Vroegere inwoners

Een sprong terug in de tijd
Het gezin Vliegen - Spronck
door Margriet Smeets-Weusten (Sittard)

Dit artikel heb ik geschreven naar aanleiding van gesprekken die ik gevoerd heb met mijn moeder, Lies Weusten – Vliegen (23-01-1919), en mijn tante, Maria Gilissen – Vliegen (12-08-1917). Zij waren de twee jongste zussen uit het Keerse gezin van Sjang Vliegen en Agnes Spronck. Vele jaren geleden zijn beide zussen uit Keer vertrokken. In onze gesprekken maken zij een sprong terug in de tijd en vertellen anno 2007 hoe het was om in het begin van de vorige eeuw op te groeien in een klein dorp op een boerderij.

De grootouders Vliegen - Brouwers
De grootouders van de twee geïnterviewde zussen, Egidius Vliegen (1843-1922) en Anna Catharina Hubertina Brouwers (1844 – 1901), woonden met hun gezin in de grote boerderij tegenover de kerk, tussen de Väörsjtraot en de Echtersjtraot. Verlate kerkgangers gebruikten vaker de doorgang vanuit de Echtersjtraot, als toegangsweg naar de kerk. Zij kwamen dan aan de achterkant binnen en liepen langs de notenboom (die Lies nog geplant heeft, maar kortgeleden is omgehakt). Via een gangetje en de binnenplaats van de boerderij kwamen zij dan door de grote poort recht tegenover de kerk uit.

Grootvader Egidius was akkerbouwer en vele jaren raadslid. Zijn gezin was niet van leed gespaard gebleven: van de in totaal twaalf kinderen stierven er tussen 1901-1909 vier, ze waren weliswaar volwassen maar nog ongehuwd. Eerder waren al drie kinderen zeer jong overleden. Een tragisch gebeuren waarvan de mensen tot in de wijde omtrek op de hoogte waren, ook jaren later nog.
Over het gezin van hun zoon, Sjang, gaat dit artikel.

De dood van vader
Sjang Vliegen (geb. 1873) nam de boerderij over van zijn vader Egidius. Hij trouwde in 1907 met Agnes Spronck (va de Gard), (geb.1880). Ze kregen zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes: Bèr, Sjeng, Giem, Pierre, Nèt, Maria en Lies.

2007blz11

Tussen de Limburgerstraat (beneden) en de Kerkstraat.
Vanaf links: achterzijde zusterklooster, voorzijde graanhandel Ackermans en dan de achterzijde van de carré boerderij Vliegen–Spronck.
Aan de Kerkstraatzijde is de oude kerk nog zichtbaar

In juni 1918 stierf Sjang Vliegen op 46-jarige leeftijd na een huwelijk van 11 jaar. Hij liet zijn vrouw achter met zes kinderen en het zevende was op komst. Zijn vader Egidius, die bij hem inwoonde, overleefde zijn zoon nog een paar jaar.
Lies: ”Vader had een maagzweer en daar had hij een tijdje mee op bed gelegen. De dokter zei: laat je daar aan opereren, dan ben je daar van af. Toen is hij in het ziekenhuis in Maastricht geholpen en op een nacht opgestaan en gevallen. Daarbij heeft hij een bloeding gekregen waar hij aan gestorven is. Mooder is, midden in de nacht met noonk Wöllem (waarover straks meer) naar Maastricht gegaan en ze heeft steeds mèt e tekske mèt wièwater kruuskes op um gemak, dat er mer good röstig koes insjlaope.
Maria: ”Vader lag daar mèt de ganse kop verboonde, en ze haet misjien nog e paar wäörd tieëge ‘m kinne zègke en dow waor vajjer zaliger doêd.”

2007blz12

Met baard Egidius Vliegen, rechts achter hem zijn zoon Sjang

Voor mooder was dit natuurlijk een ramp. Ze moest nu in haar eentje de boerderij bestieren en de kinderen ‘groottrekken’. Bij de geboorte van het laatste kind (Lies) was ze dan ook erg verdrietig.
Lies: ”Bij mijn geboorte was er een vrouw in huis om haar te helpen. Zij had een ongelukkig huwelijk, want haar man dronk nogal en als hij thuis kwam was hij aan ‘t sjpektakele. Dan ging die tante in de kippenstal naast het huis slapen, zodat ze daar niet mee te maken kreeg. Mooder huilde toen ik geboren werd en toen zei die vrouw Foj Nes, sjei toch oet mit buuëke, ich wow dat iech in dien plaatsj waor.
Dat mooder moest huilen was wel begrijpelijk. De geboorte van dit laatste kind zal de herinneringen aan haar gestorven man nog hebben verhevigd, maar ze verwerkte het verdriet in haar eentje. Ook toen de kinderen al wat groter waren, praatte mooder niet veel over vader, waarschijnlijk omdat het verlies voor haar te pijnlijk was. Hij werd wel altijd aangehaald als het goede voorbeeld, zeker wanneer er iets passeerde dat niet helemaal was zoals het hoorde. Op die manier bleef vader voor de kinderen een voorbeeld, ook al was hij dood.
Lies: ”Mooder zei altijd dat het zoe ‘ne goje minsj waor…en dat, als vader nog was blijven leven, alles beter zou zijn gegaan.”

Naar het kerkhof gaan om te bidden bij zijn graf, heeft mooder niet vaak gedaan. Maar dat had een andere reden: het graf was verdwenen.
Maria: ”Ja, met dat kerkhof, is het een beetje raar gegaan. Ze höbbe dow de toere verzat en dao sjuus bei-j d´n toere, dao laog miene vajjer begrave. Dow höbbe ze dat graaf dao ureges eweg gedoeën en vier höbbe noets gei graaf va vajjer zaliger mie gehad.”
(Noot van de redactie: De toren is toentertijd niet verplaatst, wel is het kerkhof heringericht. Dit ging blijkbaar ten koste van het graf van Sjang Vliegen).
De grafsteen van mooder, in de vorm van een kruis zoals alle grafstenen in die tijd in Keer, is gelukkig wel gespaard gebleven bij de laatste ruiming van het Keerder kerkhof. Deze steen staat nu in de tuin van een dochter van Maria, als een blijvend memento mori voor een sterke Keerder vrouw.

Hulp van anderen
Wat bleef was een groot gezin dat zonder de vaste hand van een vader verder moest. Maar gelukkig waren er genoeg mensen, familie en buren, die Agnes Spronck bijstonden.
Lies: na de dood van vader nam moeder Sjang Nelissen in dienst als knecht voor dag en nacht. Pastoor Stassen vond dat niet passend voor een weduwe. Toch is Sjang 15 jaar in dienst gebleven en al die tijd een grote steun voor moeder geweest. Ook van buren kreeg moeder veel hulp. Deze hulp was in die tijd meer noodzakelijk dan in latere jaren. Er waren immers geen sociale voorzieningen, waarop men een beroep kon doen. Als de kostwinner wegviel, kon een gezin tot diepe armoede vervallen. Het was daarom zaak dat mensen – indien nodig - elkaar zoveel mogelijk hielpen, want dan konden ze ervan op aan dat zij, in geval van nood, ook geholpen zouden worden. De opvatting van de kerk over christelijke naastenliefde speelde daarbij een belangrijke rol. Ook de familie zorgde in de meeste gevallen voor enige bijstand.

Lies: ”Mooder had twee broers, noonk Wöllem die ook voogd over ons was en noonk Zjozef. (Redactie: deze broers werden in ons dorp Wöllem en Zjozef va de Gard genoemd. De eerste was onderwijzer in Keer, de tweede was landbouwer en woonde in de boerderij naast de Meusenhof).

 2007blz14a  2007blz14b

Links Wöllem Spronck (va de Gard)

Rechts Zjozef Spronck (va de Gard)

 

Beide broers hebben mooder wel geholpen, trouwens ook haar zusters tante Triene en tante Maria. Ja… en de buren va de Sjmieëd Huinen, daar gingen wij veel heen en die kwamen ook veel bij ons. Vooral Nèt Huinen was vaak bereid om bij mooder langs te komen. Ze kreeg ook hulp van andere vrouwen. Zoals van Berb va Pietsje, die zei: heej mòt mèt water gewirk wuure! Zei-j sjmieët de ummersj water in de kuëke en dan mèt ene buurjstel nao boete gekaerd. ”

2007blz15

1ste rij vanaf links: Zjang Nelissen; Jean Gilissen ( uit gezin Gilissen- v.d.Weerdt); Aline Gilissen (uit gezin Gilissen-v.d.Weerdt); Lies Gilissen (uit gezin Gilissen- v.d.Weerdt), Lies Vliegen (uit gezin Vliegen-Spronck).
2e rij vanaf links: Nèt Vliegen (uit gezin Vliegen-Spronck), Maria Vliegen (uit gezin Vliegen-Spronck) en moeder Nès Vliegen-Spronck

Foto gemaakt door Baer Vliegen rond 1933

Maria: ”De Lanckoor, die woonde op de grote boerderij naast de kerk (de Meussenhof), kwam geregeld naar mooder met raad en daad en ik weet nog dat mooder met hem een nieuw paard is gaan kopen…wiej ze truuk kaom zag ze: Foj keend, dat is toch väöl gêld…
Dat mooder alleen met hulp van knechten en later haar zonen de boerderij bestierde, was al heel wat, maar paarden kopen, dat kon je blijkbaar niet aan een vrouw alleen overlaten!

Zelfstandig leven
Toch was mooder geen somber mens. Ze kon heel hartelijk lachen en ze haalde veel steun uit het geloof en de kerk. Maar ze moest wel heel hard werken en ze had weinig tijd voor vertier of ontspanning.
Maria: ”En dan zaot ze op zoondig de Veldbode te lieëze, dat waor aal wat mooder houw.

Mooder had vroeger wel eens contact gehad met een man, die later weduwnaar werd. Nadat mooder ook weduwe was geworden, zocht deze man haar opnieuw op om te kijken of zij niet alsnog samen verder zouden gaan. Dit was - zeker in die tijd - een voor de hand liggende oplossing voor twee gezinnen die door overlijden een vader of moeder ontbeerden. In dit geval was er zeker ook sprake van wederzijdse sympathie en niet alleen van economische motieven.
Maria: ”Die man had een heel goede baan op het gemeentehuis in Heer, maar mooder is toch niet met hem getrouwd. Toen wij als kinderen daarachter kwamen, zei Nèt van ons: Goh, wat sjtom dat mooder dao neet mèt getrouwd is, dan waore vier noe keender va de börgemeister! Maar mooder was toen nog op een leeftijd dat ze ook nog samen met hem kinderen had kunnen krijgen en dat vond ze niet zo´n goed idee: dae meinsj houw keender en iech höb keender en dan zaot v’r mèt dreiderlei keender en dat voond iech vuur uuch aoch nieks.
Mooder ging dus alleen verder en hield zich bezig met werken en zorgen. Het merendeel van de grond was in eigendom en de boerderij ook. De bezittingen werden openbaar verkocht toen vader Sjang Vliegen stierf en er gedeeld moest worden. Mooder heeft het bedrijf gekocht om de boerderij te kunnen voortzetten.
Lies: ”Daar heeft ze, vanwege de hypotheek, ook altijd interest en aflossing voor moeten betalen. Mooder wist zelf precies wat ze wilde. Ze had wel ruggesteun aan bijvoorbeeld noonk Wöllem, maar ze besliste zelf. Noonk Wöllem vond dat ze de jongens naar school moest laten gaan in Maastricht om een vak te leren. Maar zij wilde dat niet, want ze had dat bedrijf opgezet samen met vader en daar wilde ze liever zelf mee doorgaan en de jongens aanzetten tot het boerenbedrijf.”

2007blz16
Maria Vliegen vuur de kwiesenjaer aan ‘t preuve

Meewerken op de boerderij
Als kinderen moesten Lies en Maria al wat meewerken op de boerderij, net als alle andere kinderen in het dorp. Dat begon al vroeg, toen ze een jaar of vijf waren.
Lies: “De moes zörrege dat der hoût waor um de kachel aan te make.”
Maria: “Jao, ene struuwösj make vuur sjmörreges ‘t vuur aan te make en ‘t hoût inhoeële. En later mèt de kar mit goeën milleke… meh toch neet dèk… iech hauw mie angs vuur ‘n koo es get aandersj.
Lies: ”Als er gebakken werd, moest je de platen insmeren, waar ik een verschrikkelijke hekel aan had. Dan woeërd get oeëlie op ein plaat gesjöd en dan kreegs diech ene dook en dan moes-te al die plate doên en dat waore d´r waal ’n twìntig…Aan afwassen probeerde je natuurlijk te ontkomen. Ook moesten we ‘t hoês oetkaere…maar dat ging allemaal zo vreselijk met de Franse slag.”

Toen Lies ouder was, werkte ze veel samen met Nèt. “Gaan melken, bieten schoffelen en op rij zetten. Daar zat je dan dagen voor in het veld. De kroteblajer inhoeële, inbeende in bössele en oplaje en hêim moes dat dan gehak wuure. Reube oettrèkke, oe ze vêlder vòl van hauwe vuur ‘t vie.” Zo’n boerderij kende veel verschillende soorten werkzaamheden, die ook voor een gedeelte wisselden met het jaargetijde. Van kleins af aan werden de kinderen eraan gewend om mee te werken. Nèt, de oudste zuster van de drie, heeft altijd het meeste werk moeten doen. Ook de jongens werkten hard mee. Ze deden natuurlijk ander werk, de paarden en het vee verzorgen en naar het veld gaan. En dan had mooder op advies van haar broer Joseph een graanmolen gekocht, waar mensen graan konden laten malen, maar dat heeft niet zo lang geduurd; de jongemannen Vliegen waren niet zo een geweldige zakenmensen.
Lies: “Sjuus uzze broor Bèr, die deed niet zoveel boerenwerk. Maar ja, as oudste houw’r toch ‘t meiste in te bringe.”
Maria: “ Bèr is veel ziek geweest en dan ging hij kuren in België, in Spa.”

Een andere broer, Giem of Giljom, ging voor priester studeren in Haastrecht bij de passionisten. In die tijd werd het als een grote eer beschouwd om een priesterzoon in de familie te hebben. Bijvoorbeeld, bij noonk Wöllem ging zoon Sjirra voor priester leren, terwijl de oudste dochter naar het klooster ging.

2007blz18

Boerderij Vliegen vóór de restauratie (nu Kerkstraat 139)

Maria: ”Wanneer Giljom in de vakantie naar huis kwam kreeg ‘r in de kamer ein tas koffie mèt e sjuuëtelke d’r oonder. Dat woeërd aandersj in de kuëke gedoeën, meh omdat ‘r vuur preester aan ‘t liere waor, kreeg ‘r dat in de kamer.” Giem maakte het kleinseminarie niet af.
Maria: “De letste kier dat mooder Giem nao de sjtaasie brach, drei-jde hieë ziech um en zag: Mam, iech gao wir mèt truuk. En dow is hieë gesjtop.” Sjirra van noonk Wöllem is wel verder gegaan met de opleidingen.

Giem ging, nadat hij zijn priesterstudie had afgebroken, in Duitsland bij een boer werken om wat meer te leren van landbouwmethodes. Later, rond 1960, heeft Giem een belangrijke rol vervuld bij de sanering van de boerenbedrijven. Hij was secretaris van een of andere commissie die deze saneringsoperatie begeleidde. Een belangrijk man in de Keerder gemeenschap, ook vanwege zijn kerkmeesterschap.

Kindertijd
Mooder had geen tijd om met de kinderen te spelen. Het werk moest gedaan worden en veel kompeleflouzen (poespas) werden niet gemaakt. De kinderen hielden elkaar bezig met hinkelen, hùive, met een bal spelen en het spel van aafklepperke (verstoppertje spelen) beej de kèrk en de lìndeboûm. Ander vertier was er niet.
Lies: ”Ik had een keer op school een boek besteld over een veldwachter. Dat boek had zo`n dik papier zoals ze dat vroeger hadden, met van die kartelrandjes. Het was blijkbaar een duur boek en toen uitkwam dat ik dat besteld had, heeft mijn broer, Bèr, miech patse um miene kop gegieëve en dow bin iech buuëkend ‘t briekkehoes ingerend en tieëge de jaskapstok aangekroeëpe. Dat was de eerste keer dat ik klappen kreeg”. Dit boek over de veldwachter is later nog de hele familie rondgegaan en werd met plezier gelezen!

Er werd in die tijd niet veel op de kinderen gelet. Ze konden vaak hun eigen gang gaan. Er werd natuurlijk wel van de kinderen verwacht dat ze op bepaalde tijden thuis waren en dat ze de hun toegewezen werkzaamheden verrichtten, maar het meer directe toezicht dat in de huidige tijd zo sterk speelt, was er niet. Dit had ook te maken met het feit dat op een boerendorp de meeste mensen min of meer hetzelfde soort werk deden, in of rondom het huis of op het veld, zodat er altijd overal wel mensen waren om een praatje mee te maken.
Lies: ”Ik ging het hele dorp rond, bij wijze van spreken, naar mensen die ik kende. Bij anderen was het allemaal veel interessanter en het rare was, ik was ook nog altijd welkom, er heeft nooit iemand vervelend tegen mij gedaan.”
Maria: ”Ik kon het beste opschieten met tante Triene en tante Maria. Bij tante Maria konden we kroesjele (kruisbessen) plökke in de moostem en ze had appelen liggen op de zolder. Als we er daar een paar van mochten halen, werden dat er stiekem meer! Lekkernijen waren veel simpeler in die tijd. Een lepel met wat sjroèp, dat was net een lollie.

2007blz20

Nes Vliegen-Spronck, moeder van het gezin

Kostschool
Terwijl Nèt thuisbleef om mooder te helpen op de boerderij, ging Maria en later ook Lies een tijdje naar kostschool, op ‘t Belsj in Reclaosj (Roclenge-sur-Geer). In die tijd was het niet ongebruikelijk om meisjes naar een internaat te sturen dat door een kloosterorde was opgezet. Ook kwam het voor dat meisjes ‘uit dienen’ werden gestuurd, waarbij ze in een gezin in de kost waren en moesten meewerken. In beide gevallen kwamen ze maar af en toe naar huis, bijvoorbeeld met feestdagen of in de vakantieperioden. Lies: ”Ik ben ongeveer anderhalf jaar op kostschool geweest. Maar je moet je eens indenken, hoe waanzinnig het was dat je een Frans boek voor je krijgt waar je geen jota van snapt. Gelukkig waren er ook zusters die gewoon Nederlands tegen je spraken, Frans was niet verplicht. Ik had wel veel behoefte aan rust, want als we pauze hadden, ging ik naar de kapel om alleen te zijn.”
Het was ook een grote overgang van een bekende en vertrouwde wereld in Keer, naar een kostschool met veel kinderen bij elkaar. Gelukkig waren er bezoekdagen, waarop iemand van thuis kon langskomen. Tijdens die bezoekdagen kwam mooder ook af en toe.
Lies: ”De kreegs noèts e puneke va mooder, maar op bezoekdagen ging je naar de wachtkamer en dan zag je de andere kinderen hun bezoek wel kussen, dus dat deed je dan ook maar! En daarna gingen we dan ergens in een plaatsje verderop koffie drinken met gebakjes.”

Het eten was natuurlijk totaal verschillend van thuis en niet alleen dat, je moest het ook nog opeten.
Maria: ”Wat je voorgezet kreeg op tafel, dat moest je opeten, daar heb ik nooit een probleem mee gehad. Meh neet van dae sjpinasie. Dat waor sjuus of `t kooflatte waore. Dat kreeg iech d’n haas neet aaf.”
Lies: ”En we kregen linzen, die wilde ik niet. Maar na een tijdje waor iech degene dae alle lìnze opaot, aoch van de aandere.
Verder werd op kostschool veel gezongen, samen met de zusters, en er waren toneelvoorstellingen voor en door de leerlingen. Ook werden lange wandelingen gemaakt.

Ten slotte
Mijn moeder Lies en mijn tantes Maria en Net, zijn alledrie niet met een boer getrouwd. Dat is wel opvallend. Blijkbaar was het voorbeeld van hun mooder zodanig geweest, dat ze geen van allen de neiging hadden om ook boerin te worden. Ook hebben ze alledrie in Sittard gewoond en alleen voor Nèt was dit tijdelijk. Zij keerde terug naar Keer, waar haar man Pierre Souren door een ongeval met een paard om het leven kwam. Het paard was op hol geslagen en ter hoogte van de kruising Pastoor Frissenstraat/ Limburgerstraat viel Pierre van het paard, tengevolge waarvan hij overleed. Maria en Lies hebben Keer voorgoed verlaten, maar de basis van hun bestaan ligt in dit dorp met al zijn inwoners en nakomelingen.

Gebruikers
5
Artikelen
2025
Artikelen bekeken hits
7274016

Today 48

Yesterday 51

Week 155

Month 1132

All 127973

Currently are 22 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME