Gebouwen en monumenten

Het verstoorde paradijs

Ons huisje Boven Mosterdberg
door Clément Mantz

Boven Mosterdberg in Keer staat nog steeds het huisje, dat daar aan het begin van de Tweede Wereldoorlog door de fotograaf Werner Mantz uit Maastricht als buitenverblijf is gebouwd. Zoon Clément heeft nog goede herinneringen aan dit ‘paradijsje’, waar zijn oom Karl Mergenbaum het meest verbleef, maar waarin hij met zijn ouders en speelgenootjes ook menig gelukkig uurtje heeft doorgebracht. In dit artikel vertelt hij over zijn herinneringen aan dit huisje en aan de, in meerdere opzichten, unieke plek waarop het is gebouwd.

Met de stadsbus
Op de commode in onze huiskamer in het centrum van Maastricht lag een buskaart, zes knippen voor een gulden, volwassenentarief. Ik was zes jaar en wist nog niets van vervoersbewijzen en de differentiaties daarbinnen. Ik wist alleen dat daar op die kast de buskaart lag en dat je daarmee toegang kon krijgen tot het stedelijk busverkeer. Buiten de stad ging de bus niet. Cadier en Keer behoorde tot het netwerk van de LTM ( Limburgsche Tramweg Maatschappij) en die bus was groen als ik mij goed herinner. De stadsbus was geel en haar route strekte zich uit tot en met het ‘vijandige’ Heer. Lijn 1 reed tussen Heer en Caberg en voor ons huisje boven aan de Holle Weg gelegen stapte je uit bij de Veldstraat, waar de heren landbouwers ’s avonds voor hun poorten uitrustten van noeste arbeid en iedereen, ongeacht hoe groot je was, groetten met ‘goeden avond’ wat verdicht werd tot naovend. Ik reikte met mijn zes jaar nauwelijks ter hoogte van de commode, maar op een dag lag de buskaart in mijn hand en het getal 1 al makkelijk begrijpende stapte ik in de juiste busverbinding. Ook het woord Heer kon ik lezen; daarvan wist ik alleen dat dit het startpunt was van onze wandeling naar het huisje boven op de berg, daar waar je geen auto’s tegenkwam en met name in de zomer het speelterrein grenzeloos leek. Ik voelde me eindeloos klein in die bus, die opstoomde naar Heer. De halte herkende ik, maar durfde niet uit te stappen. Ik bleef zitten en werd nog kleiner, zelfs zo dat ik op het eindpunt volledig van angst gesmolten was. De chauffeur kwam van zijn plaats en vroeg: “Waar moet je zijn ?”. “Hier”, zei ik. Dit ‘hier’ moet er heel benepen zijn uitgekomen, het kan niet anders. Ik voelde me helemaal alleen op de wereld. In ieder geval was mijn moeder niet bij mij die me anders veilig langs de duistere spelonken van de holle weg zou hebben geleid. Ik was ergens in Maastricht, maar wist niet waar. Op mijn instinct moest ik de juiste weg kiezen, maar halfweg de straat die geen einde nam, waarvan ik nu weet dat het de Pastoor Habetsstraat was, begon ik vreselijk te wenen. Een man pikte mij op en bracht mij naar huis.

2010blz75

De Haolsjtraot, holle weg tussen Heer en Keer

Uniek plekje
“Papa mag ik een kuil graven”? ”Natuurlijk mag jij een kuil graven.” “Ik ga de diepste kuil graven van de wereld,”riep ik hem nog achterna en begon toen te graven. Ik stak een vierkant af, waar ik binnen wilde blijven en ging de diepte in. Al snel wist ik niet goed waar ik de weggehaalde aarde moest laten, temeer daar ons perceel in vierkante meters tamelijk klein was en er overal wel wat stond. We hadden een heus perenlaantje waar zo’n stuk of zes perenbomen van verschillende rassen elkaar in de weg stonden. Er waren ook twee grote kersenbomen; een meikers en een vleeskers. Verder stonden er frambozen, rode, zwarte en witte bessen, bramen, kruisbessen om in te wecken en om op te eten. Ook groeiden er een‘morel’, een ‘sneeuwappel’, een grote stoofperenboom en nog een aantal grotere appelbomen. Aan één appelboom hingen twee verschillende soorten appels. Daar was mijn oom Karl Mergenbaum, die dit huisje min of meer permanent bewoonde, bijzonder trots op. Hij zag het als een natuurwonder. Maar het grootste wonder zou ik – zoals dadelijk zal blijken – de familie gaan bezorgen. Behalve al die struiken en bomen hadden we ook nog een grasveld en een groentetuin en in het midden van het perceel stond op een verhoging in de rotstuin ons buitenhuis. ‘Het huisje’ zeiden we, want we waren bescheiden opgegroeid en we schepten er nooit over op, omdat het zoiets natuurlijks was, ons huisje. Dat hadden we gewoon, dat was niet bijzonder, al was het soms lastig, zou later blijken.

Ik was nog steeds aan het graven en niet bezig met de schoonheid van alles wat mij omringde toen ik op iets hards stootte. Ik schraapte de grond weg van het harde oppervlak en zag iets blinken. Geel, goud! Ik was op een heuse goudader gestoten! Ik gooide mijn schop weg, rende naar mijn vader die ietsje verderop verwoede pogingen deed het onkruid in zijn rotstuin met de hand te bestrijden, een klusje waar hij mij tevergeefs wel eens mee probeerde op te zadelen. Dat hielp niet mij groene vingers te bezorgen. Ik knipte liever de meidoorn, die het hele complex omzoomde, de binnen- en de buitenkant, en verwijderde de brandnetels. Daar maakte ik mij graag moe aan. Grassprietjes tussen het woekerende miscanthus weghalen, daar was geen eer mee te behalen.

Bij mijn vader aangekomen, een afstand van niets, riep ik: “Ik heb een gouden kist gevonden !”. Mijn vader keek mij heel meewarig aan. “Een gouden kist, jongen? Nou dan zullen we maar eens gaan kijken” en langzamer dan ik mogelijk achtte liepen wij naar mijn kuil. Mijn vader keek in het gat en zei: “Dat is mergel”. Mijn teleurstelling poetste hij onmiddellijk weg door het verhaal te vertellen over de plaats waar ons huisje in Cadier en Keer gebouwd was. Het verhaal begon als volgt: “Vroeger was hier niks, want letterlijk alle grond is hier aangevoerd”. Ik dacht dat mijn vader de deklaag van 60 centimeter lössgrond zelf had aangebracht; mogelijk met hulp van de mensen uit Cadier en Keer. Maar blijkbaar gebruikte hij een metafoor (beeldspraak) om mij een bijzonder respect bij te brengen voor deze grond, die - zoals ik later leerde - tienduizenden jaren geleden door een sterke wind uit Azië in een bijzonder dunne deklaag hier was neergelegd. Ik maakte een denkfout door tienduizenden jaren terug te brengen tot één generatie. Voor mij begon de aanvoer van de grond in 1939. Dat was namelijk het jaar waarin mijn vader met plannen rondliep om hier een tweede onderkomen te bouwen. De dreigende wereldoorlog was daarvoor de reden. Dichtbij de grotten van de Voogdij was best een goede schuilplaats te vinden. Hij had er een schitterende plek voor gevonden, in het verlengde van de Holstraat (Holle Weg). Daar moet een driehoek grond te koop hebben gestaan van zo een 650 vierkante meter, want groter was het niet.

 2010blz77

Het vakantiehuisje kort na de bouw (1942)

Later, maar dan spreken we van de jaren tachtig, heeft een ingenieur uit Utrecht de westelijk gelegen weide grenzend aan de Holle Weg erbij gekocht en dat maakte het geheel veel ruimtelijker. Het was en is nog steeds een uniek gelegen stukje grond, temeer omdat er in de nabijheid geen ander optrekje te vinden is.
Het is ook uniek dat ons huisje op deze plek gebouwd is mogen worden. Op het moment dat mijn vader de grond kocht - en nu put ik uit overlevering - mocht er gebouwd worden. Maar toen mijn vader de plannen indiende, zeg maar de tekeningen van het huis en de indeling van de kavel, had de gemeenteraad besloten dat in het gehele gebied niet gebouwd mocht worden. Dat was op zich natuurlijk heel terecht, gezien de landschappelijke waarde van het gebied. Mogelijk speelt het feit dat mijn vader Duitser was ook nog een rol in deze beslissing. Voor ons viel die beslissing echter op een verkeerd moment, namelijk na de aankoop van de grond. Ik begeef me met deze bewering op glad ijs, want ik heb de documenten niet, maar feit is wel dat op dat moment de Duitsers besloten ons land aan te vallen en vervolgens te bezetten. Nu weet ik niet of het kwam doordat in Cadier en Keer een NSB-burgemeester aan de macht was gekomen, of doordat mijn vader als Duitser doorging en niet als Jood, of zoals de Duitsers dat noemden een ‘Mischling’ van de eerste graad’. Maar hoe het ook zij, het huisje kwam er.

Ons huisje
Mijn vader heeft het huisje zelf ontworpen evenals het interieur. Het stond zoals gezegd op een verhoging, zodat er ook een kelder was. Een echte mergelkelder met één gewelf. De mergelstenen kwamen uit een groeve bij ’t Rooth. Mijn vader vertelde dat, toen hij in de groeve de stenen uitzocht, hij aan de dood was ontsnapt. Bij het uitzagen van de stenen ter plekke stortte namelijk achter hem en de zager het plafond in één klap in. Samen hebben zij uren lang in de grot opgesloten gezeten. Maar zij kwamen er levend uit en mijn vader bouwde zijn kelder uit mergel.
De rest van het huisje was van bakstenen. Via een gemetseld trapje van vier treden kwam je op een overdekt terras, dat werd ondersteund door twee bakstenen zuiltjes. Op het terrasje zelf lagen ronde gebakken stenen. Later, eind tachtiger, misschien begin negentiger jaren, was ik er weer eens. Het huisje was totaal verwaarloosd, de ingenieur uit Utrecht was blijkbaar vertrokken, maar misschien wel nog de eigenaar. Overal lagen overblijfselen van het ooit zo robuuste romantische huisje. De bijna nooit gebruikte wc-pot lag gebroken weg te kwijnen tussen de brandnetels en verderop ergens lag de houten bril. Als souvenir heb ik enkele ronde stenen van het terras meegenomen. Die heb ik in mijn tuin verwerkt.
Het ‘sjiekste’ van ons huisje was het uitzicht vanaf het terras op Maastricht, vooral als het onweerde. Dan genoot ik het meest. Je keek dan van een veilige afstand toe hoe het onweer zich boven de stad ontlaadde in talloze bliksems die het Maasdal verlichtten. En wij? Wij zaten hoog en droog en zagen hoe het noodweer over de Maas noordoostwaarts trok.

 2010blz79

Het vakantiehuisje van het gezin Mantz aan de Boven Mosterdbergweg

Via het terras kwam je in de enige echte kamer met een gemetselde open haard. Er stonden een houten tafel, een paar stoelen en een kast. Die kast was ook een ontwerp van mijn vader en was iets bijzonders. Het was een hoekkast, die alleen bestond uit een voorpaneel en een binnenwerk van planken, meer was het niet; maar meer was ook niet nodig, want als je binnenkwam gaf het de indruk van een echte houten hoekkast. Aan de zuidkant had je een groot venster met twee openslaande ramen met aan de buitenzijde twee luiken. Aan de kant van het terras bevond zich een klein open venster zonder glas, beschermd door tralies. Aan de oostzijde was een blinde muur. Aan die kant bevond zich de wc en de keuken, tevens toegang tot de kelder via een ladder, allemaal heel klein. Ik schat dat de totale bebouwde oppervlakte inclusief terras de 25 vierkante meter niet te boven ging.
Het huisje is, ook na de oorlog, blijven staan. De gemeente Cadier en Keer voerde namelijk een gedoogbeleid voor dit optrekje. Het mocht zó blijven staan als het was, maar voor water en elektriciteit zou niet gezorgd worden. Het werd als het ware half erkend. Het water haalden we bij de dichtstbijstaande boerderij van het gezin Roebroeks. Het was eigenlijk Goessens, maar we zeiden altijd Roebroeks. Dat was best ver. Wanneer de gemeente het paadje (Boven Mosterdbergvoetpad) dat tegenover Roebroeks lag weer eens had opengegooid was de weg iets korter. Maar meestal hield de eigenaar van het weiland waar het paadje door liep het overpad dicht.

 2010blz80

Pie en Fien Goessen-Roebroeks, bij wie het gezin Mantz het drinkwater haalden, (foto 2002)

Het water haalden we in een open kan, zodat we als we niet voorzichtig waren de helft onderweg verloren. Koffie maakten we met een petroleumstel. Er was een wc, maar we werden gemaand daar geen gebruik van te maken; er was voldoende natuur om ons heen. Er was weliswaar een stenen regenput, maar dat was geen bron, eerder een bak die het dakwater verzamelde.

Gevaarlijk avontuur
Zoals mijn vader bij het zagen van de mergelblokken voor de kelder aan de dood is ontsnapt, ben ik ook later aan de dood ontsnapt bij een van mijn avonturen in Cadier en Keer. Dat verhaal moet nu maar eens verteld worden.
Wij speelden heel veel in het Voogdijgebied, zonder de gevaren daarvan te kennen, zonder ook dat onze ouders wisten, waar we ons precies bevonden. Vaak namen we vriendjes mee uit de stad, die het ook geweldig vonden in dit avontuurlijk gebied te spelen. Wij renden als echte wildebrassen over de smalle randjes omhoog en omlaag langs de kraters van mergel. We vlogen de grotten in via de Holle Weg en renden er beneden, waar de vlakte naar de stad zich uitstrekte, weer uit. Verstoppertje, tikkertje, rovertje al dat soort dingen. Van sommige grotten wisten we dat ze doodliepen, van sommige dat ze dieper de berg in gingen. Daar bleven we uit weg! Kortom we kenden het terrein op ons duimpje.
Op een dag, ik was twaalf, kwam er een bijzonder aardige man op ons af, een man van wie een soort betovering uitging. Wij waren die middag met ons vieren: mijn zus en een vriendin, mijn oudere broer en ik. De man vroeg wat we aan het doen waren. Wij zeiden: “zomaar iets”. “Nou” zei hij, “dan weet ik iets beters. Verstoppertje”. “Ja” riep ik het hardst. “Kom” zei hij en nam mij mee. Hij pakte mijn hand en we gingen een grot in. Waar mijn broer bleef weet ik niet. De afspraak was: de jongens zouden zich verstoppen en de meisjes zouden ons zoeken. Maar de meisjes gingen niet zoeken, nee, ze renden zo hard ze konden naar het huisje en sloegen alarm. Ondertussen liep die man met mij dieper de grot in en bleef maar praten met een stem die mij in hypnose bracht. Op een gegeven moment stond ik tegen een wand, toen hij zei: “ Ze roepen je”. Toen hoorde ik heel hard roepen: “Clément (Kleemon), Clément.” Ik reageerde niet. “Ze roepen je”, herhaalde de man en op dat moment geraakte ik uit een soort verdoving en schoot als een pijl uit een boog weg naar buiten. Ik herinner me nu, vijftig jaar later, nog scherp hoe ik, alsof mijn leven ervan afhing, de grot uit vloog, naar boven naar de stemmen van mijn vader en oom Karl. Daar stonden ze. Mijn oom met de riek en mijn vader met een schop. Mijn leven was in gevaar geweest. De man werd later opgepakt. Hij bleek ontsnapt uit een inrichting, waar hij al voor moord op twee kinderen opgesloten zat. Ik heb er niets van over gehouden, de man had behalve mijn hand niets aangeraakt. Mijn moeder had ondertussen de politie gewaarschuwd. Iedereen wist waarover het ging behalve mijn broer en ik. Meisjes zijn toch slimmer, dacht ik achteraf. Ja, ja die grotten. Zij zijn nu afgesloten, maar wat hebben wij er plezier gehad en….geluk.
Ons paradijsje hebben we ‘verloren’, nadat het in 1970 van binnen totaal was gesloopt, inclusief het terracotta kunstwerk van Charles Vos, door jongens van de voogdij (zie foto). Toen had mijn vader er genoeg van. Mede omdat hij inmiddels in Eijsden woonde met achter zijn huis een redelijke tuin besloot hij het te verkopen. Ik wilde het ‘buitenhuisje’ wel graag hebben, maar mijn vader zei: “Jij gaat aan een nieuw leven beginnen en een gezin stichten, dat moet je er niet bij hebben”.
In 1974 na de dood van Karl Mergenbaum werd het gekocht door een journalist van de Limburger, ondanks de inbraakgevoeligheid ervan. Het bijzondere van het plekje verdreef alle twijfel.

Karl Mergenbaum
Wat zullen oudere Keerdenaren zich nog herinneren van de eerste bewoners van het huisje Boven Mosterdberg? Wellicht weten ze nog van Karl Mergenbaum, de compagnon van mijn vader Werner Mantz. Karl sliep ‘s zomers in het huisje in Cadier en Keer en bracht er ook de zondagen door; vrije weekeinden bestonden toen immers nog niet. Hij genoot er van de landelijke rust. Verder hield hij de tuin zo goed mogelijk bij, hij zaaide en oogstte. Voor mij was het begin van de frambozenoogst de mooiste tijd. Iedere avond liep hij door de Veldstraat, langs de buitenzittende boeren al goedenavond zeggend en ’s ochtends weer terug, maar dan met de oogst van de ochtend.

 2010blz83

Ons paradijsje hebben we ‘verloren’, nadat het in 1970 van binnen totaal was gesloopt, inclusief het terracotta kunstwerk van Charles Vos

Karl was een vroege vogel. Hij stond altijd voor dag en dauw op en plukte eind juni de eerste frambozen en legde ze op een rabarberblad. En als hij dan om een uur of acht bij ons thuis in de binnenstad aankwam, was ik de eerste om de frambozen als een soort voorontbijt te verorberen. Zijn aanwezigheid in het huisje werd steeds noodzakelijker. Door de nabijheid van de Voogdij en de afgelegen ligging werd er, zodra het huisje enkele dagen leeg stond, ingebroken. In het begin beperkte zich de schade tot wat gestolen fruit of tot insluiping in het huisje. Eens had iemand er een nacht geslapen: hinderlijk maar te dragen. Ook al werd er regelmatig een dader door de veldwachter aangehouden, ook al werden op een zondagmiddag door mijn vader en Karl de insluipers zo uit de heg geplukt, de inbraken werden steeds frequenter en erger. Zo erg dat in 1970 alles in het huisje vakkundig kort en klein werd geslagen. Einde Cadier en Keer.

Ten slotte
De jeugd is de mooiste tijd van ons leven en als ik zeg dat ik in Keer een mooie tijd heb beleefd is dat zeker niet bijzonder. Bijzonder vind ik wel dat iedereen, jong of oud, die ons vergezelde op ons toch bijna wekelijks uitstapje naar ons huisje, daar blijvende herinneringen aan heeft overgehouden. De boeren hebben wij voor ons vermaak wat aangedaan. Hele korenvelden hebben we van patronen voorzien, door onze hang naar verstoppertje spelen. Hooibergen zoals ze je nu nooit meer ziet van soms vier meter hoog hebben we totaal naar de vernieling geholpen, heel wat schoenen hebben we daarin gezocht, simpelweg omdat we ze kwijt waren geraakt tijdens het spelen in en op de hooibergen. Ik weet dat de term boeren later een negatieve bijklank heeft gekregen, maar toen was daar geen sprake van. Integendeel, wij genoten juist ongelooflijk van de mogelijkheden die het dorp bood in vergelijking met de stad. We haalden roggebrood bij Daemen en als ik dan meeging vroeg ik altijd, of ik even naar de varkens mocht kijken. Het waren en zijn nog mijn lievelingsdieren. Ze maakten knorrend tevreden geluidjes, ze waren altijd met elkaar bezig in hun hokken: duwen, trekken, bijten, snauwen, rollen: ze verveelden zich nooit. Ik ook niet als ik naar hen keek en het rook er heerlijk. Het is allemaal voorbij. Ook van het huisje is niet veel meer over. Maar deze geschiedenis heb ik nu vastgelegd en daaruit blijkt dat mijn belangstelling voor deze plek nog steeds groot is.

Naschrift van de redactie:
De auteur van bovenstaand artikel, Clément Mantz, is ook de schrijver van Ambidexter, verschenen bij TIC in 2010, ISBN-nummer 978-9078407-63-8

Gebruikers
5
Artikelen
2065
Artikelen bekeken hits
8097749

Today 22

Yesterday 50

Week 189

Month 489

All 145799

Currently are 28 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME