de steek of verliet juist de vrouw hem? Werd Wilhelmina mogelijk mishandeld? Het missen van enkele voortanden bij een nog zo jonge moeder zou daarvoor een aanwijzing kunnen zijn.

 Het weeshuis stelde per brief ook de burgemeester van Cadier en Keer op de hoogte van het achterhalen van de akte. De briefschrijver eindigde net de woorden: “Het doet mij intusschen genoegen voor Jantje dat deze duistere zaak is opgehelderd”. De verdere levensloop van Jan na zijn vertrek uit het weeshuis hebben wij niet verder onderzocht. Hij vertrok op 29 december 1911 uit het  tehuis en ging in Houthem wonen. Zou hij ooit nog eens het graf van zijn moeder aan de Trichterweg bezocht hebben of was er toen geen grafsteen of -kruis meer aanwezig die de laatste rustplaats markeerde van deze ongelukkige vrouw?

Bronnen:
gemeente archief Maastricht; archief Gereformeerd Weeshuis, inv. nr.276;
 gemeente archief Margraten; archief gemeente Cadier en Keer, inv. Nrs, 57,58 en 76. 

 

Gebruikers
5
Artikelen
2050
Artikelen bekeken hits
7592829

Today 38

Yesterday 49

Week 131

Month 369

All 135041

Currently are 28 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME