Gebouwen en monumenten

De vroegere Sangerijhoeve en haar bewoners
door Jo Purnot

De meest oostelijke woningen van ons dorp liggen aan de Sangerij. Richting Margraten rechts het boerderijtje ‘Ernon’, gebouwd in 1921/1922 door Alfred (A.J.H.) Ernon (1888-1941). Alfred was gemeentesecretaris van de gemeente Cadier en Keer en getrouwd met Mechtildis Muijters (1899-1944). Er tegenover aan de linkerkant richting Margraten ligt ‘de Sangerij’, waar Pieter Joseph Heusschen - getuige de gevelsteen - in 1875 een herberg bouwde. Op die plaats stond een halve eeuw eerder nog een hoeve. Over deze hoeve en vooral haar bewoners gaat dit artikel.

De Sangerij-hoeve (cantoria)
Vóór de Franse Tijd ( tot ongeveer 1796) hadden kloosters en kerken van Maastricht flink wat onroerend goed in ons dorp liggen, ook de Sangerij-hoeve. We gaan ervan uit dat de hoeve op het einde van de Middeleeuwen gesticht is door de cantor (voorzanger) van Sint-Servaas in Maastricht; vandaar de naam Sangerij.

Tot in de 18de eeuw was de Sangerij-hoeve een winhof (pachthoeve), wat betekende dat de pachter (de win) de helft van de opbrengst aan de eigenaar moest afstaan. Later werd de hoeve verkocht en werd de bewoner ook eigenaar. Wanneer dat gebeurd is, weten we niet, omdat de eerste verkoopakte (nog) niet in de archieven is teruggevonden. Ook is niet precies bekend hoe groot de hoeve was en de landerijen die erbij hoorden.

Kapittel Sint-Servaas eigenaar van Keer
Keer, samen met Heer, is al vanaf de Middeleeuwen één van de elf dorpen, waar de kanunniken van het kapittel van Sint Servaas het voor het zeggen hadden. De kanunniken behoorden tot de geestelijke stand, maar hoefden geen priester te zijn. Sommige kanunniken hadden bijzondere taken binnen het kapittel. Zo had de cantor de zorg voor de kerkmuziek en regelde de koordiensten. Aan een van die cantors hebben we dus de naam Sangerij te danken.

2015blz49

Huidige situatie aan de Sangerij: Rijksweg (west naar oost) en de Valkenburgerweg (zuid-noord).

Gerardt Fredericx, de eerst bekende pachter op de Sangerij
De eerste pachter die we kennen - er zijn er wellicht nog eerder geweest - is Gerardt Fredericx. De Frederix-familie zal in drie achtereenvolgende generaties de pachthoeve exploiteren (op eind van dit artikel vindt u een beknopte genealogie van de familie Frederix). Van Gerardt is niet veel bekend. We kennen hem alleen maar van een grafsteen die vroeger op het oude kerkhof stond (nu grasveld voor de kerktoren).

2015blz50

Het opschrift  van Gerardt’s grafsteen is in de jaren vijftig van de vorige eeuw opgetekend door Jaak Nyssen uit Sint-Maartensvoeren.
Gerardt Fredericx, win op de Sangerij, is overleden op 14 januari 1648.

Na de afbraak van de oude kerk - in 1957 – is de grafsteen van Gerardt Fredricx verdwenen. De steen zal wel samen met de sloopresten van de kerk op de stortplaats boven Hoereberg terecht zijn gekomen. Meer oude grafzerken en grafstenen hebben datzelfde lot ondergaan. Zonde! Wanneer Gerardt Fredericx precies is geboren en of hij de eerste van het Frederix-geslacht is die op de Sangerye woont, is niet bekend. Wel zijn er aanwijzingen dat hij getrouwd is met Maria Brouwers en dat ze minstens één kind hebben: Willem. Helemaal zeker zijn we niet, omdat zijn echtgenote niet op de steen vermeld wordt.

De 2de pachter: Willem Frederix
De volgende pachter is Willem Frederix, vermoedelijk dus de zoon van de eerder genoemde Gerardt Fredericx. De grafsteen van Willem is de weg naar de stortplaats gespaard gebleven en is nog steeds op de voormalige begraafplaats (nu grasveld) voor de kerktoren te zien. Dat heeft niet veel gescheeld, want enige jaren gelegen heeft de steen als een stuk vuil een hele tijd op de grond gelegen.

2015blz51

Ook deze tekening is van de hand van Jaak Nyssen.

Zoals op de steen te lezen staat, was Willem getrouwd met Angees (Agnes) Sme(e))ts. Hij was niet alleen halfwin op de Sangerij, hij was ook eigenaar van de hof de Oude Keun. Deze hoeve stond oostelijk van de huidige Keunestraat.
Het gezin Frederix-Smeets telde minstens drie kinderen:
- Gerard (1655-1734). Hij volgt zijn vader op als pachter op de Sangerij (zie hierna);
- Joannes, geboren in 1658, maar hij overlijdt tien jaar later;
- Petrus, geboortejaar onbekend. Hij trouwt met Gertrudis Martens. Hij is in zijn later leven burger en brouwer in Maastricht.

2015blz52

Zo lag de afgebroken grafsteen van Willem Frederix erbij. Na verloop van tijd is hij toch weer hersteld en rechtgezet. (foto ca. 2010).

Nadat Willem Frederix in 1676 is overleden, trouwt zijn weduwe Agnes Smeets met Willem Coemans, wanneer en waar is niet bekend; wel dat het paar op de Sangerij blijft wonen. Als dan in 1685 Willem Coemans overlijdt, wordt Agnes opnieuw weduwe. Zes jaar later overlijdt ook zij. De pastoor schrijft in het begrafenisregister: vrome vrouw, voortdurend in de kerk, vrijgevig voor de armen. Zij wordt bij haar eerste man, Willem Frederix, begraven.

3de pachter: Gerard Frederix
De derde generatie Frederix die de hoeve de Sangerij exploiteert, is de hiervoor genoemde Gerard Frederix (1655-1734).
Gerard trouwt op 1 maart 1780 met Anna Maria Hustin (1657 -1695). Zij is de dochter van de schout van Cadier, Leben Hustin en Margaretha Aussems. Bij de huwelijksinschrijving staat vi rubri sigilli (uit kracht met de rode zegel). Wat betekende dat er geen drie ‘roepen’ waren; de reden staat er niet bij.

Drie zondagen voorafgaande aan het huwelijk vonden tijdens de Hoogmis de ‘roepen’ plaats. Had iemand bezwaar tegen het huwelijk of waren er huwelijksbeletsels, dan was men verplicht die direct bij de pastoor te melden. Deze moest dan eerst de bezwaren oplossen, alvorens hij het huwelijk mocht inzegenen. In sommige gevallen was dispensatie van de roepen mogelijk, bijvoorbeeld om roddel te voorkomen als de toekomstige bruid hoogzwanger was of bij hertrouwen van een weduwe of weduwnaar. Er zijn geen aanwijzingen dat de jonge bruid zwanger was, want het eerste kind is bijna tien maanden later geboren. Wel was Anna Maria de dochter van de schout en zou het misschien met het ‘standsverschil’ te maken hebben gehad?

Het huwelijk van Gerard en Anna Maria wordt gezegend met vijf kinderen, die geboren worden tussen eind 1680 en 1691 en van wie alleen zoon Willem (1687-1730) de volwassen leeftijd bereikt. Deze Willem zal pachter op de Meusenhof worden.

Wanneer Gerard en Anna Maria zich op de Sangerij vestigen is niet precies bekend.
Hun eerste kind Willem wordt 17 december 1680 in Cadier geboren, dus niet op de Sangerij. Hij overlijdt erg jong in 1687.
Hun tweede kind Margaretha ziet op 29 december 1682 wel op de Sangerij (Keer) het levenslicht (peetouders waren Willem Coemans de ‘stiefgrootvader’ van vaderskant en Margaretha Aussems grootmoeder van moederskant). Ook deze dochter overlijdt (1691) als kind.
Bij het derde kind, Maria, staat in het doopregister vermeld dat ze op 19 november 1685 Op den Hoff in Cadier (vermoedelijk Klein-Blankenberg) is geboren. Dit laatste is niet vreemd, want op 17 september 1683 sluit Gerard, bijgestaan door zijn schoonvader Leben Hustin bij notaris Demelinne een pachtcontract af met Maria en Peter Lenssens, eigenaren van “een winhof gelegen in Cadier”. Dit is hoeve Klein-Blankenberg (nu hoeve Boumans). De pachtduur is zes jaar.
Maar dan, vanaf augustus 1687 vinden alle gezinsmutaties (geboorten en overlijdens) weer op de Sangerij plaats. Wellicht heeft Gerard na het overlijden van zijn ‘stiefvader’ (Willem Coemans) ervoor gekozen om met zijn gezin weer bij zijn moeder Op de Sangerij te gaan wonen.

Gerard’s echtgenote, Anna Maria Hustin, overlijdt in 1695 - op bijna 38-jarige leeftijd - op de Sangerij. De pastoor vermeldt in het overlijdensregister: dat zij gul was voor de armen die zij in huis voedsel gaf zoals een moeder haar kinderen. Zij is begraven bij haar broer in de kerk.

2de huwelijk van Gerard Frederix
Na het overlijden van zijn vrouw blijft Gerard niet lang alleen. Hij hertrouwt nog geen drie maanden later met zijn dorpsgenote Elisabeth Thijssen (1667-1740), dochter van Lambertus Thijssen en Judith Caenen. Dit gebeurt cum dispensatione in bannis wat betekent: ‘ met vrijstelling van de roepen’.
In het gezin van Gerard en zijn tweede echtgenote, Elisabeth Thijssens, worden op de Sangerij - tussen 1696 en 1709 - acht kinderen geboren, van wie de oudste jong overlijdt.

De Sangerij over in andere handen
Wat er in 1734, na het overlijden van Gerard Frederix, precies gebeurt, is niet bekend. Uit de archieven kunnen we afleiden dat op 26 november 1740 de toenmalige eigenaar van de Sangerij, Servaes Sleijpen, getrouwd met Anna Maria Frederix (kleindochter van Gerard en dochter van Willem Frederix de pachter van de Meusenhof) de Hof de Sangerie met aanhorigheden (totaal twee bunders) verkoopt aan Guillaume Dupont. Wanneer en hoe Servaes Sleijpen het eigendom van de Sangerij verworven heeft, is niet bekend.

Guillaume Dupont
De nieuwe eigenaar Guillaume Dupont (1702-1790) is geboren op de hoeve Blankenberg die zijn ouders (Joannes Dupont en Elisabeth Leveau) dan gepacht hebben. Guillaume trouwt in 1739 met de Margratense Elisabeth Caenen. Een jaar later koopt hij dus hoeve de Sangerij. Uit het huwelijk van Guillaume en Elisabeth is één kind bekend: Joannes Wilhelmus Depondt. Hij wordt op 4 juni 1744 op de Sangerij geboren en overlijdt daar ook op 35- jarige leeftijd. Hij was ongehuwd.
Elisabeth Caenen overlijdt op 12 december 1756. In het overlijdensregister staat vermeld obijt in cantoria (overlijdt op Sangerij).

Guillaume hertrouwt op 14 januari 1759 te Nuth met Elisabeth Snackers. Uit dit huwelijk worden op de Sangerij tussen 1759 en 1790 tien kinderen (zes meisjes en vier jongens) geboren.
Guillaume overlijdt op 25 augustus 1790, een maand eerder waren zowel zijn vrouw Elisabeth als een van zijn zonen, Nicolaus overleden.

In 1796 als onze streek door de Fransen is ingelijfd, wordt een volkstelling gehouden; op de Sangerij wonen dan nog vier kinderen uit het gezin Dupont-Snackers:
Dupont Joannes, landbouwer (32 jaar) – Dupont Godefridus, broer (24 jaar) – Dupont Jenne Maria, zuster (28 jaar) – Petronella Dupont, zuster (25 jaar).

2015blz56

Dit kaartfragment dateert uit 1806, dus vóór de aanleg van de Rijksweg. T
en noorden van Blankenberg splitste de weg zich: een weg liep aan de noordzijde voor de Sangerij langs, via Margraten naar Aken; de andere weg ging naar Honthem richting Terlinden en verder naar Limbourg (B).
Van zuid naar noord liep de weg Dalhem – Valkenburg.

De laatste bewoners van de oude Sangerij
De voorbereidingen voor de aanleg van de Rijksweg in 1824 luiden het einde in van de hoeve. Want in de onteigeningsstukken lezen we dat Renier Frijns, weduwnaar van Maria Dupont (dochter van Guillaume en Elisabeth Snackers), zijn huis, tuin, bakhuis, boomgaard en acht fruitbomen moet afstaan. Maria Dupont en Renier Frijns zijn in 1800 getrouwd. Binnen het gezin Frijns-Dupont worden tussen 1801 en 1811 zes kinderen geboren, van wie een aantal kort na hun geboorte overlijdt. Maria zelf overlijdt in 1814 op 47-jarige leeftijd.

Renier Frijns gaat na de onteigening zijn heil ergens anders zoeken, want hij bouwt er geen nieuwe boerderij meer. Ook komen wij zijn overlijden in het overlijdensregisters van Cadier en Keer niet tegen.

Ten slotte
Na de afbraak van de oude hoeve - rond 1825 - duurt het vijftig jaar tot er aan de Sangerij weer bouwactiviteiten zijn. De dan 48-jarige vrijgezel Pieter Joseph Heusschen bouwt er in 1875 een herberg. De ligging van de herberg is goed gekozen, zo halverwege Keer en Margraten, op een kwartier gaans van beide dorpen. Dus aan klandizie zal het Pieter niet ontbroken hebben. Alle afstanden moesten toen immers te voet of te paard worden afgelegd en de deur van de herberg was dan snel gvonden.

2015blz57

De voormalige herberg van Pieter Heusschen 140 jaar later.

Hieronder een beknopte genealogie van de familie Frederix

2015blz58

Gebouwen en monumenten

Gevel- en sluitstenen
door Jo Purnot en Pierre Roijen

Een jaar of tien geleden noteerde ons bestuurslid Wiel Becker, tijdens zijn wandelingen door het dorp, gevel- en sluitstenen waarop jaartallen en initialen vermeld waren. Zijn gegevens zijn de bron van dit artikel, waarin wordt ingegaan op de gevelstenen, de gebouwen, de bouwers en hun gezinnen.

Gevelstenen
In ons dorp komen we - zij het beperkt - woningen en boerderijen tegen met gevel- en sluitstenen. Deze stenen steken qua uitvoering schril af bij de fraaie exemplaren die in oude stedelijke gebieden te vinden zijn. Wie de binnenstad van Maastricht kent, weet welke prachtige gevelstenen daar te zien zijn. Die stenen hadden een duidelijke functie; ze fungeerden als naam- en uithangbord. In ons dorp was dat niet nodig, iedereen kende iedereen, en 'vreemden' hadden hier niets te zoeken.
In Keer komen we bijna louter eenvoudige stenen tegen waarin een jaartal gebeiteld is en met een beetje geluk ook nog de initialen van de bouwer van de woning of boerderij. Waarom deze stenen? Was het een gevoel van trots van de bouwer? Gaf het de boerderij enige status? In ieder geval vertellen die stenen iets over het bouwjaar en daardoor ook over de toenmalige eigenaar.
Niet alle sluitstenen zijn authentiek. Sommige zijn jaren na de bouw pas ingemetseld. Soms is de oorspronkelijke steen vervangen door een nieuwe. Ook zijn gevelstenen achter een nieuwe opgemetselde muur terecht gekomen of gewoon weggepleisterd. En in een enkel geval zelfs weggeschuurd.

Wij beginnen onze 'stenentocht' in het uiterste westen (Maaskant) van ons dorp: de Dorpsstraat.
Dorpsstraat 61
De meest westelijke woning in de Dorpsstraat (boerderij Goessens)
 2014blz40a  2014blz40b
   Boven de voordeur
J . R 17-3-1928
 

De boerderij is in 1928 gebouwd door Väös Jaspars (1866-1952) en Merie Martinussen (1870-1938).

Väös Jaspars was een telg uit een familie die begin 19de eeuw in het kielzog van pastoor Jean Jaspars in Keer is komen wonen. Merie Martinussen was geboren en getogen in Mheer. Op 19-jarige leeftijd trouwde ze in Mheer met de Keerdenaar Geel Roebroeks (1839-1911). Het leeftijdsverschil tussen Merie en haar eerste echtgenoot, Geel, was maar liefst 31 jaar. Ze hadden samen een zoon, Bèrke Roebroeks, bijgenaamd ’t menneke. Toen Geel in 1911 overleed woonde het gezin op de oosthoek Dorpsstraat-Pastoor Kikkenweg.

Drie jaar na het overlijden van Geel trouwde Merie met Väös Jaspars. Väös trok bij haar in. Het huwelijk bleef kinderloos. Wel kwam Caspar (1850-1950), een ongetrouwde broer van Väös bij hen inwonen. Het gezin werd compleet toen Fien Roebroeks, een kleindochter van Merie in huis werd genomen. Fien was toen een jaar of drie oud en was het derde kind uit het gezin van Bèrke Roebroeks en Lies Willemsen. In dat gezin werden zestien kinderen geboren.

Dat een kleinkind bij de grootouders ging wonen, was vroeger niet zo vreemd, dat gebeurde vaker. Zeker bij grote gezinnen. Ook getrouwde stellen die geen kinderen konden krijgen, namen vaak een neefje of nichtje in huis. Op die manier was men verzekerd van verzorging als men op latere leeftijd hulpbehoevend zou worden.

Het huurhuis waarin het echtpaar Jaspars - Martinussen, hun (schoon)broer en kleinkind woonden (oosthoek Dorpsstraat-Pastoor Kikkenweg) was flink onderkomen. Reden om in 1928, dus veertien jaar na hun huwelijk, hun eigen boerderij te bouwen. Naar wie de initialen boven de deur van de nieuwe boerderij verwijzen, is nu gissen. De J van Jaspars is te verklaren, maar het zou vreemd zijn als de R naar Roebroeks zou verwijzen. Het ligt toch voor de hand dat Merie na haar huwelijk met Väös zich Jaspars-Martinussen noemde. Waarschijnlijk is de gevelsteen een geste aan de inwonende kleindochter en verwijzen de initialen naar Josefien (Fien) Roebroeks.

2014blz41

Links: Caspar Jaspars.
Rechts: Väös Jaspars.
Midden: Fien Roebroeks met haar man Pie Goessens.
Van Merie Martinussen is geen foto beschikbaar

Merie Martinussen overleed in 1938 en vier jaar later trouwde kleindochter Fien (1922-2011) met Pie Goessens (de Greune va Luumpeske) (1908-2002).
Fien en Pie gingen bij Väös en Caspar inwonen. Nadat deze twee broers allebei overleden waren, namen Fien en Pie de boerderij over en bleven er hun verder leven wonen.
Dorpsstraat 46
Westhoek Dorpsstraat - Pastoor Kikkenweg (bekend als boerderij Winthagen)
  2014blz42a
  Boven de beide poorten zijn sluitstenen gemetseld
  2014blz42b
 Sluitsteen linker poort: H P 1856   Sluitsteen rechter poort: A : K 1856
 
 
De bijna geheel verweerde initialen zijn van Andries Kicken (rechts) en zijn echtgenote Helena Paulissen (links).
Andries Kicken, geboren in Bemelen, en de Keerse Helena Paulissen huwden in Bemelen op 15 februari 1844. Via hun (schoon)ouders Jan Lambert Paulissen en Elisabeth Halders kregen zij de boerderij in de Dorpsstraat in bezit. Andries en zijn gezin woonden toentertijd in 't Gasthuis, gemeente Bemelen. Daar werden ook hun twaalf kinderen geboren. Naderhand ging het gezin in Frankrijk (Houssage) wonen. Dat was niet ongewoon omdat in de 19de eeuw meer gezinnen (tijdelijk) naar Noord-Frankrijk vertrokken.

Tijdens het verblijf in Frankrijk woonden achtereenvolgens de gezinnen Brouwers-Lejeune, Vaessen-Sleijpen en Huls-Huijnen in de boerderij aan de Dorpsstraat.

Op 1 mei 1893 keerde Andries met zes ongehuwde volwassen kinderen terug uit Frankrijk en betrok de hem toebehorende boerderij aan de Dorpsstraat. Zijn vrouw en een dochter waren in Frankrijk overleden. Drie jaar later, hij was toen 88 jaar, overleed hij. Nadat de ongehuwde kinderen - onder wie Bèrke Kicken, de laatste schaapherder van Keer - overleden waren, nam begin 1936 de ongehuwde Andreas Vliex zijn intrek in de boerderij aan de Dorpsstraat. Hij bracht zijn zuster en haar man Joannes Joseph Hubertus Winthagen mee.
De boerderij bestaat uit een vrijstaand woonhuis uit 1932 en een L-vormig bedrijfsgedeelte uit 1856.

===============================================
Bageere: pachters trokken van hoeve naar hoeve
Dat het gezin Kicken - Paulissen in Frankrijk ging "boeren" was niet uitzonderlijk. In de 19de eeuw kwam het vaker voor dat Keerdenaren in Noord-Frankrijk tijdelijk een boerderij pachtten. Ook in Keer was een aantal grote pachthoeven: Meusenhof, Hoeve Klein-Blankenberg en Hoeve Groot-Blankenberg die geregeld van pachters wisselden. Dikwijls bleef een pachter voor twee, drie of vier toesje. 'ne Toesj duurde drie jaar en dan ging men weer bageere (met have en goed verhuizen naar een andere pachthoeve). Niet goedkoop, want een oude boerenwijsheid was: drei-j kièr bageere, kos ieëve väöl es eine kièr aafbranne (drie keer verhuizen, kost evenveel als één keer afbranden).

Dorpsstraat 39
(tegenwoordig bekend als boerderij Florack)

2014blz44a

Links een foto van de boerderij in de jaren vijftig.
Rechts zoals de verbouwde boerderij er nu uitziet; de schuur (links) is tegenwoordig verbouwd tot woonhuis

Boven de latei van de voordeur staat AD MB 1845 (foto: onder links). Boven de aansluitende poortvleugel staat in de sluitsteen A-D AMB 1869 (foto: onder rechts).
2014blz44b

 
We mogen ervan uitgaan dat de bouwers van het huis Andreas (Dries) Daemen (1810-1881) en Anna Maria Beckers (1810-1874) eerst hun woonhuis bouwden en meer dan twintig jaar later de grote schuur.
De boerderij is dus in fasen gebouwd, iets dat veel voorkwam. Eerst bouwde men het woonhuis; afhankelijk van de behoefte en financiële middelen werden later de stallen en schuren bijgebouwd. De boerderij is een gemeentelijk monument, omdat de voordeur zich aan de straatkant in een brede voorgevel bevindt, in afwijking van wat midden 19de eeuw gebruikelijk was. Meestal werden in die tijd de huizen en boerderijen gebouwd met een smalle voorgevel en een lange zijgevel. De voordeur was dan aan de binnenzijde, op de mèstem (het erf).

De bouwer, Andreas Daemen, was in 1810 in Kanne (België) geboren. Zijn ouders waren Paulus Daemen en Johanna Henraard. Deze vestigden zich in de jaren twintig van de 19de eeuw in Cadier en Keer. Het kan zijn dat de komst van het gezin naar Keer iets te maken had met de aanleg van de Rijksweg in 1825/1826, want verschillende nakomelingen waren stratenmaker of kantonnier van hun beroep.
De echtgenote van Dries, Anna Maria Beckers, was een Keerse. Haar ouderlijk huis stond ongeveer tegenover de boerderij die ze later met Dries bouwde.

In het gezin van Andreas Daemen - die volgens het bevolkingsregister gepensioneerd Belgisch militair en landbouwer was - werden vier kinderen geboren. Drie overleden binnen een week na hun geboorte. Alleen zoon Paulus Leopold (bij oude Keerdenaren bekend als Púike) haalde de volwassen leeftijd.

Na het overlijden van zijn beide ouders erfde hij als enig kind de boerderij. Drie keer stapte Púike (landbouwer en schaapherder) in het huwelijksbootje en drie keer werd hij weduwnaar. In totaal kreeg hij negen kinderen, van wie een aantal de volwassen leeftijd niet haalde. Het laatste gezin Daemen dat in de boerderij woonde was het gezin Daemen –Sleipen.

===============================================
Een nazaat van Paulus Daemen en Johanna Henraard was Martinus Daemen. Martinus trouwde in 1827 met de Honthemse Catharina Wintjens. Tot hun nakomelingen horen: Joannes Hubertus (d'r Jaan) Daemen, getrouwd met Eva van den Bosch, en Pieter Daemen (Pietsje), getrouwd met Nès Cerfontein. 
Dorpsstraat 34
(bekend als boerderij Mingels)
 2014blz46a
2014blz46b
Of de sluitsteen ook de oorspronkelijke steen is uit 1734, is nog maar de vraag. Feit is wel dat een Keerdenaar die in de boerderij geboren en getogen is (geb.1937), niet anders weet dan dat de sluitsteen er altijd is geweest.

De boerderij die we in de Franse tijd (1795-1813) tegenkomen, telde toen vijf ramen/deuren. Een aantal jaren eerder hadden Lambert van der Linden (1738-1794) en zijn echtgenote Anna van der Linden (1747-1799) de boerderij uit de boedel van de overleden ouders van Anna gekocht. Ze moesten 1800 gulden (Maastrichtse Brabantse cours) op tafel leggen om de boerderij in handen te krijgen. Lambert en Anna waren neef en nicht en moesten dus bij hun huwelijk in 1770 dispensatie hebben van de kerk. Het echtpaar kreeg tien kinderen, die allemaal de volwassen leeftijd bereikten, een unicum in die tijd.

In 1845 is de boerderij er slecht aan toe. In het testament van de ongehuwde zoon Lambertus van der Linden staat te lezen dat het om een bouwvallig huis gaat. Daarna wordt de boerderij gerestaureerd of opnieuw gebouwd door de jongste zoon uit het gezin van der Linden, Gerardus (1788-1862), schaapherder en dagloner. Gerardus moet in zijn jonge jaren al heel wat van de wereld gezien hebben. In ieder geval meer dan de meeste van zijn dorpsgenoten. Hij had namelijk gediend onder Napoleon. Gerard trouwt met Maria Daemen (1792-1878). Zij krijgen vijf kinderen. Een daarvan, dochter Helena (1832-1866), trouwt met Johannes Joseph Gilissen (1834-1925). Als hun dochter Maria (1859-1927) in 1890 trouwt met Frèns Mingels (1856-1942) komt de boerderij in handen van de Mingels-familie. En dat is nu, drie generaties later, nog zo.

=============================================
Volgens de keuringsgegevens is de bovenvermelde Gerardus van der Linden 1.60 m groot en dagloner van beroep. Hij wordt ingedeeld bij het Tweede Regiment van de Huzaren. Waar Gerard onder leiding van Napoleon gevochten heeft, wordt nog uitgezocht.
Ook zijn oudere broer Christian wordt opgeroepen voor de keuring, maar van hem zijn (nog) geen verdere gegevens bekend.
Dorpsstraat 15 (Haksteinhoeve)
 2014blz48a

2014blz48b

Met dit opschrift boven in de voorgevel is duidelijk iets aan de hand, althans de tekst en het jaartal passen niet bij elkaar.

Maar eerst iets over Hakstein, Heer tot Cadier. In 1782 koopt de burgemeester van Rhenen, Jacobus Hakstein van Hemerstein het kasteel Blankenberg en de heerlijkheid Cadier. Hij wordt door deze koop: Heer van Cadier. Een jaar later, in 1783, koopt hij de woning in de Dorpsstraat.

De gevelsteen
Ons in 2006 overleden redactielid Lei Haesen heeft over deze gevelsteen, als zijn theorie, het volgende geschreven:

De voorletter in de gevelsteen zou een J (Jacobus) moeten zijn. Gezien de foutieve voorletter is dit huisteken later waarschijnlijk gerestaureerd, omdat de tekst mogelijk door weersinvloeden (deels) onleesbaar geworden was, waardoor de steenhouwer en de eigenaar het oorspronkelijk opschrift niet meer helemaal konden ontcijferen.
Op de tweede plaats roept het derde, nu onleesbaar, cijfer in het jaartal 17?6 vragen op. In actuele documentatie wordt melding gemaakt van 1716. Sommigen menen vaag een 1 te kunnen onderscheiden.
Zoals gezegd koopt Jacobus Hakstein de woning in de Dorpsstraat in 1783. Er zijn nu twee mogelijkheden:
1. Jacobus heeft tijdens een verbouwing dit huisteken aangebracht en een ouder exemplaar (met het jaartal 1716) door een nieuw met zijn naam vervangen. Het jaartal 1716 kan in dat geval duiden op de bouw van het pand door de oudst bekende eigenaar en vermoedelijke bouwer Leendert Houben.
2. Het jaartal is onjuist en moet 1786 zijn. Het zou dan kunnen herinneren aan een verbouwing of uitbreiding door Jacobus Hakstein.

In de kadastrale legger van Cadier uit 1732 komen wij Leendert Houben, zoon van Joannes Houben en Joanna Pelsers, tegen als eigenaar van het oorspronkelijke pand. Vermoedelijk is hij ook de bouwer. Leendert Houben (1653-1743) trouwt op 46-jarige leeftijd in 1699 in de kerk van Cadier met de vroedvrouw Odilia Mees, weduwe van zijn broer Egidius Houben. Na hun overlijden erft de ongehuwde dochter Maria (1707-1778) de woning.

(wordt vervolgd)
 

Gebouwen en monumenten

Eenzaam maar niet alleen
Kunst in het voormalige gemeentehuis
door drs. Harry H.M. Beckers

Een gemeentehuis is niet alleen een werkplek voor de burgemeester, de wethouders en de ambtenaren maar ook een plek waar de inwoners terecht kunnen voor de verkrijging van allerlei gemeentelijke vergunningen, rijbewijzen, paspoorten, doen van aangiften van de burgerlijke stand etc. Het is ook de plek waar het hoogste gezagsorgaan van de gemeente, de gemeenteraad, in het openbaar besluiten neemt en waar de officiële ontvangsten bij een gemeenschap een prominente plaats innemen. Dat blijkt niet alleen uit de plek waar het gemeentehuis staat (meestal midden in het dorp of stad) maar ook uit het gebouw zelf. Dat gebouw moet een bepaalde stijl hebben en een zekere uitstraling. Het voormalige gemeentehuis aan het Raadhuisplein heeft dit alles in zich. Dit artikel heeft - naast een korte schets van de ‘ontstaansgeschiedenis’ van dit gemeentehuis - een tweetal bijzondere kunstwerken tot onderwerp die voor de nieuwbouw zijn vervaardigd: het gebrandschilderd raam ‘Allegorie van het Limburgse leven’ en het schilderstuk ‘De Vier Jaargetijden’.

Nieuw gemeentehuis
In 1879 liet het gemeentebestuur een nieuw pand bouwen aan de Echtersträöt (Limburgerstraat): het huidige Keerhoes. Het gebouw had bij de ingebruikname verschillende functies: het diende als lagere school, de hoofdonderwijzer met zijn gezin woonde er en tevens was er de gemeentesecretarie ondergebracht. Een multi-functioneel gebouw avant la lettre!

Het is 18 juli 1958 als voor het eerst in de gemeenteraad van Cadier en Keer de bouw van een nieuw gemeentehuis aan de orde komt. Het idee hiervoor kwam niet zozeer vanuit het gemeentebestuur zelf; de aanleiding om nieuwbouw op de agenda te plaatsen, was afkomstig van de provincie. Deze beklaagde zich over de gebrekkige wijze waarop het gemeentelijk archief was ondergebracht. Men wees het gemeentebestuur er nadrukkelijk op dat er eens nagedacht diende te worden over de bouw ener brandvrije archiefbewaarplaats.

Om aan de wens van de provincie tegemoet te komen, lag het voor de hand als eerste optie te kijken naar de mogelijkheden om het bestaande gebouw te verbouwen. Doordat de lagere school in 1939 andere huisvesting had gevonden was er ruimte beschikbaar gekomen.

De toenmalige burgemeester L.H.H. Huyben kon de raadsleden spoedig laten weten dat het gebouw niet geschikt was om te verbouwen. Zo diende het dak te worden vernieuwd, waren de ramen totaal versleten en de vloeren slecht en vertoonde het mergelgebouw vele vochtige plekken. En ook na een eventuele verbouwing was Cadier en Keer nog steeds geen specifiek en modern gemeentehuis rijk. Het betreft nog steeds een verbouwde burgerwoning met grote kosten voor onderhoud.

2012blz61

Het gemeentehuis, annex school en onderwijzerwoning. Nu ’t Keerhoes. Foto begin jaren zestig


Het college van burgemeester en wethouders had ook al een plek voor ogen waar de nieuwbouw moest verrijzen. Aankoop van de woning met bedrijfsgebouwen van de familie Claessens bood de mogelijkheid tot het scheppen van een dorpscentrum. De eigendommen van deze familie lagen langs de Väörsjtraot (de huidige Kerkstraat), ongeveer ter hoogte waar thans bakkerij Paulissen aan het huidige Raadhuisplein gevestigd is, en liepen door  tot aan de Echterstraot (thans Limburgerstraat). In dit centrum was dan - naast het nieuwe gemeentehuis - ruimte voor een plein met daaraan bebouwing met een representatief karakter.
 
2012blz62

Boerderij Claessens. Afgebroken om ruimte te maken voor het Raadhuisplein. Nu is op de plaats van de boerderij bakkerij Paulissen gevestigd



Enkele raadsleden voelen zich enigszins overvallen; zij vragen om een financiële onderbouwing waarbij nieuwbouw kan worden vergeleken met de verbouw van het bestaande gemeentehuis. Hiertegen heeft het college geen bezwaar en aldus wordt besloten.

Het is in de raadsvergadering van 3 oktober 1958 (2 ½ maand later) dat de raad besluit een nieuw gemeentehuis te bouwen. Van de zeven raadsleden stemmen er twee tegen. Een becijfering van de kosten van verbouw van het bestaande gemeentehuis is niet beschikbaar. De burgemeester herhaalt de zetten die in de eerdere raadsvergadering gedaan zijn: de verbouw brengt zeer grote onkosten met zich en dan nog heeft men niet de beschikking over een modern gemeentehuis.

Het proces om te komen tot nieuwbouw verloopt traag. Wij zijn anderhalf jaar verder als op 12 mei 1960 geld (fl. 3.000,--) beschikbaar wordt gesteld voor het maken van een ontwerpplan voor de nieuwbouw aan, wat later, het Raadhuisplein zal gaan heten. Hiervoor wordt het Architectenbureau Hoen-Ubachs-Roomans te Maastricht aangezocht. Met de voorbereiding en de uitwerking van het bouwplan is de nodige tijd gemoeid. De eerste spade wordt pas op 25 april 1964 gestoken door burgemeester Huyben, die anderhalve maand later (1 juni) benoemd wordt tot burgemeester van de Limburgse gemeente Bergen. Zijn opvolger, de twee maanden later benoemde H.J.R. Van Laar, mag gouverneur van Rooij voor de officiële opening op zaterdag 10 juli 1965 verwelkomen.

Kunstwerken
Van meet af aan was duidelijk dat ook in het nieuwe gemeentehuis van Cadier en Keer enkele kunstwerken een plek dienden te krijgen.
Het was daarbij niet ongebruikelijk om als richtsnoer een bedrag te hanteren van 1% van de totale stichtingskosten (bouw- en inrichting). Die kosten werden zeer nauwkeurig bijgehouden. Uiteindelijk stopte de teller op een bedrag van fl. 387.428,19, wat betekende dat voor kunstwerken circa fl. 3.874,- beschikbaar was. De prijs van de aanschaf van beide kunstwerken die hierna aan de orde zal komen, beliep bijna het driedubbele.

Het is het architectenbureau Hoen-Ubachs-Roomans geweest dat het college van burgemeester en wethouders heeft geadviseerd in zee te gaan met een tweetal regionale kunstenaars: Hans Truijen uit Klimmen en Harry Lips uit Maastricht.

Gebrandschilderd raam
In het voormalige gemeentehuis aan het Raadhuisplein bevond zich oorspronkelijk een tweetal kunstwerken. Eén daarvan is het gebrandschilderde raam van Hans Truijen in het trappenhuis. Hierop heeft men nog steeds een goed uitzicht, zowel op de beneden - als op de bovenverdieping. Het raam - met de afmetingen 5.90 m x 3.10 m - is bekend als de Allegorie van het Limburgse leven. Het bevat een zeer gevarieerde voorstelling van het gemeentelijk, kerkelijk en maatschappelijk leven in ons dorp.

2012blz64

In frisse kleuren worden symbolische voorstellingen teruggevonden van tal van zaken die kenmerkend zijn voor ons dorp. Wij herkennen de handboogschutterij Amicitia, de fanfare St. Blasius en als symbolen van het geestelijk en wereldlijk leven, respectievelijk de pastoor en de burgemeester. Dit alles is als een lint met elkaar verbonden door reijers die de cramignon dansen. Op die wijze wordt de eenheid en de saamhorigheid van het dorp uitgebeeld.

Het raam vertegenwoordigt een grote financiële waarde. Uit een door een beëdigde taxateur opgemaakt rapport uit 1992, blijkt dat de waarde (toen) werd geschat op fl. 150.000,--. Een bijzonder hoog bedrag; zeker als men weet dat de gemeente aan de kunstenaar een bedrag van fl. 7.345,-- betaalde.

Hans Truijen
Het gebrandschilderd raam is, zoals hiervoor aangegeven, vervaardigd door de kunstenaar Hans Truijen uit Klimmen. Geboren in Soerabaja in 1928 uit Limburgse ouders, bracht hij zijn jeugd in Nijmegen en Den Haag door. Hij bezocht de Academies in Arnhem, Den Haag, Rotterdam en Maastricht. Hier, in Maastricht bij de Jan van Eyck Academie, volgt hij onder meer de glazeniersopleiding. In 1955 studeert hij cum laude af. Eerst woont en werkt hij in Den Haag, maar in 1959 vestigt hij zich in Zuid-Limburg. Tijdens zijn leven heeft hij een groot aantal glasramen (w.o. dus het gebrandschilderd raam in het voormalige gemeentehuis in ons dorp) en wandschilderingen vervaardigd. In dit verband is hij vooral bekend vanwege zijn beschildering van het interieur van het Romaanse Kerkje te Oud-Lemiers. In 2005 overleed hij in Huize Retersbeek te Klimmen; 77 jaar oud.

De Vier Jaargetijden
Het tweede kunstwerk is een schilderij dat was opgehangen in de raadszaal, die tevens als trouwzaal dienst deed. Achter de tafel waar het college van burgemeester en wethouders gezeten was, besloeg het met zijn afmetingen van 1.20 m x 4.80 m de gehele achterwand van de zaal. De kunstenaar Harry Lips vervaardigde het schilderij voor een bedrag van fl. 4.000,--. Bij een taxatie eind 1992 werd de waarde geschat op fl. 35.000,--.

Het schilderstuk stelt de vier jaargetijden voor. Deze worden neergezet als landschappelijke taferelen in sterk vereenvoudigde, van licht en kleur verzadigde vormen, die heel treffend de essentie weergeven van de vier thema’s. Opvallend in het schilderij is de
vloeiende overgang van het ene seizoen naar het andere; ze vervloeien als het ware in elkaar.

De lente
De lente wordt gesymboliseerd door beelden van het nieuwe, ontluikende leven; de merrie met haar veulen in de wei. Het kleurgebruik is ingetogen; bedekte tinten overheersen maar we zien dat het niet lang meer kan duren.

2012blz66

De zomer
De zomer kondigt zich al aan: het jaargetijde van de oogst. Wij herkennen het rijpe graan, de korenschoven en de felle zon. Het kleurgebruik is overdadig; het schittert - bijna letterlijk - van het schilderij af.

2012blz67a
De herfst
De herfst is het seizoen van de jacht; wij zien de jager met zijn hond
en de kleuren van het schilderij worden ingetogener, minder uitbundig, fletser zelfs.

2012blz67b

De winter
En dan komt de onvermijdelijke winter, gesymboliseerd door trekkende vogels. Hier zijn het de koude, kille kleuren die overheersen. Geen uitbundigheid, geen felle kleuren, maar slechts wit en grijs.

2012blz68

Door kunstkenners wordt het kunstwerk vooral geprezen om de prachtige kleuren waarmee de beelden op het paneel zijn aangebracht evenals de schakeringen daartussen.

De schilder in actie
Ik heb Harry Lips tijdens het schilderen van De Vier Jaargetijden aan het werk gezien. Hij deed dat in de toen nog niet ingerichte, lege raadszaal. In die tijd was ik als secretarieambtenaar werkzaam in het gemeentehuis; regelmatig liep ik bij hem binnen om de vordering van het werk in ogenschouw te nemen. Wat mij is bijgebleven, is zijn bril op het puntje van de neus, zo nu en dan een sigaartje tussen de lippen en een goed verzorgde, ietwat puntige snor en zijn enigszins kalende voorhoofd. Hij was steeds bedachtzaam en geconcentreerd bezig; je deed dan ook je best om hem zo weinig mogelijk af te leiden en in zijn arbeid te storen. Een enkele keer raakte je met hem in gesprek en ontspon er zich zo iets als een conversatie. Mijn indruk was dat hij de belangstelling voor wat hij deed en hoe hij het deed wel kon waarderen, maar dat hij het liefst ongestoord wilde doorwerken.

De raadszaal werd toen tevens gebruikt als trouwzaal. De Vier Jaargetijden was bevestigd tegen de wand direct tegenover de stoelen waarop de bruid, bruidegom, hun familie en vrienden en kennissen gezeten waren. Het schilderstuk kon door hen niet over het hoofd worden gezien, want het hing direct in hun gezichtsveld. Als één van de ambtenaren van de burgerlijke stand verwerkte ik regelmatig de symboliek van de wandschildering in mijn toespraakje voordat het wettelijk huwelijk werd voltrokken.

Zo zijn er ook in een mensenleven verschillende fases te onderscheiden; fases die vergelijkbaar zijn met de vier jaargetijden. De lente staat dan voor de tijd van het opgroeien: van zuigeling tot jonge man of jonge vrouw. De zomer vormt dan de periode van groei en bloei in het leven; het is de periode van het samen iets opbouwen en vervolgens van het samen oogsten. Daarna volgt dan de herfst; de tijd waarin het allemaal wat minder gaat en waar ook minder moet. En dan volgt de onafwendbare winter, waar het leven langzaam ten einde loopt. En zo vormde het schilderij een mooie schakel tussen de aanstaande echtgenoten voor het levenspad dat zij tot nog toe afzonderlijk hadden bewandeld, maar dat zij in de toekomst gezamenlijk zouden gaan.

Harry Lips
Harry Lips is afkomstig van Rotterdam, waar hij op 3 oktober 1918 is geboren. Vastbesloten om schilder te worden neemt hij ’s avonds tekenlessen bij een tekenleraar. Daarna grijpt hij de kans aan om lessen tekenen en schilderen te volgen aan de Academie voor Beeldende Kunsten.

2012blz70

Mevrouw José Lips-Besselink bespreekt in ‘t Keerhoes het schilderij van haar man met onze voorzitter (Harry Beckers) en onze secretaris (Jo Purnot) van de Historische Kring.
Foto 2010

 

In 1943 verhuist hij naar Maastricht. Een stad waar hij wel zou inburgeren, maar toch niet echt een Limburger met de Limburgers werd. Hij voert tal van opdrachten uit voor wandschilderingen, toneeldecors, portretten en illustraties; ook heeft hij veel Limburgse landschappen en Maastrichtse stadsgezichten op doek gezet. In Maastricht komt hij in aanraking met de kunstenaars aldaar en hij volgt avondlessen aan de Stadsacademie. Hij ondergaat enige invloed van Charles Eyck, die hij bewondert en blijft volgen. Vanaf de jaren 50 gaat hij vrijwel ieder jaar een reis maken naar het buitenland, vooral naar de Provence in Zuid-Frankrijk om daar het landschap te schilderen.

Samen met zijn tweede echtgenote José Besselink schildert hij in de zomer van 1979 in het woestijngebied van Abanilla in Spanje. Hun huis is een eeuwenoude holwoning, uitgehouwen in de rotsen. Het zou zijn laatste reis worden. Thuisgekomen begint hij aan een zelfportret; zijn laatste. Het blijft onaf. Midden in de stad die hij koestert maakt hij een ongelukkige val. Het gevolg is een gescheurde milt; Harry Lips overlijdt op 9 november 1979: 61 jaar oud.

Gemeentelijke herindeling
Op 1 januari 1982 kwam aan de zelfstandigheid van de gemeente Cadier en Keer een einde. Samen met vijf andere gemeenten werd de nieuwe gemeente Margraten gevormd. Was het gemeentehuis aanvankelijk nog enige tijd in gebruik, het was wel duidelijk dat er een werkplek voor de ambtenaren van de nieuwe gemeente gevonden diende te worden op één centrale plek. Na jaren gesteggel werd uiteindelijk de knoop doorgehakt: het nieuwe gemeentehuis zou in de kern Margraten komen! Zie de Keerder Kroniek, jaarboek 2007, blz. 115-125.

Toen de keuze in september 1988 voor de kern Margraten als plek voor het nieuwe gemeentehuis genomen was, bracht dit met zich dat het 23 jaar oude gemeentehuis in Cadier en Keer overbodig werd. Het gebouw bood nog enige tijd huisvesting aan de Regionale Politie, maar toen deze uit het gebouw vertrok, kwam het gebouw per 1 januari 1997 opnieuw vrij. Door het Margratense gemeentebestuur werd vervolgens besloten het gebouw onder bepaalde voorwaarden door middel van een onderhandse inschrijving aan de meest biedende te verkopen.

De kunstwerken; wat nu?
De verkoop van het gemeentehuis bracht de vraag met zich hoe te handelen met de twee kunstwerken. Het probleem deed zich vooral voor bij het glas-in-loodraam. Dat was ‘aard- en nagelvast’ met het gemeentehuis verbonden en zou aan de koper bij de verkoop van het gebouw in eigendom worden overgedragen. Van belang was dat het raam, niet alleen vanwege de geldswaarde die het vertegenwoordigde, maar ook vanwege de emotionele waarde voor de gemeenschap Cadier en Keer behouden diende te blijven. Het betrof een bijzondere kunstuiting die tot in lengte van jaren in stand en bewaard diende te blijven. In de overdrachtsakte (begin 1997) aan de hoogste inschrijver (Aannemersbedrijf Gebr. Heusschen) valt dan ook te lezen dat het glas-in-loodraam in stand gehouden dient te worden zolang het gebouw bestaat en zolang dat redelijkerwijze van de koper geëist kan worden. Het kunstwerk dient blijvend een integraal onderdeel van het gebouw uit te maken. Dat houdt in dat het kunstwerk niet uit het gebouw mag worden losgewrikt om afzonderlijk te worden verkocht.

2012blz72

Moeilijker was het met De Vier Jaargetijden. De oorspronkelijke bedoeling om het schilderij een plek te geven in het nieuw gebouwde gemeentehuis in de kern Margraten kon niet worden uitgevoerd. Gelukkig maar! Vanwege de opvallende kleuren harmonieerde het schilderij niet met de sobere tinten waarin dit gebouw was geschilderd. Tevens leverde de omvang van het schilderij een probleem op; er was geen geschikte wand te vinden waartegen het schilderij kon worden opgehangen. Wat restte was de opslag in de kelder. Daar heeft het een aantal jaren verbleven. Door verschillende verplaatsingen - er was niet echt een ruimte beschikbaar waar het schilderij kon worden opgeborgen - ontstonden er in de loop der jaren enkele lichte beschadigingen. Deze zijn later volledig hersteld. Uiteindelijk was het de verbouw van ’t Keerhoes die een oplossing bood. Hier heeft het schilderij een definitieve plek gevonden aan een van de wanden van de grote zaal. Hier in het huis van de Keerdenaren (’t Keerhoes) hoort het ook thuis.

Ten slotte
De twee kunstwerken hebben hun uiteindelijke plek binnen onze gemeenschap gevonden. Voor het gebrandschilderd raam was dat logisch. Het maakte immers integraal deel uit van een gebouw: het voormalige gemeentehuis van ons dorp. Tevens is voldoende verzekerd dat het kunstwerk steeds met het gebouw verenigd zal blijven.
Voor De Vier Jaargetijden lag dat anders. Het gevaar lag op de loer dat het kunstwerk een eindbestemming zou vinden buiten ons dorp; gelukkig is dat niet gebeurd. De huidige plek in ’t Keerhoes waarborgt ook hier dat het - tot in lengte der jaren - haar prominente plek binnen de gemeenschap Cadier en Keer zal behouden.
De twee kunstwerken zijn niet meer met elkaar in één gebouw verenigd, maar beide hebben en houden, ieder op zijn eigen plek, een prominente en fraaie plaats in ons dorp. En zó hoort het ook!

2012blz73

Het raadhuis (1965-1982) van de voormalige gemeente Cadier en Keer. Foto eind jaren zestig


 
Geraadpleegde literatuur
Coumans, Willem K., Harry Lips, Venlo, Van Spijk, 1982, 1e druk
- Meijers, Fons.: Cadier en Keer 25 jaar bij de gemeente
   Margraten. Keerder Kroniek, jaarboek 2007, blz. 115-125

De auteur dankt in het bijzonder de heer Léon Urlings, archiefmedewerker bij de voormalige gemeente Margraten, voor zijn bijzonder bereidwillige hulp bij het onderzoek in de gemeentelijke archieven. De dank gaat ook uit naar mevrouw José Lips-Besselink voor haar informatie over Harry Lips.
Gebouwen en monumenten


Herbouw in 1825 gefinancierd uit opbrengsten slavenarbeid
Eigenaren en bewoners van Blankenberg
door Fons Meijers

Het oorspronkelijke kasteel Blankenberg stamt uit de Middeleeuwen. Van de bewoners tot het jaar 1627 is niet veel meer bekend dan hun namen. Meer is te vertellen over de families die vanaf 1627 het kasteel in bezit hadden en/of er in gewoond hebben. Daartoe behoort baron Pichot de Plessis die het kasteel in 1825 heeft laten herbouwen.
Tot 1904 is het kasteel in particulier bezit geweest, daarna kreeg het geheel andere bestemmingen; respectievelijk klooster, verpleeg- en herstelkliniek en seminarie. Over wat we weten van de particuliere eigenaren en bewoners tot 1904 van het oorspronkelijke en van het herbouwde kasteel gaat dit artikel.

Bouwheer oorspronkelijk kasteel
Kasteel Blankenberg is van oorsprong een Middeleeuws kasteel.
Naar de ontstaansgeschiedenis van dit kasteel kan alleen worden gegist. Er wordt voor het eerst gewag van gemaakt in een leenregister van het land van Valkenburg uit 1381 (In een leenregister liet de leenheer de akten van belening vastleggen om een overzicht te houden van zijn leenmannen en leengoederen). Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat een Heer van het Land van Valkenburg het heeft laten bouwen en in die zin als de bouwheer van het oorspronkelijke kasteel zou kunnen worden beschouwd. En omdat de Heren van Valkenburg met name in de dertiende eeuw van zich hebben doen spreken en een groot deel van het huidige Zuid-Limburg zijn gaan beheersen, zou het kunnen dat een Heer van Valkenburg het kasteel Blankenberg ook in deze dertiende eeuw heeft gebouwd. De eerste leenheren van Blankenberg zouden dan ook Heren van Valkenburg kunnen zijn geweest.

Oudst bekende bewoners
Het leenregister uit 1381 is het oudste leenregister van het land van Valkenburg. In dat jaar bewoonde Arnold van Elen als leenman het kasteel. Hij had dit leengoed moeten verheffen voor het Leenhof Valkenburg (gerechtshof voor leenzaken). Dat wil zeggen dat hij dit leengoed moest aanvaarden door een bepaald bedrag aan de leenheer te betalen en daarmee de leenheer te erkennen. De leenheer aan wie Arnold van Elen in 1381 voor het kasteel moest betalen moet de hertog van Brabant zijn geweest omdat deze hertog ook in 1381 was erkend als graaf van Valkenburg.
Arnold van Elen verkocht het kasteel vóór 1397 aan de broers Van Bongard en in 1448 kocht Daniel van Herten het. Een kleine eeuw later (1537) kwam het in handen van Herman de Horion en zoon Herman II de Horion (1545-1555). Toen deze laatste kinderloos stierf, kwam het kasteel in bezit van een achterkleinzoon van de zus van zijn vader; Willem Cortenbach. Deze bleef er lange tijd wonen, waarna hij in 1627 het kasteel verkocht aan een goede relatie: Wolter van Hoensbroeck.

Van Hoensbroeck-Geul
In 1627 komt kasteel Blankenberg in bezit van Wolter van Hoensbroeck, nazaat van het geslacht van de ridders Hoen. Een van de eerste ridders uit dit geslacht was Herman Hoen die vanaf 1388 de eerste Heer van Hoensbroeck was.

2013blz63

Wolter Hoen is, nadat hij uit een schenking van zijn neef ook de Heerlijkheid Geulle had verkregen, zich Van Hoensbroeck-Geul gaan noemen. Zijn zoon Conraad Ulrich die het kasteel Blankenberg had geërfd, ging vanaf 1631 in Geulle wonen in het kasteel dat hij samen met zijn vrouw had laten bouwen.
In 1644 kocht Conraad Ulrich, die intussen de titel van baron had verkregen, ook de rechten van Cadier. Hij was daarmee de eerste Heer van Cadier die kasteel Blankenberg in bezit had.
In 1652 volgde Wolter Frans van Hoensbroeck-Geul zijn vader op als Heer van Cadier en kreeg hij ook het bezit van Blankenberg. Deze Wolter Frans was kolonel en voor de Spanjaarden een belangrijk man, wat blijkt uit het feit dat hij in 1660 door de Spaanse koning Philips IV in de gravenstand werd verheven. Behalve graaf van Hoensbroeck-Geul en Heer van Cadier was hij ook nog Heer van Bunde, Ulestraten, Groten Brogel en Ernicom. Hij overleed op 9 september 1674 in Geulle.

2013blz64
Kasteel Geulle

De tak Van Hoensbroeck-Geul was één van takken van de in het gebied van het tegenwoordige Limburg wijdverbreide familie Van Hoensbroeck. Deze tak stierf uit in de 18e eeuw met het overlijden in 1762 van graaf Herman Otto van Hoensbroeck-Geul.

Staatsgezinde de Jacobi
Als gevolg van het Partagetraktaat van 1661 kregen de Staten-Generaal zowel het kasteel en de stad Valkenburg als de Heerlijkheid Cadier toegewezen. Ook de buitenlenen van het Land van Valkenburg, waaronder Blankenberg, kwamen in Staats bezit. Het gevolg hiervan was ook dat op 23 december1680 de Staatsgezinde protestantse Johan Joachim de Jacobi in het bezit kwam van kasteel Blankenberg. Deze was Regent en Ontvanger der Landen van Daelhem en ’s Hertogenrade. Hij was de zoon van Johan de Jacobi, ontvanger van de stad Wertheim in Frankenland.
De nazaten van Johan Joachim bleven ruim een eeuw in het bezit van kasteel Blankenberg. De laatste de Jacobi die Blankenberg bezat, was Willem Frederik, advocaat, paymeester en (vice)Hoogschout in Maastricht. Deze overleed op 53-jarige leeftijd en ongehuwd op 7 oktober 1781 te Maastricht.

Oranjegezinde Jacob Hacksteen
In 1782 werden door de erfgenamen van Willem Frederik de Jacobi de Heerlijkheid en goederen van Cadier en Blankenberg ‘bij de brandende kaars’ in openbare veiling verkocht. Aangezien hij het laatste bod deed voordat de kaars uitging, kwam Mr. Jacob Hacksteen, bijzonder gefortuneerd en zeer oranjegezind, daardoor in het bezit van het kasteel Blankenberg en de rechten van Cadier voor de som van 72.550 gulden (Brabants). Deze werd ook wel aangeduid als mr. Jacob Hacksteen van Heimerstein omdat hij eerder het onder de stad Rhenen gelegen goed Heimerstein had gekocht. In Rhenen was hij schepen en werd in 1790 burgemeester van Alkmaar. Nadat hij van zijn eerste vrouw was gescheiden heeft hij de in Gulpen geboren en in Maastricht woonachtige gereformeerde Eva Helena Jacoba de Swart als levensgezellin gekozen. In zijn testament van 10 oktober 1807 heeft hij vrijwel al zijn bezittingen aan haar vermaakt. Zij is op kasteel Blankenberg blijven wonen tot de schuldenlast die zij had opgebouwd te groot was geworden en zij gedwongen werd kasteel Blankenberg op 2 februari 1824 te verkopen.

2013blz66
Jacob Hacksteen was eigenaar van Blankenberg van 1782 tot 1808.
Dit geschilderd portret hangt in het gemeentelijk museum te Alkmaar, waar hij burgemeester was

Pichot de Plessis: hugenotenfamilie
In 1824 kocht Salomon Reinier Marius Pichot du Plessis het kasteel voor 55.518 gulden. Salomon is geboren op 16 augustus 1789 te Bunde. Hij was het petekind van Maria Susanna du Plessis, van wie hij, na haar dood in 1795, een goed lopende koffieplantage van meer dan 1000 akkers en andere bezittingen in Suriname had geërfd. Deze Maria Susanna werd op haar 23ste planter toen haar eerste man overleed. Zij had in Suriname een slechte naam omdat ze haar plantage met straffe hand beheerde en de slaven die op haar plantage werkten wreed zou behandelen. Haar vader, Salomon du Plessis (1705-1785), was afkomstig uit een hugenotenfamilie in Bergen op Zoom en was in 1734 in Suriname gearriveerd als advocaat in dienst van de West-Indische Compagnie, maar werd plantagehouder. Haar in Suriname geboren moeder was een rijke vrouw, die van haar eerste echtgenoot, Daniël Pichot, enkele plantages had geërfd.

Salomon Reinier Marius die tot midden 1831 ook burgemeester van Cadier en Keer was, liet kasteel Blankenberg in 1825 ingrijpend ver- en herbouwen. De hoofdvleugel werd in zijn geheel verbouwd. Op de hoekpaviljoens kwamen sierlijke torenspitsen en de gevel werd bekroond met een fronton met daarop het familiewapen. De westelijke en oostelijke vleugel van het kasteel werden herbouwd. De noordelijke vleugel werd afgebroken en op die plaats is een grote pachthoeve gebouwd met drie vleugels.
Op een in 1827 vervaardigde kadastrale minuutkaart is ook te zien dat het kasteel op de plek van het vroegere kasteel grotendeels herbouwd is.
Het is niet bekend hoeveel de her- en verbouw van het kasteel heeft gekost, maar duidelijk is wel dat het geld dat Pichot du Plessis eraan heeft besteed, afkomstig moet zijn uit opbrengsten van de slavenarbeid. Hij heeft vijftien jaar van zijn kasteel kunnen genieten want hij overleed op 31 december 1840, op 51-jarige leeftijd. Hij werd in Cadier onder een zware zerk, voorzien van zijn wapen, begraven en liet een vrouw en acht kinderen na. Na zijn dood verkochten zijn kinderen het kasteel aan de Luikse advocaat Nicolas Louis Eugène baron de Chestret de Haneffe (1803-1856).

Chestret de Haneffe: Luiks geslacht
Tussen 1856 en 1863 is het kasteel opnieuw gemoderniseerd door Jean-Remy-Marie-Jules de Chestret de Haneffe, de zoon van Nicolas Louis Eugene. Deze Jules de Chestret de Haneffe werd geboren in 1833 te Luik en trouwde in 1857 met de eveneens Luikse Mathilde-Marie-Antoinette de Warzee d’Hermalle. Uit dit huwelijk werden tussen 1858 en 1863 vier kinderen geboren. De laatste, een dochter, kwam als zuigeling van nog geen zes weken oud op 6 juni 1863 te overlijden. Ook moeder Mathilde overleefde deze bevalling niet; zij overleed op 11 mei 1863, vier weken voordat haar baby stierf. Mathilde werd slechts 28 jaar.

2013blz68

Deze foto van de oudste tekening van het herbouwde kasteel Blankenberg dateert uit ca. 1850 en is getekend door Philippus van Gulpen

Jules de Chestret de Haneffe was archeoloog en historicus en heeft veel gepubliceerd over ‘penningkunde’. Hij was tussen 1879 en 1885 burgemeester van Donceel in de provincie Luik; een gemeente waartoe ook Haneffe behoort. Hij was lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België en kreeg in 1884 de titel van baron.

In 1863, het jaar waarin zijn vrouw en dochtertje zijn overleden, heeft baron Jules de Chestret een kelder voor een familiegraf laten inrichten op het kerkhof van Cadier en Keer. De stoffelijke resten van de familieleden die het langst in deze grafkelder lagen, zijn in 1909 door de erfgenamen van Jules de Chestret overgebracht naar het ‘nieuwe’ familiegraf in Donceel; de plaats van herkomst van de familie. De kelder is later gesloten en het ijzeren hekwerk dat rond de kelder stond is afgebroken. De grafkelder lag op de plaats waar nu het Heilig Hartbeeld staat.

Bij de modernisering van het kasteel door Jules de Chestret zijn de spitsen op de torens vervangen door mansardedaken. In het boogveld van de voorgevel zijn de initialen C.W. aangebracht. Die verwijzen naar het echtpaar Jules de Chestret de Haneffe en Mathilde de Warzee de Hermalle. In het fronton van de voorgevel is het familiewapen van De Chestret de Haneffe aangebracht. Bovendien zijn in het toegangshek de letters J.C. verwerkt, die verwijzen naar Jules Chestret. Jules bleef tot 1904 in het bezit van het kasteel Blankenberg. In 1909 overleed hij.

Ten slotte
Kasteel Blankenberg en vooral het hoofdgebouw met zijn fraaie zuidgevel, is van hoge historische waarde. Dat is vooral aan baron Pichot de Plessis te danken die het kasteel in 1825 heeft herbouwd. Historisch van belang is ook dat er in het nieuwe gebouw nog op een paar plaatsen delen van het oorspronkelijke kasteel zijn te zien.
Ook de grotendeels door Pichot de Plessis aangelegde tuin bepaalt mede de waarde van kasteel Blankenberg.
Het zijn allemaal redenen waarom het kasteel is aangewezen als rijksmonument.

 Geraadpleegde literatuur
- Belonje dr.J: Enige bezitters van groot Blankenberg; Huldeblijk: Opstellen aangeboden aan de genealoog Jan J.M.H. Verzijl, 1967
- Dukers drs. B.A.J.T: Bouwhistorische Verkenning kasteel Blankenberg/ Cadier en Keer, 2006
- Ariana zr. P.I.J. en Ramakers Marlie; Van kasteel Blankenberg tot Huize Blankenberg
- Becker Wiel en Haesen Lei; Het domein Groot-Blankenberg (1); Keerder Kroniek, Jaargang 2 1998-1999 nr.4
- Heemkundevereniging Geulle; Genealogie: Kwartierstaat Van Hoensbroeck-Geul
- Historici.nl; Plessis, Maria Susanna du (1739-1795)

Gebouwen en monumenten


Frederixkruis staat weer overeind
Eeuwenoude grafstenen opgeknapt
door Jo Purnot

De laatste tijd wordt vanuit de overheid de zorg voor het cultureel erfgoed flink gestimuleerd. Een gunstige ontwikkeling. Onder cultureel erfgoed verstaan we zaken van waarde die onze voorouders ons hebben nagelaten. Dat kunnen oude gebouwen en voorwerpen zijn, maar ook het dialect, liedjes en oude gebruiken. De hardstenen kruisen op het grasveld voor de kerk rekenen we ook tot ons cultureel erfgoed.

Afgebroken eeuwenoud grafkruis
Een jaar of twee geleden was op het grasveld naast de kerk een hardstenen grafkruis afgebroken. De oorzaak: vandalisme? spelende kinderen?
De letterlijke tekst op de steen luidt: hier licht begraven de eersamen Willem Frederix – in sijn leven halfijn op de Sangerye – starf den 18 augustus 1676 ende Agnees Smets syn huisvrou – starf den 12 january 1691. Bydt God voor hare siele.

2011blz83

Het afgebroken Frederixkruis


Het feit dat het afgebroken kruis bijna twee jaar gewoon is blijven liggen, met alle risico’s van diefstal en verder vandalisme, scheen buiten een aantal leden van de Historische Kring niemand te deren.

Nu, een paar jaar verder, hebben de eeuwenoude hardstenen kruisen een opknapbeurt gekregen. De monumentjes zien er weer ooglijk uit. We hadden gehoopt dat de teksten na de restauratie weer redelijk leesbaar zouden zijn, maar die hoop bleek bij een aantal kruisen ijdel. Wel staat het Frederix-kruis weer overeind.

Cultuurbarbarisme
Zoals hiervoor al is vermeld, horen de hardstenen kruisen samen met de 13de eeuwse kerktoren tot ons cultureel en religieus erfgoed, dus hebben we de plicht daar zuinig op te zijn. Dat is wel eens anders geweest. In de jaren zestig van de vorige eeuw schreef een vermaard heemkundige over de “cultuurbarbaren” die in Cadier en Keer hadden huisgehouden. Dat gebeurde in 1957 bij de afbraak van de kerk. Nadat het stof van de afbraak was neergedwarreld, bleken er nog maar zestien kruisen en zerken over te zijn. Bijna twintig eeuwenoude grafkruisen en zerken waren verdwenen. Waarschijnlijk afgevoerd naar de toenmalige stortplaats (nu picknickplaats) op Hoereberg. Zo weten we dat vóór de afbraak naast de toren de zerk van pastoor Jean Jaspars stond; sindsdien is de zerk verdwenen. Op de zerk was boven de tekst als priesterteken in een ovaal een miskelk afgebeeld. En verder luidde de tekst:

Hier ligt begraven / den zeer eerwaerden heer /
Iohannes Iaspares / Pastoor en Priester / Al hier jj Iaren /
Geboren tot Nederheym / oud zijnde 49 Iaren /
Sterf den 26 7ber 1809 / R.I.P.

Maar het was niet alleen het parochiebestuur, ook de gemeente nam het niet zo nauw. Dat bleek uit het feit dat leden van de Historische Kring een jaar of vijftien geleden tot hun verbazing twee eeuwenoude grafstenen als piketpalen aantroffen op de zuidoost hoek Rijksweg-Kerkstraat. Het ging hier om 16de eeuwse hardstenen kruisen zonder tekst. Ze stonden ondersteboven in de grond, zodat ze in eerste instantie niet als grafstenen te herkennen waren. Overigens, één kruis is teruggeplaatst tegen de kerkmuur en staat er nog. Het andere doet dienst als ongevalskruis in de Mgr. Willigersstraat in Gronsveld.

2011blz85

Het Frederixkruis is na de opknapbeurt in 2011 weer teruggeplaatst

 

Ten slotte
Sinds de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw is er gelukkig veel ten goede veranderd (we gaan ervan uit dat de gang van zaken rond het Frederixkruis een incident was). Elk jaar organiseert een aantal vrijwilligers het Keerderfestival (in 2012 op 3 juni). Die organisatie kost veel tijd en energie. De baten zijn bestemd voor onderhoud aan ons cultureel/religieus erfgoed. Dankzij het festival zijn in de afgelopen jaren al heel wat kerkschatten gerestaureerd.

Momenteel wordt gewerkt aan een uitgebreid artikel over de oude begraafplaats. Naar verwachting wordt dit in de volgende Keerder Kroniek opgenomen.

Gebruikers
5
Artikelen
2075
Artikelen bekeken hits
9486824

Today 27

Yesterday 39

Week 281

Month 859

All 182405

Currently are 25 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME