Een dialectwoord verdwijnt
door Jo Purnot

Plant- en diersoorten die steeds minder voorkomen, worden op een zogenaamde ‘rode lijst’ geplaatst. Ook van dialectwoorden die dreigen te verdwijnen, zouden wij een rode lijst kunnen aanleggen. Echter, dat zou een wel hele lange lijst worden. Daarom in deze bijdrage een woordje dat in de ‘gevarenzone’ verkeert en zeker op de rode lijst van dialectwoorden een plaats verdient.

De betekenis van het woordje moûthuëvel
Een woord dat praktisch uit ons dialect is verdwenen, is het woordje moûthuëvel. Althans in de betekenis van ‘mol’ (Latijn: Talpa). Want moûthuëvel heeft in ons dialect twee betekenissen: 1. mol 2. molshoop. Zeker jongeren zullen het woordje moûthuëvel als ze het beestje bedoelen, niet meer in de mond nemen en de Nederlandse versie mol gebruiken. Zelfs dialectsprekende vijftigers hebben we met dialectwoordenboeken in de hand moeten overtuigen dat moûthuëvel niet alleen ‘molshoop’ maar ook ‘mol’ betekent. Zo sterk is het woordje al door de Nederlandse versie verdrongen.
Hoe het ook zij, het woordje moûthuëvel in de betekenis van mol zal binnen afzienbare tijd uit het vocabulaire van de Keerdenaren verdwenen zijn.

Uit Diksjenaer van ’t Mestreechs, door Dr. H.J.E. Endepols:
2006blz90

De moûthuëvel, eng en spannend
Voor menige plattelandsjongere was de moûthuëvel een eng en spannend diertje. De moûthuëvel had door zijn vreemde snuit en zijn leven onder de grond iets geheimzinnigs, want ‘ne moûthuëvel zag men maar zelden, althans in levende vorm. Het gebeurde wel eens dat de jeugd onderweg naar school een dood exemplaar vond. De jongens hadden dan een prima kans om de meisjes te tonen welke durfals zij waren, door het dode diertje op te pakken en als een kleinood mee de klas in te nemen.

 

2006blz91Vaak was dat voor de (echte) onderwijzer aanleiding om het lesprogramma om te gooien en die dag met een biologieles te beginnen. Hij legde dan de kinderen uit dat de moûthuëvel weinig kon zien. Niet omdat het beestje door zijn verblijf onder de grond blind was, zoals wel eens werd verteld, maar omdat de oogjes zo klein zijn als speldenknoppen. Als compensatie beschikt het diertje over een uitstekend reuk-, gehoor- en tastvermogen. Ook kan het diertje zwemmen en is in staat een beekje over te steken. Verder maakte de onderwijzer het spannend door te vertellen over de vechtlust van de moûthuëvel. Wanneer twee soortgenoten elkaar onder de grond tegenkomen, is het ‘oorlog’. Die is pas afgelopen, als één van de twee het loodje legt. Alleen tijdens de paartijd accepteren twee beestjes van verschillende sekse elkaars nabijheid. Al is het maar voor korte tijd, want als de paartijd voorbij is wordt het mannetje weer resoluut door het vrouwtje weggestuurd (of de onderwijzer vroeger het woordje ‘paartijd’ in zijn mond durfde te nemen, valt te betwijfelen). Trouwens ook de jonge mollen worden al heel vlug door hun moeder uit haar gangenstelsel weggejaagd om een eigen territorium te betrekken.

Bidden tegen de mollen
De moûthuëvel was (en is ook nu nog) bij eigenaren van grasperken en bij boeren geen geliefde gast, ondanks het feit dat hij zich onder de grond voornamelijk met oongesiefersj (ongedierte) voedt. Een voordeel van de mol is dat zijn meer dan 200 meter lange gangenstelsel de grond luchtig maakt; maar de daardoor ontstane moûthuëvele (molshopen) brengen extra werk met zich mee en daar zit niemand op te wachten. Daarom is het de boeren heel wat waard om van het beestje af te komen. Vroeger was in ieder dorp wel iemand te vinden, die de gave had tegen de mollen te zieëngene (zegenen), zodat ze voorgoed van het veld of weiland zouden verdwijnen. De ‘zegenaar’ bad op drie hoeken van het (wei)land zijn gebeden, om zo de mollen de kans te geven via de vierde hoek weg te vluchten, maar of de buurman daar gelukkig mee was….. De in Rijckholt wonende zoon van de Keerse Triëne va Luumpeske, Hay Goessens, was een “mollenbidder” die tot in België werd gevraagd zijn gave te tonen. Ook van mevr. Nèt Bisscheroux-Brouwers was bekend dat zij de gave had mollen weg te bidden (althans voor degene die daarin gelooft).

Uit Valkenburgsch plat door Th. Dorren
2006blz92

De moûthuëvel in het volksgeloof
In literatuur over volksgeloof komen we de moûthuëvel ook tegen. Zo werden vooral aan de mollenpoten speciale krachten toegedicht. Een mollenpoot werd als amulet gebruikt omdat hij geluk bracht. Soms werden twee mollenpoten om de hals van een jong kind gehangen om het doorbreken van de tandjes te bespoedigen.

Tot slot
De moûthuëvel had nog een andere nuttige kant, zijn pels. De dichte, kortharige, zachte, fluwelen vacht was erg geschikt om ’ne peels (bontkraag) voor de winterjas van te maken; dat deed men eigenhandig. Soms ook werden de peelskes (pelzen) verkocht aan de lommelekriemmer (voddenboer) die wekelijks in het dorp door de straten trok en niet alleen vodden maar ook knijnsvelle (konijnenvellen) opkocht.

Twee zegwijzen
Van iemand die niet veel kennis van zaken heeft zegt men: Hieë ès neet wei-jer gewaes es z’ne moûthuëvel, en
Beej dat maedsje begènt de moûthuëvel te sjtoête wordt gezegd over een meisje dat vrouwelijke vormen begint te krijgen.

Gebruikers
5
Artikelen
2065
Artikelen bekeken hits
8097872

Today 0

Yesterday 23

Week 190

Month 490

All 145800

Currently are 27 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME