(Vroegere) inwoners

De maan va de pos    
Jo Nelissen, ‘ne jong va Keer
door drs. Harry H.M. Beckers en Jo Nelissen

Dit artikel is een verhaal opgetekend uit de mond van een Keerdenaar: Jo Nelissen. We lezen over zijn jeugdjaren eind van de jaren dertig van de vorige eeuw, over zijn herinneringen aan de oorlogsjaren, zijn jaren als postbezorger en over zijn betrokkenheid bij het verenigingsleven in ons dorp. Voor velen van onze lezers zullen niet alleen de personen uit zijn verhaal, maar ook het tijdsbeeld (de sfeer) herkenbaar zijn.

Het gezin Nelissen-Simons
Jo kwam samen met zijn tweelingbroer Math ter wereld in een woning Op ’t Indsje (thans Rijksweg 93). Zij waren nummer vijf en zes in het gezin van Sjeng en Bertien Nelissen-Simons dat in totaal uit zes kinderen zou bestaan. De vier jongens bereikten de volwassen leeftijd; Jean (1925), Jef (1927) en Jo en Math (1932). De twee meisjes overleden vroeg aan longontsteking en difterie; Philomèneke in 1928 (nog geen twee jaar oud) en Lieneke in 1933 (nog geen vier jaar oud).

Moeder Bertien dreef aan huis een winkeltje in stoffen en garnituren. Voor dat winkeltje was geen aparte ruimte gereserveerd; de woonkamer deed als zodanig dienst. In een kast bevonden zich de lappen stof en sjpênsele (materiaal dat voor het maken van kleding noodzakelijk was zoals knopen, naaigaren en spelden). Voor aanvulling van de voorraad zorgde een vertegenwoordiger van de firma Maussen uit Wyck; bij hem bestelde moeder Bertien wat zij nodig dacht te hebben. Klanten waren uitsluitend vrouwen uit het dorp. Als zich een klant aandiende, werden Jo en Math de trap op naar een slaapkamer gecommandeerd. Onder aan de trap werd dan een opengevouwen paraplu neergezet. Deze paraplu boezemde de broers zo’n angst in dat zij braafjes op hun kamer bleven totdat de klandizie verdwenen was.

2010blz14 
Vanaf links: Sjef, vader Sjeng Nelissen, moeder Bertien en de tweeling Math en Jo. Jean ontbreekt op deze foto

Jo’s moeder werkte thuis tevens - zoals vele vrouwen in die tijd - als niejieërsj (naaister). Ook kon men bij haar terecht voor het herstellen (meestal lappen) van gebruikte kleding. Vader Sjeng verdiende als fabrieksarbeider de kost bij de Zinkwit in Eijsden. Daar bouwde het bedrijf, om als werkgever aantrekkelijk te zijn, in de nabijheid van de fabriek nieuwe woningen: het huidige Mariadorp (in de volksmond de Kolonie).
Ook Sjeng liet de gelegenheid om kort bij zijn werk te wonen niet aan zich voorbijgaan. Het gezin Nelissen verhuisde dan ook naar Mariadorp. Het verblijf daar duurde echter niet lang. In 1937 keerde het gezin terug naar Keer en kocht er van een inwoner van Heer een huis dat deze in de Keerderberg (thans Rijksweg 20) had laten bouwen. In dit alleenstaande huis, nogal afgelegen van andere huizen, groeiden de zonen op te midden van veel ruimte en groen.

De lagere schooltijd
Spoedig kwam de tijd dat de jongens naar de lagere school moesten. De eerste schooljaren werden gevolgd bij de Zusters van Barmhartigheid in de Keerderberg, vlakbij het ouderlijk huis. Dat de school van de zusters bijna uitsluitend door meisjes werd bezocht van wie de meesten intern waren, zagen de twee jongens niet als een probleem. Hoogstens waren de kledingvoorschriften die op meisjes waren afgestemd, een beetje lastig. Zo moesten zij dezelfde zwjarte sjollèke (zwarte schorten) als de meisjes dragen, maar zij waren niet de enige jongens die bij de zusters naar school gingen. Ook jongens uit de buurt van de school en enkele jongens uit ’t Gehuuch (Sint Antoniusbank) volgden bij de zusters de eerste schooljaren. Dat was toen gebruikelijk. De eerste H. Communie deed de tweeling dan ook niet in de parochiekerk van Keer maar in de kapel van het zusterklooster.

Na anderhalf jaar konden Jo en Math naar de jongensschool in Keer die destijds gevestigd was in de Limburgerstraat (thans ’t Keerhoes). Aan het hoofd van de school stond in die periode Wöllem va de Gard (Spronck). Jo kreeg niet alleen les van Wöllem zelf maar ook van diens zoon Sef, meîster Cornips en meîster Bessems (’t Sneijderke). Toen tijdens de eerste jaren van de oorlog bleek dat Wöllem va de Gard weinig sympathie voor de Duitse bezetter op kon brengen, werd hij door deze ontslagen. De Gronsveldenaar Bouchoms werd in Wöllem’s plaats aangesteld. Ook heeft Jo nog in de klas van de Keerse juffroûw van Kan gezeten. Kort na de bevrijding is zij met een Amerikaanse militair getrouwd en met hem naar de Verenigde Staten verhuisd.

De discipline op school mocht er zijn! Regelmatig kreeg de leerling die dit in de ogen van de onderwijzer(es) verdiende een flinke tik uitgedeeld. Dat gebeurde in de ‘lichte’ vorm door een oorvijg of in de ‘zware’ vorm door het gebruik van een liniaal. Beide vormen kwamen overigens pijnlijk aan. Zelfs juffroûw van Kan deed op dit terrein niet voor de meîstersj onder zoals Jo aan den lijve ondervond. In de meeste gevallen werd een belhamel voor straf de gaank op (naar de gang) gestuurd en een enkele keer zelfs naar het donker van de kelder verbannen om zijn zonden te overdenken.
Ook het cachot (gevangeniscel) speelde een rol bij de ordehandhaving in de klas. Naast de school woonde de rijksveldwachter (Kersjes). Deze moest voor ‘noodgevallen’ een ruimte hebben om een arrestant tijdelijk in onder te brengen. Meîster Sef Spronck dreigde zo nu en dan de ‘boosdoeners’ in dit gebouwtje op te sluiten. Dat hielp!

Tucht was belangrijk en degene die de regels niet opvolgde of de lessen verstoorde, kon steevast rekenen op het schrijven van de nodige strafregels. Volgens Jo ‘heb iech het nudige aan sjtraof geschrieëve’. Ook ‘overtredingen’ buiten het schoolgebouw bleven niet onbestraft. Toen één van de leerlingen de hond van meîster Bessems op een onbewaakt ogenblik een gevoelige tik op zijn neus verkocht, had dat gevolgen. De volgende dag werd er met de boosdoener tijdens de gymnastiekles afgerekend. Bij het bökske springen (bokje springen) moest hij vooroverbuigen en daarna werd hij getrakteerd op een ferme schop tegen zijn achterste!
 2010blz16

Zij-aanzicht van de oude kapelanij. Vóór de bouw van ’t Keerhoes in 1879 deed dit gebouw dienst als schoolgebouw en onderwijzerswoning.
Daarna woonde er de rijksveldwachter Kersjes.  Het gebouw stond  tegenover de huidige Burgemeester Huybenstraat

Aan de overgang van de zusters in de Keerderberg naar de lagere school in het dorp zat voor de jongens een nadeel. De afstand naar de nieuwe school was zo groot dat zij in de wintertijd moesten overblijven. Dat betekende dat ze voor het verorberen van hun boterhammetjes in de middaguren naar de iets verderop gelegen meisjesschool moesten.

Onderweg naar school (op de kloompe) was er tijd om - zo nu en dan - wat kattenkwaad uit te halen. Bijzonder uitdagend was het om de pötsjes van de elektriciteitspalen met stenen te raken. Als het lukte had dat desastreuze gevolgen voor ‘t êrrem pötsje (arme potje). Ook’n kroesjelesjtroêk (kruisbessenstruik) werd door Jo en Math regelmatig van zijn vruchten ontdaan. Dit stelde de betreffende eigenaar niet op prijs en meer dan eens was een snelle vlucht noodzakelijk om aan diens toorn te ontkomen. Ook vriendjes werden soms ‘het slachtoffer’. Met een glimlach herinnert Jo zich nog dat hij – samen met Math – een jongen aan een lantaarnpaal had vastgebonden. Toen hij dat aan zijn oma vertelde was deze ‘dao neet zoe bleij mèt’ en kreeg hij de opdracht om als de wiedeweerga het slachtoffer te bevrijden.

De oorlogsjaren 1940-1944

Intocht van de Duitsers
Jo kan zich als kind van bijna 8 jaar de inval van de Duitse troepen op 10 mei 1940 nog goed herinneren. Hij ziet de oneindige stoet van tanks, soldaten, legervoertuigen en paarden, die een groot deel van de voertuigen trokken, nog voor zich: richting Maastricht. Op de inrit voor hun huis kwamen grote drinkbakken te staan voor de dorstige paarden. Dat alles gebeurde zeer gedisciplineerd. Voor hun huis aan de Rijksweg werd een kanon geplaatst waarmee overigens - gelukkig - geen schot werd gelost. Jo herinnert zich tot op de dag van vandaag wat een Duitse militair toen zei: ‘es ist nur Spielerei!’ Alsof oorlog slechts een kinderspel is!

Schuilgelegenheid
De oorlogsjaren die volgden brachten de nodige onrust met zich mee. Bij het regelmatig voorkomende luchtalarm moest men zich zo snel mogelijk in veiligheid brengen. Meestal in de kelder van het eigen woonhuis of in de zelfaangelegde schuilgelegenheid in de moostum (moestuin). Toen de bevrijding naderde moest steeds vaker een andere schuilgelegenheid opgezocht worden. Eén van die schuilkelders - waarschijnlijk door de Duitsers gegraven - bevond zich in de wei vlak achter het café-restaurant va d’r Zorre (Wim Souren). Voor Jo en Math was dit een prima schuilgelegenheid wanneer er op weg naar huis of naar school luchtalarm werd gegeven. Via een betonnen trap daalde men af naar de kelder; deze had een lengte van zo’n 20 tot 25 meter en langs de wanden stonden zitbanken en een kast met wat proviand voor het geval het verblijf langer zou duren. In latere jaren is de kelder nog gebruikt om tijdens de wintermaanden jeux-de-boules te spelen. Bij de recente bouw van woningen op het terrein is de kelder gedempt.

Begin september 1944 lieten de Duitsers aan beide zijden van de Rijksweg loopgraven aanleggen. Deze loopgraven werden door Keerdenaren en door mannen uit naburige dorpen, daartoe door de Duitsers gedwongen, gegraven. Vele mannen hielden zich in die dagen schuil om aan deze Arbeidseinsatz te ontsnappen. Vooral onderweg naar school was het een prettige gedachte te weten dat deze loopgraaf in geval van nood de mogelijkheid bood om snel in weg te duiken.

Kamerverhuur
Vanwege de oorlogsomstandigheden en waarschijnlijk ook wegens de aanwezigheid van vele fanatieke Duitse jongeren van de Hitlerjugend, die in Huize Sint-Joseph een opleiding volgden, huurden de paters van het Missiehuis een kamer bij de familie Nelissen. Zo dachten zij te voorkomen dat kostbare zaken ‘verdwenen`. Hier werden kazuifels, miswijn, boekenkisten en de gouden kelken van de overste, pater Wouters, en van pater Ruikers opgeslagen.

Hachelijke momenten bij Duitse terugtocht
Kort voor de bevrijding meldden zich twee Duitse parachutisten met machinegeweren en omhangen met riemen met munitie, om een nachtverblijf. Zij waren - evenals zo vele anderen - op de vlucht voor de oprukkende Amerikanen. Hachelijk werd het toen een kwartier later zich nog twee SS-ers aandienden voor wie één van de parachutisten vader Nelissen waarschuwde: Vorsicht, das sind gefährliche Männer (Opgepast, dat zijn gevaarlijke mannen). Gelukkig liep alles met een sisser af. De volgende morgen was het hele gezelschap weer verdwenen. Niets was meegenomen. Achteraf bleek het gezin Nelissen een goede engelbewaarder te hebben gehad. Onderin één van de boekenkisten die de paters van het Missiehuis bij de familie hadden ondergebracht bevond zich - zonder dat pa en ma Nelissen daarvan op de hoogte waren - een radio. Het bezit daarvan was ten strengste verboden!

2010blz19

Jongens van Huize Sint-Joseph wijken tijdens het oorlogsgeweld  uit naar de nabijgelegen mergelgrotten

De Rijksweg vormde een belangrijke verbindingsweg tussen België en Aken. Bij hun terugtrekking in die Heimat maakten de Duitsers dan ook veel gebruik van deze weg. Dat was voor de geallieerden aanleiding om hem met vliegtuigen regelmatig te beschieten. Bij één van dergelijke aanvallen werd op 6 september 1944 door (vermoedelijk) een Engelse jager een Duitse auto onder vuur genomen vlakbij Jo’s ouderlijk huis. Drie Duitse officieren vonden hierbij de dood. Jo ziet het nog duidelijk voor zich. De doden lagen op het rijwielpad - aan de zijde van zijn ouderlijk huis, zo’n 25 meter daar vandaan - richting Keer: twee in een vreemde houding naast elkaar en de derde een beetje verderop. Waarschijnlijk is dat hetzelfde vliegtuig geweest dat ook dood en verderf zaaide bij de Sangereij. Hier werd Mia Hornesch-Muijters door mitrailleurkogels uit een vliegtuig dodelijk getroffen.

Jo en Math hebben op hun eigen manier een ‘bijdrage aan de bevrijding’ geleverd. Zij bekogelden Duitse vrachtwagens die vanwege de zware belading langzaam de Keerderberg omhoog reden op terugtocht richting Aken, met kluiten aarde vanaf het talud voor de ouderlijke woning. Erg onder de indruk waren de passanten niet; zij vervolgden onverstoorbaar hun weg naar hun vaderland. Op die ene keer na: de vrachtauto stopte en een Duitse militair ging op onderzoek uit waar die ‘kogels’ vandaan kwamen. Toen hij de jeugdige tweeling bedremmeld zag staan, kon hij een glimlach niet onderdrukken en stapte hij - tot hun grote opluchting - weer in zijn voertuig om zijn weg te vervolgen.

De bevrijding
Toen in september 1944 de Amerikaanse bevrijders aan hun opmars vanuit België begonnen, werd het voor de plaatselijke bevolking onveiliger. In de ondergrondse mergelgroeve achter het zustersklooster vond de familie Nelissen, op korte afstand van de ouderlijke woning, een prima schuilgelegenheid die ze sneller konden bereiken dan de schuilkelder bij d’r Zorre. Bij elke vlucht naar de grot was de miskelk van pater Ruikers een vast onderdeel van de mee te nemen attributen. De grot bood overigens schuilgelegenheid aan meerdere gezinnen uit de directe omgeving.

De dag van de bevrijding, 13 september 1944, kan Jo zich nog goed herinneren. De bevrijding kwam niet geheel onverwacht; al dagenlang deden in de schuilgrot geruchten de ronde dat de Amerikanen in aantocht waren. Het rondcirkelen van d’n dreuvige (Amerikaans verkenningsvliegtuigje) werd als een voorbode van de aanstaande bevrijding beschouwd. In Jo’s herinnering is niet alleen het moment gegrift waarop twee Amerikaanse soldaten de schuilkelder binnenkwamen (’t waor halleluja!) maar ook dat zij diverse lekkernijen zoals chocolade en kauwgom uitdeelden. Ook aan sigaretten was er geen gebrek; de rokers lieten zich het buitenkansje niet ontgaan en paften er lustig op los. Tijdens de bezetting was rookgerei op de bon en daardoor slechts mondjesmaat verkrijgbaar.

Op die 13e september was er een drukte van jewelste op de Rijksweg. De Amerikanen verschenen er in de namiddag met hun rijdend materieel en richtten boven aan de Keerderberg een bivak in. Vele Keerdenaren wilden dit van nabij meebeleven en sloegen het gebeuren met belangstelling gade. Een ander onderdeel van het regiment Amerikaanse militairen trok diezelfde dag voorbij hun huis. Jo ziet ze nog aan weerszijden van de Keerderberg lopen, richting Maastricht. Plotseling gebaarden zij dat iedereen snel dekking moest zoeken; op de Zwarte Weg bevonden zich nog Duitse militairen en links en rechts sloegen granaten in die door terugtrekkende Duitsers vanaf Berg werden afgevuurd. Het was één van die granaten die de Amerikaanse soldaat Albert H. Strahle Jr uit Mission (Texas) aan de Bemelerweg dodelijk verwondde.

Niet ongevaarlijke batteraove-sjtrieëke (kwajongensstreken)
Het verblijf van de Amerikaanse militairen bood de mogelijkheid tot vertier. Er was steeds de nodige bedrijvigheid omdat langs de Rijksweg en in het dorp de noodzakelijke bevoorrading voor de manschappen werd opgeslagen. De ontelbare benzineblikken en de kisten met munitie oefenden een grote aantrekkingskracht op de dorpsjeugd uit.

Enkele waaghalzen hadden ongezien een vol benzineblik weten te bemachtigen; dit goten zij leeg langs de weg voor de toenmalige jongensschool in de huidige Pastoor Frissenstraat. Toen de benzine keurig de goot volgde richting de Kerkstraat staken ze deze met een lucifer aan. Gevolg: grote paniek bij de Amerikaanse militairen die vreesden dat de hele benzinevoorraad vlam zou vatten. Met man en macht werd het ‘lopend’ vuurtje geblust en verder onheil voorkomen.

Jo en Math lieten zich ook niet onbetuigd. Gezamenlijk hadden zij een munitiekist opengebroken en daaruit enkele zakjes buskruit meegenomen. Als volleerde ‘buskruitleggers’ trokken zij een spoor van een in een weiland staand sjop (open stal) naar een nabij gelegen drinkbak voor het vee. Met ‘t sjop als schuilgelegenheid staken ze het buskruit met een lucifer aan. Het resultaat van hun inspanning mocht er - na een tiental seconden - zijn: een geweldige steekvlam en een zwaar beschadigde drinkbak! Niet alleen de boer was in hoge mate ontstemd; ook de Amerikanen want in de nabijheid lagen telefoondraden die voor de onderlinge communicatie dienden. Door de knal en de steekvlam raakten ook die ernstig beschadigd.

Misdienaar
Omdat de oorlog lang duurde had de leiding van Backerbösch (het Missiehuis) besloten om de priesterstudenten naar huis te sturen. Dat had tot gevolg dat de paters zonder misdienaars kwamen te zitten. Het was pater Lemmerling, een priesterzoon uit Keer, die Jo benaderde om de opengevallen plaats in te nemen. Dat aan dit baantje gevolgen vastzaten realiseerde Jo zich terdege. Elke morgen - zeven dagen per week - moest hij om zeven uur paraat staan om de eerste H. Mis te dienen. Soms bleef het niet bij één H. Mis.

Spoedig nadat de Amerikanen vaste voet op Nederlandse bodem hadden gezet, richtten zij in het hoofdgebouw van Huize Sint-Joseph een hospitaal in. De medische staf en de verplegers werden ondergebracht in het Missiehuis. Omdat Jo nog steeds als misdienaar fungeerde, kreeg hij een heuse pas om de wachtposten te passeren. Kerstmis 1944 had hij die pas niet nodig; als misdienaar voor de nachtmis werd hij door een chauffeur met jeep opgehaald en bij het Missiehuis afgeleverd. De kapel was afgeladen vol met soldaten; voor de bijzondere gelegenheid was er zelfs een zangkoortje uit soldaten gevormd. Na de H. Mis volgde er een etentje in de refter en werden er onderling cadeautjes gegeven. Jo is daarna weer netjes in de zjiep (jeep) met chauffeur thuisgebracht

 2010blz23

De kapel van het Missiehuis vóór de brand in 1954

Het Amerikaanse volkslied
De kamer van de paters in huize Nelissen werd inmiddels gebruikt door twee Amerikaanse aalmoezeniers. Dat bracht een nieuwigheid mee. Huize Nelissen werd normaal ’s avonds nog verlicht met kêngkings (petroleumlampen); de gasten beschikten echter over gaslampen die een helderder licht verspreidden. Van hen leerden de kinderen Nelissen het (onofficiële) Amerikaanse volkslied God Bless America zingen. Jo: iech kin ’t hui-j nog!

Neergestort vliegtuig
Kinderen zijn nieuwsgierig van aard. Dat was ook de reden dat Jo met zijn tweelingbroer Math een kijkje ging nemen bij het Duitse jachtvliegtuig dat op Nieuwjaarsdag 1 januari 1945 in een weiland tegenover de woning van Breusjke (Broers) in de Kerkstraat (thans nr. 134) was neergestort. De piloot kwam hierbij om het leven: hij sloeg te pletter op de binnenplaats van de boerderij van Dionisius Bröcheler aan de Limburgerstraat. (Voor een ooggetuigeverslag van deze gebeurtenis verwijzen wij naar het artikel van Lei Bröcheler elders in deze Kroniek).

Na de crash wilde een aantal nieuwsgierigen van nabij het neergestorte vliegtuig nader bekijken en zij spoedden zich naar de onheilsplek. De vliegtuigmotor smeulde nog toen zich plotseling een ontploffing voordeed; één van de jeugdige omstanders had een ontvlambaar goedje (vermoedelijk een kogel waarin zich nog kruit bevond) naar de motor geworpen. Math - die helemaal vooraan in het groepje stond - raakte daarbij door rondvliegende metaalsplinters aan zijn beide benen gewond. Twee Amerikaanse soldaten die toevallig in een zjiep voorbij kwamen, handelden razend snel. Zij bonden beide benen van Math af, legden hem vervolgens in de zjiep en brachten hem in allerijl naar het Amerikaanse hospitaal bij Huize Sint-Joseph.

Na een spoedoperatie kreeg hij een bed tussen gewonde militairen. Jo heeft Math daar - samen met zijn ouders - regelmatig bezocht: doa laoge errem sjelme, verbraand of bevroere (daar lagen arme stakkers, verbrand of bevroren). Math’s verblijf daar duurde zo’n drie tot vier weken. Daarna werd hij naar Klevarie, het ziekenhuis in Maastricht, overgebracht. Later bleek dat van de 34 metaalsplinters in zijn benen en onderlichaam er één in zijn voet was achtergebleven. Die is zonder verdoving (dat waor va wiêt te hûre) enige weken later verwijderd door een behulpzame Amerikaanse chirurg die bivakkeerde in ‘t Missiehoes. Er werd niet de moeite genomen om naar Klevarie te gaan en de chirurg klaarde het klusje in ‘t Missiehoes in een mum van tijd. Math herstelde overigens volledig en heeft geen nadelige gevolgen aan het ongeluk overgehouden.

Na de lagere school
Samen met een aantal jongens uit het dorp heeft Jo de Mulo in Scharn bezocht. Tot zijn klasgenoten behoorden Sjèf va Viec (Goessens), Giel va Sjteske (Stassen), Harie Mourmans en Bèr va Vaosseke (Vaessens).

 2010blz25

Jo, in de floetsbrook, onderweg naar de Mulo in Scharn

Na anderhalf jaar maakte Jo als vijftienjarige de overstap naar het bedrijfsleven. Hij kon daarbij kiezen tussen drukkerij Boosten en de firma Maussen. Het werd de firma Maussen. Met deze laatste had de familie al jarenlang goede banden vanwege de levering van stoffen aan moeder Nelissen.
Hier kreeg hij als leerling-woningstoffeerder de fijne kneepjes van het vak bijgebracht. Zijn klusjes bestonden uit het bezoeken van klanten per bakfiets en het afleveren van pakjes, waaronder de fameuze belatum (soort vloerbedekking). Vanwege zijn werkervaring viel hem de eer te beurt om op het altaar van de ‘oude’ kerk van Keer wollen lopers te leggen. Dat viel zo in de smaak van pastoor Frissen dat hij daarvoor werd beloond met een sjappeleer (scapulier).

Twee broers in Indië
Twee oudere broers (Jean en Sjef) zijn in 1946 als dienstplichtigen naar Nederlands-Indië uitgezonden. Jo herinnert zich nog welke onzekerheid en angst dit voor de familie met zich bracht. Van de omstandigheden daar was het gezin in Keer slecht op de hoogte. Zijn broers repten in hun spaarzame brieven met geen woord over de oorlogsomstandigheden in Indië omdat zij de familieleden niet nog ongeruster wilden maken. Beiden zijn na een driejarig verblijf behouden teruggekeerd, maar hun belevenissen in het verre Indië zijn altijd een gesloten boek gebleven.

De verenigingen
In zijn jonge jaren heeft Jo deel uitgemaakt van een door Jenneske (Johannes Daemen) en de Bemer (Fons Bemer) opgerichte turnclub. De club telde alleen jongens onder haar leden; voor meisjes was turnen taboe (’t zoûw sjandalig ziên). Ze trainden in een leegstaand leslokaal in het huidige Keerhoes. Giel Haenen, een fietsenmaker uit Heer, fungeerde als trainer. Het geoefende (brögke- en piramide-maken) werd zo nu en dan aan het publiek getoond. De jongemannen traden niet alleen op in Keer, maar zelfs tot in de omgeving van Geleen toe.
Jo was tevens actief als tafeltennisser bij de Maastrichtse bedrijfssportbond; zijn toenmalige werkgever Maussen was bij deze bond aangesloten. In zijn prijzenkast prijkt nog steeds de beker als kampioen van Maastricht. Het inspireerde hem en Sjèf va Viec (Goessens) om ook in Keer een tafeltennisclub op te richten. Die club met de welsprekende naam Olympia kwam er in 1948. Gedurende haar achtjarig bestaan heeft de club grote successen gekend. Samen met Dick Kuiper, Lucien Vaessens en de toenmalige kapelaan van Oers stond Jo eveneens aan de basis van de jeugdvoetbalclub. Zo kreeg het verzoek van enkele jeugdige voetballers om een club op te richten gestalte. Spoedig nam men deel aan de jeugdcompetitie van de KNVB. Enkele jaren later werd de jeugdvoetbalclub opgenomen in de gelederen van het ‘grote’ RKvvKeer.
Jeu de boules is voor Jo nog steeds een passie. Hij stond in 1981 mede aan de basis van ’t Vendel en stapte in 1984 over naar de Jeu de boulesclub Auberge. Sedert 2002 is Jo weer terug bij ’t Vendel en beoefent hij zijn geliefde sport op de banen tegenover zijn huidige woning.
2010blz27 

Gelegenheidselftal van jeugdleiders.
Gehurkt: Chris Fraats, Jo Nelissen, Dick Kuiper, Sjiel Pirnaij, Jean Kleijnen.
Staand: Luciën Vaessens, Bèr Lardinoije, Henk Pirnaij, Jean Goessens, John Vliegen, André Meijs

Behalve op het sportieve vlak was Jo binnen het dorp ook actief op andere terreinen. Zo komt hij voor in de galerij van de Carnavalsprinsen. In 1956 zwaaide hij de scepter over de Klenderaire tijdens de drie dolle dagen. Begin jaren zestig vervulde hij binnen de Fanfare Sint-Blasius een aantal jaren het penningmeesterschap. Samen met Jef van Mulken, Frans Schoenmakers, Louis Lemmens en Leon Jacobs stond hij in 1964 aan de wieg van het nog steeds bestaande parochieblaadje Oonder Os. Het initiatief van de toenmalige pastoor Berkers was niet in dorre aarde gevallen.

Postbode 
De goede beurt die Jo bij pastoor Frissen had gemaakt kwam hem later nog van pas. Want mede dankzij een bewijs van goed gedrag van de pastoor werd hij bij de toenmalige PTT in Maastricht aangenomen als postbesteller. Op 2 juli 1962 legde hij de ambtseed af. Deze hield onder meer in dat hij niets openbaar mocht maken van informatie die hij bij de uitoefening van zijn functie verkregen had.

Iedere werkdag startte Jo om zes uur ’s morgens op het postkantoor aan het Vrijfhof in Maastricht. De post werd dan handmatig gesorteerd.
Tegen acht uur begon de bezorging van de poststukken. Jo’s bestelwijk was het Wittevrouwenveld en omgeving. Wanneer alle post bezorgd was, kon Jo terug naar het postkantoor. Was er nog tijd over dan moesten er kwitanties geïnd worden in andere wijken van Maastricht.

Toen er een functie als postbesteller vrijkwam in Cadier en Keer aarzelde Jo niet lang. Hij kreeg de begeerde functie en startte in zijn geboortedorp - na vijftien maanden Maastricht - op 1 oktober 1963. Het postkantoor bevond zich toen nog op het huidige adres Rijksweg 30. Mevrouw Anneke Kerckhoffs-Jacobs was toen de beheerster. Ook hier arriveerde omstreeks zes uur ’s morgens de postauto met de postzakken en de pakketten. Na het sorteren van de post, startte Jo – samen met een collega – de postbezorging. Toentertijd waren er twee bestelroutes. Een route omvatte alle straten in het dorp (waaronder de pas aangelegde Kapelweg), Bemelen, ’t Gasthuis en omgeving. In die route fungeerde de postbode feitelijk als ‘postkantoor’. De mensen konden niet alleen postzegels kopen maar ook betalingen doen. Daarnaast betaalde de postbode ook sommige uitkeringen uit zoals de AOW en andere pensioenen.
De andere route (de Rijkswegroute) liep van de Sangerije, Blankenberg, Dorpsstraat, de Zusters van Barmhartigheid in de Keerderberg naar Heer. Eind van de jaren zestig van de vorige eeuw verrezen er veel nieuwe woningen in Keer. Het gevolg was dat de postroute naar Heer niet langer door de Keerder postbode verzorgd werd.

Ook ‘s middags werden postzakken bij het postkantoor aan de Rijksweg afgeleverd. Die post kwam met de LTM-bus van 15.30 uur uit Maastricht. Om 17.00 uur ging de in Keer in de brievenbus gestopte post op haar beurt naar Maastricht, om van daar uit verder over het land te worden gedistribueerd.

2010blz29 

Het postkantoor in 1928 (nu Rijksweg 30)

Bijzondere momenten
Het hoeft geen verwondering te wekken dat er zich zo nu dan wat ‘bijzondere’ momenten tijdens de postbestelling voordeden. Zoals die keer dat Jo tijdens zijn bezorgingsronde de vrouw des huizes de helpende hand moest reiken toen grote vlammen uit haar fritesketel sloegen. Jo voorkwam verder onheil door zijn kordate optreden, waarbij zowel de ketel als de nog aangesloten gasfles in sneltreinvaart naar buiten werden gedragen.

De fiets met poststukken is Jo ook al eens kwijt geraakt. Na de post netjes bij Huize Sint-Joseph te hebben afgeleverd, miste hij bij terugkomst zijn fiets. Gestolen? Dat bracht enige paniek met zich; hoe leg je aan je meerderen uit dat je de fiets met alle te bestellen brieven kwijt bent geraakt? Gelukkig leverde enig zoekwerk op dat de dief de fiets iets verderop in een weiland had achtergelaten. En tot Jo’s grote opluchting werd er geen enkel poststuk vermist.

Postbode-zijn had zo zijn voordelen; je was altijd in de frisse lucht, vaak scheen het zonnetje en floten de vogeltjes lustig erop los. De sneeuw en kou in de winter waren minder plezierig maar dat alles werd in de overige jaargetijden meer dan gecompenseerd. Postbestellen was nog gezond ook omdat de hele postroute uitsluitend per fiets afgelegd mocht worden. Op gastvrijheid in de vorm van een kop koffie of een andere verfrissing kon ook wel eens gerekend worden. Zo was er op ’t Gastes (Gasthuis) een familie waar er steevast een kop koffie klaarstond en met de kèrremes (Kermis) kwam daar nog een groot stuk zelfgebakken vlaaj bij.

Na zestien jaren postbezorging werd Jo in 1979 overgeplaatst naar de expeditieafdeling van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT) op het station in Maastricht. Daar hield hij toezicht op het verwerken van de ontvangen en te verzenden poststukken via de posttreinen. Iets later werd de post vervoerd met bestelauto’s en verdwenen de posttreinen. Bij de bouw van een nieuw PTT-gebouw in Randwijck werd de expeditie en de postbestelling onder één dak samengebracht. De voorsortering van de postbestelkantoren van alle plaatsen in de regio Maastricht tot en met Vaals vond hier plaats. Hier beëindigde Jo in 1993 als procesbegeleider zijn werkzaamheden bij de PTT.

2010blz31

Jo Nelissen en Wies Inde Braekt, 50 jaar getrouwd

Ten slotte
Om iets aan de weet te komen over de geschiedenis van ons dorp in het verre verleden is diepgravend onderzoek in de archieven nodig. Maar niet alleen het verre verleden, ook wat in het meer recente verleden is gebeurd maakt deel uit van de geschiedenis van ons dorp. Dat meer recente verleden leeft in de herinnering van mensen die hier opgroeiden, woonden en (soms) werkten. Het zijn hun verhalen die ons dorp van vroeger tot leven wekken en tot een levende gemeenschap van mensen maken. Belevenissen die soms een onuitwisbare indruk gemaakt hebben omdat zij zo’n grote impact hadden op de betrokkene of zijn omgeving. Voor ons als heemkundevereniging vormen zij een onuitputtelijke bron die wij graag blijven aanboren.

 

Gebruikers
5
Artikelen
2025
Artikelen bekeken hits
7274026

Today 48

Yesterday 51

Week 155

Month 1132

All 127973

Currently are 25 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME