Vroegere inwoners

Een dorpsfilosoof
door Jean Janssen

Er zijn mensen die binnen een dorpsgemeenschap, ook wanneer ze er al jaren niet meer zijn, toch nog altijd een glimlach te voorschijn toveren bij diegenen die hen gekend hebben. Een van die vroegere dorpsgenoten was vrijgezel, levensgenieter en dorpsfilosoof Kolla Pluijmakers. Altijd in voor een grap, een gedicht of een voordracht.
Om de lezer enig inzicht te geven in de persoon van Kolla en wat hem zoal bewoog, is op het eind van dit artikel zo een voordracht letterlijk weergegeven.

Het gezin
Het gezin waarin Kolla opgroeide telde buiten de ouders, Willem Pluijmakers en Margaretha Essers, vier kinderen: Mei-jke (geb. 1887), Berbke (geb. 1890), Bèr (1893) en Kolla (1896). Zij woonden boeëve de kêrrek in een nu afgebroken boerderijtje. Tegenwoordig staat er een nieuwe woning (Kerkstraat 112), zie Keerder Kroniek, jrg 6 blz. 45: Het kadaster (13). Vader overleed al in 1915 op bijna 57-jarige leeftijd en de moeder 22 jaar later, in de gezegende leeftijd van bijna 85 jaar.
Alleen Bèr koos voor de huwelijkse staat. Kolla en zijn twee zussen bleven in de boerderij van hun ouders wonen. Ieder van hen had zo zijn eigen taken. Mei-jke deed het huishoudelijk werk. Berbke verzorgde het vee. Kolla nam het andere werk voor zijn rekening: hij zorgde voor het paard en deed het zware werk op de boerderij en in het veld. Zo leefden zij gedrieën van wat de boerderij opbracht.

 

Smokkelpraktijken
Kolla hield van zijn werk, maar ook van uitgaan. Om dit laatste te financieren maakte hij geregeld smokkeltochten naar België. Samen met Wöm Souren, Äödem Goessens, Guillaume Vaassens, zijn broer Bèr en anderen smokkelde hij margarine en suiker. Zo een smokkelgroep bestond meestal in wisselende samenstelling uit drie man, een verkenner voorop en twee dragers op tientallen meters erachter. Met pungels (zakken) van ongeveer dertig kilo waren ze onderweg in het nachtelijke duister. Rook de verkenner onraad, dan werden de pungels weggemoffeld. Maar dit kwam maar zelden voor. Soms maakten ze twee tochten per nacht.

De Vriendenclub
Met dertien andere dorpsgenoten vormde Kolla de Vriendenkring Keer. Enkele namen: Pierre en Sjang Mingels, Geel Spronck (Geel van de Graet), Harry Colen, Math Heusschen, Wöm Beijers. Het was een vrolijke groep. Samen bezochten ze kermissen, konzaere (weidefeesten) en andere festiviteiten in de wijde omtrek.

Tijdens die uitstapjes werd nogal eens wat kattenkwaad uitgehaald.
Zo zagen ze op weg naar de zomerkermis in Rijckholt een geitenbok in een weiland lopen. De bok werd gevangen en in het café van Lies Wassenaar, een zeer bekende Rijckholtse uitspanning in die tijd, als mascotte ten tonele gevoerd. Zij troonden hem op een tafel en evenals zijn metgezellen werd het beest rijkelijk van drank voorzien. Daarna blèrde de bok zó dat iedereen horen en zien verging.

Ook de grote kermis in Luik, de foire, had de volle belangstelling van de Vriendenkring. Van de vele attracties trok één wel erg grote tent hun aandacht. Nadat ze er eerst even waren langs gelopen om de kat uit de boom te kijken, maakten ze het plan om met een groepje in deze knoktent de zwaargebouwde vechter te vellen. Zo zouden ze de ‘vette’ premie in de wacht slepen, die met veel bombarie aan de winnaar werd beloofd. Na betaling van een hoge entree en een aparte som om te mogen vechten, liep het toch iets anders dan ze zich hadden voorgesteld. Want, toen ze één voor één in de ring moesten aantreden, kregen ze tegen de verwachting in ieder een andere gespierde tegenstander. Het gevolg was dat ze na afloop in de plaats van de ‘vette’ premie alleen maar blauwe plekken, pijnlijke knuisten en lege beurzen overhielden. De grote kerel die buiten stond en hen naar binnen had gelokt, was in geen velden of wegen meer te bekennen. Zonder de mogelijkheid verhaal te halen, verlieten ze gedesillusioneerd het strijdperk.

De broer van Kolla, Bèr met echtgenote Antoinette Engelbert

De wereldtentoonstelling in 1958
Waar men in het dorp ook nog jaren vol enthousiasme over vertelde, was het uitstapje naar de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958. Samen met Kolla en zijn vrienden reisde ook een achttal dames mee. Ze bezochten de publiekstrekker, het Atomium (negen metalen bollen) en maakten een rondgang langs de stands van de deelnemende landen. Voor de Keerdenaren waren er heel wat curiositeiten en technische hoogstandjes te bezichtigen. Omdat er bij elk paviljoen ook een eet- en drankgelegenheid was, kwamen ze tijd tekort. Ook maakte het gezelschap op de terugweg nog een aantal pitts-stops, zodat ze op een voor die tijd zeer ongebruikelijk tijdstip in Keer terugkwamen: de hanen waren al met hun ochtendconcert bezig.

Gezondheidskwalen
Maar niet alles liep in Villa Val Um, zoals Kolla hun boerderijtje noemde, van een leien dakje. Op zekere dag als hij zijn paard over de Rijksweg leidt, wordt hij door een motorrijder aangereden. Dit ongeluk bezorgt hem, naast een gebroken heup en diverse kneuzingen, een verblijf van bijna vier maanden in ziekenhuis Sint-Annadal. Overigens, wat de kosten van het verblijf in het ziekenhuis betreft: in die tijd verzekerden de boeren eerder hun vee dan zichzelf.

Een ander (bedrijfs)ongeval deed zich voor in de schuur. Kolla had daar op de zolder hooi en stro voor het vee opgeslagen. Regelmatig moest hij de ladder beklimmen om hooi of stro naar beneden te halen. Normaal was dit routinewerk. Op die ene keer na, toen tijdens het afdalen enkele sporten van de ladder braken en hij tegen de grond smakte. Het gevolg was een aantal gebroken lichaamsdelen. Kolla werd naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij zijn been in het gips kreeg. Na een aantal dagen stuurde men hem naar huis om daar verder te genezen. Maar al gauw vond Kolla dat gips erg lastig; het beperkte hem in zijn bewegingsvrijheid. Het zou Kolla niet zijn als hij zelf niet voor een oplossing zorgde: hij nam hamer en beitel en verwijderde op vakkundige wijze het gips van zijn been. De consequentie was wel dat de breuk nooit meer helemaal genas. Hierdoor bleef hij de rest van zijn leven mank lopen.

Zijn zusters kregen ouderdomskwalen. Berbke ging steeds moeilijker lopen en het werd een probleem hoe ze bij de koeien moest komen om ze te melken, maar toch wilde zij dat blijven doen. Kolla bedacht een oplossing. Als het melktijd was zette hij haar in het melkkarretje en reed haar naar het weiland waar de koeien liepen. Een prachtig tafereel: Berbke in het wagentje met de melkbussen en de duwende Kolla daarachter. In de wei moest hij haar weer uit het karretje tillen, de koeien bijhalen en vastbinden, de melkstoel plaatsen en dan zijn zus helpen op het stoeltje te gaan zitten. Na het melken vonden de handelingen in omgekeerde volgorde plaats. En dan ging het tweetal, Kolla zwaar duwend de Duustersjtaeg of Hoereberg op, weer huiswaarts.

Links Berbke en rechts Mei-jke

Kolla alléén verder
Na het overlijden van zijn beide zussen, Mei-jke in 1950 en Berbke in 1954, bleef hij alleen achter en moest hij het werk voor een groot deel in zijn eentje opknappen. Wel kreeg hij hulp van zijn nicht Liza Pluijmakers; zij hielp hem vooral met melken. En in de winter als de koeien op stal stonden, verzorgde zijn overbuurjongen Bennie Essers zijn vee. Als tegenprestatie mocht dan de koe van Bennie’s vader, die zelf geen stal had, bij de koeien van Kolla ‘logeren’. Voor Kolla niets bijzonders: hij was gemakkelijk en altijd erg goedgeefs; als een buurman fruit, eieren of melk kwam kopen, gaf hij het meestal voor een habbekrats of gratis weg.

Kolla dichter und bauer
Kolla was een echte vrijbuiter, vrolijk, levenslustig en hij had altijd tijd voor een praatje. En, Kolla schreef graag over geloof, politiek en andere dagelijkse zaken. Het resultaat plakte hij dan op het mededelingenbord tegenover de kerk, of gewoon aan een boom of lantaarnpaal. Zijn pennenvruchten waren vooral primitief, soms humoristisch en afhankelijk van het onderwerp erotisch getint. En voor niet-ingewijden niet altijd even gemakkelijk te begrijpen.
Op zondag ging hij meestal naar een vroege Mis. Als hij dan na afloop thuiskwam, schreef hij in zijn eigen woorden het evangelie op de achterkant van een affiche. Dit hing hij dan op aan het aanplakbord tegenover de kerk. Als de kerkgangers uit de Hoogmis kwamen en de gemeentelijke bekendmakingen en het verenigingsnieuws op het bord wilden lezen, lazen ze daar ook het evangelie dat de pastoor hen even tevoren in de kerk had voorgelezen. Zij wisten dan dat Kolla weer in actie was geweest.
Wanneer er een bruiloft of jubileum was, zorgde hij voor een toepasselijk verhaal of vers. Dit werd dan op de feestdag, nadat hij had aangeklopt, voorgelezen, waarna hij weer vertrok.

Uit eigen ervaring kan ik het volgende hierover vertellen. Als ik in 1962 de contributie van de KVP (het huidige CDA) ga ophalen en ik hiervoor ook bij Kolla aanklop, word ik naar binnen gevraagd. Het is schemerdonker in de woonkamer, die met een stallantaarn schaars is verlicht. In de hoek staat een bed en een kast, en aan de andere kant een tafel met stoelen. Naast de Brabantse kachel staat een hakblok om hout te splijten. Op de kachel staat een koffiepot te pruttelen waaruit hij mij een kop serveert. Als ik heb plaatsgenomen aan de keukentafel vleit Kolla zich neer in een zetel met een hoge rug, waar bovenop een kat zit. Na wat heen en weer gepraat te hebben over koetjes en kalfjes, vertel ik over mijn voornemen om op het eind van dat jaar te trouwen. Kolla belooft mij om een stukje te schrijven en op mijn trouwdag te laten bezorgen en dat is ook gebeurd.

Een droevig einde
Nadat in 1971 de kerst is voorbereid gaat Kolla naar de nachtmis om deel te nemen aan de feestelijke viering. Met veel licht en gezang wordt de plechtigheid opgeluisterd. Als na afloop de kerkgangers huiswaarts keren, is het buiten pikdonker en had het gesneeuwd. De straten zijn onverlicht en de sjtoep (het trottoir) spiegelglad. In zijn donkere kleren spoedt Kolla zich daarom over de straat huiswaarts, al denkend aan een warme bak koffie. Zover is het echter niet gekomen; vlak voor zijn “Villa Val Um” wordt hij aangereden en overlijdt hij. Zo kwam deze vrolijke, altijd goedgemutste man aan een droevig einde.

Met dank aan: Bennie Essers (va Pietsje), Liza Knooren– Pluijmakers en Marie-José Blom-Pluijmakers.

Kolla  tijdens het feest ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag 

Ter illustratie volgt hier het verhaal van Kolla Pluijmakers, geschreven ter gelegenheid van de bruiloft van Jean Janssen en Maria Vroemen, gedateerd 14 november 1962:

Woensdag half tien. Vroolijk luid de klok over het Limburgsche heuvelland. Wederom treed een schoone maagd met een frissen jongeman in den huwelijksband. Vijf voor tien staat de pastoor aan de ingang met het nozem zout. Dan zweven twee verliefden voort tot op het priesterkoor. Het heilig misoffer zijn twee grootsche plechtigheden. De priester buigd zich tot jonge paar. Wilt gij Marija Jean tot uw wettige man. Ja spreekt het bruidje fier. Ik wil Jean voor het leven hij is nu van mij nooit heeft een ander de kans gekregen. En u Jean. Ja ik wil het meisje mijner dromen. Deze zomer was ik eens wat laat. Zij klom met een parachuit in een van de hoogste boomen. Toen zij mij gezien had daalde zij en ik had haar spoedig in mijn armen genomen.
Nog een tweede plechtigheid bij het H.offer terwijl het zangkoor het schoone lied “O est Mirabilie” zingt. O wonder van liefde. De arme de nietige slaaf voed zich met zijn meester naderd het bruidspaar met papa en mama en verloofden tot het Heilig gastmaal. Dan maakt de pastoor een kruis en zegt tot Jean: Ga maar kom in de eerste 50 jaar niet met een ander terug”.
Hartelijk gelukwens vereenig paar U zit nu vroolijk in het schuitje. Vaar met goeden moed door het moderne jachtende leven en komen u moejelijkheden u tegen, kruisen heeft iedereen. Als twee samen dragen wordt de last licht. Mija en Jean. U hebt heden een mijlpaal in uw leven berijk. Waar met vurige letters staat geschreven. Bemind elkander tot de motor van uw hart geen gaas meer heeft. Vaarwel vroeger leven wij zijn nu aan elkander geplak een zelfbedieningswinkel geeft ook geen zegen. Nu gaat voor de duit en het andere dat is voor ons twee een liefde geheim. Mija wanneer uw Jean eens boos op u is, bijvoorbeeld dat hij u niet wakker krijgt, gooi hem dan toch niet uit het bed, maar zingt met het bruidje uit het hooglied. Ga weg wreede Noordoosten wind want mijn geliefde is boos en heeft een zuur gezicht. Kom liefelijke zuide wind met uw warme zon en mijn beminde lacht weer en geef mij een liefde kus.
Jean de vrijgezellen van Keer groeten u. In het voorjaar serveerd Caritas aan iedere dame boven de drieduizend weken een liefdesspuit. Dan lopen de dames met lachende gezichten en rode wangen langs de straat en roepen Janus pak me maar een keer of 5.
Mama en papa en gasten bij elkaar het is eens gezellig om eens een feest te vieren en een elsje of een pils te drinken. Dan kan men ook weer met frissen moed het werk hervatten. Pastoor Durlinger zei eens: Klaas zoolang als ge kunt ga ’s-Zondags eens uit.
Maria en Jean een laatste wens leeft lang en gelukkig samen met uw kinderen die door de kracht der liefde God u schenkt. Mischien is het overbodig te schrijven Wilt u bij een vroolijk ontwaken een goed kruisteeken maken om de Heer van het leven hulde en dank te geven. Deze daad word door de kantoorjuffrouw op het grootboek geschreven als na lange jaren voor ons allen de levensklok stil zal staan en ons hart den laatsten zucht zal geven laten wij ons daar over niet druk maken en bij gehuwden duurd de liefde voort dan zegt Sint Peertrus: Komt gelukkig paar Gij heb trouw uw plicht gedaan zet u aan het eeuwig bruilofsmaal waar de koning de liefde de gastheer en de maagden u zullen bedienen, terwijl het engelkoor het schoone alleluja zingt in het eeuwig zonneland.
In een restaurant kwam een dame die nog al veeleischend was, zij zette zich aan tafel. De ober kwam met de prijslijst en vroeg wat zij verlangde. U moet me wat brengen wat niet koud, maar ook niet warm is. De kelner naar zijn baas, O zei de gastheer geeft haar maar wat uit die jampot. Dat is wat van de kracht van een mannelijke ijsbeer. Of ze daar ook de Ka-ie hebben weet ik niet.
Nu het laatste van een ruiter en een paard alles bleef in het veld en Klaas kroop op het paard zonder haam alleen met den toom. Hij was maar twintig meter van stal toen een motor twee meter voor hem voorbijreed Klaas lag met een gebroken heup op het rijwielpad uitgelachen door het paard. Hij kwam op Sint-Annadal. Die hem 115 dagen een woning bood voor zijn gebroken poot. Van de meisjes op de zaal was Truiske het leukste schatje, lachend kwam zij naar mij toe als ik den slaap niet kon vatten. Kun je niet slapen Klaas, neen kom maar bij mij op het bed. Het wonder gebeurde, Ik ging een probeeren eerst eens zach aan een been. Wat heb u daar? O zei ze, dat is een steenpuis, maar doet niet veel pijn. Wat verder. Afblijven oude Klaas dat is mijn kapeltje versierd met rode rozen waar mijn minnaar niet eerder mag komen, dan dat wij voor het altaar hebben trouw gezworen.

Gebruikers
5
Artikelen
2025
Artikelen bekeken hits
7273946

Today 46

Yesterday 51

Week 153

Month 1130

All 127971

Currently are 24 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME