De Zonnekinderen (1940)

jrg7blz162

Een ”afdeling” van de KJV (Katholieke Jonge Vrouwen) was de zonnekinderen, bestemd voor meisjes van de lagere school die nog te jong waren om lid van de KVJ te worden.

jrg7blz163

1

Gerda Pluijmakers

17

Tiny Helwig (’t Rooth)

33

Bertha Brouwers

2

?

18

Liese Beuken (’t Rooth)

34

Zuster Franciscus

3

Jeanne Gorissen

19

Anneke Heusschen (?)

35

Marie Pluijmakers

4

Marie Bessems

20

Corrie Hornesch

36

Mia Goessens

5

Lucie Bessems

21

Mia Simons

37

Anneke Schreurs

6

Net Lemmens

22

Mia Mingels

38

Jeanne Beijers

7

Agnes Geelen

23

Bertien Smeets

39

Jèske Jacobs

8

Jeanne Bessems

24

Jeanne Spronck

40

Net Bessems

9

Anneke Jacobs

25

Iet Goessens

41

Jeanne Ackermans

10

Lien Claassens

26

Lène Heusschen

42

Trees Bastin

11

Mai Haesen

27

Trui Ackermans

43

Angeline Goessens

12

Annie Geelen

28

Liza Keulen

44

Gerardine Brouwers

13

Mia Essers

29

Lène Hornesch

45

Rita Schoenmakers

14

Marie Simon

30

Liza Daemen

46

Lène Haesen

15

Lène Oostenbach

31

Jeanne Paulussen

47

Gerda Bastin

16

Bertha Beuken (’t Rooth)

32

Marie Heuts

   

 

Oorspronkelijk sanatorium voor drankzuchtigen
Huize St. Gerlach
Door Charles Rouschop

 

In 1970 bij de annexatie van Heer door Maastricht, werd een klein gedeelte van de gemeente Heer, waaronder Huize St. Joseph en Huize St. Gelach, aan Cadier en Keer toegevoegd. Reden voor de Historische Kring aan beide aandacht te besteden. Eerst komt Huize St. Gerlach aan bod.

jrg4blz128
Voorzijde van Huize St. Gerlach

In 1906 vroegen invloedrijke katholieken om een huis te bouwen voor alcoholisten. Zij waren bereid voor de nodige fondsen te zorgen. Bij het zilveren preisterfeest van monseigneur Ariëns in 1906 werd daarvoor een stichting in het leven geroepen: het Dr. Ariënsfonds. Eerst in 1912 werd een adviescommissie opgericht om de plannen tot uitvoer te brengen. Pater Kusters s.c.j., lid van de congregatie van het H.Hart en bouwheer en rector van Huize St. Joseph, kwam dit ter ore. Hij deelde de voorzitter van de adviescommissie mee, dat zijn congregatie de leiding op zich wilde nemen. Hij bood een terrein aan naast het nog in aanbouw zijnde Huize St. Joseph. Zijn aanbod werd gehonoreerd.
De bekende Amsterdamse architect Jan Stuyt maakte de plannen en in de zomer van 2013 werd een begin gemaakt met de funderingen. Toen een jaar later de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kreeg het nog niet geheel voltooide huis zijn eerste bewoners: 400 Belgische vluchtelingen. Zij verbleven er tot 1915. Een deel van de vluchtelingen verhuisde toen naar Blankenberg.
In 1916 werd Huize St. Gerlach door het Dr. Ariënsfonds in gebruik genomen. Het huis dankt zijn naam aan de H. Gerlachus uit Houthem, de patroon van pater Kusters. Twee paters en twee broeders van het voogdijgesticht kregen de zorg over de patiënten. Dr. Indemans was als geneesheer aan het huis verbonden. Er kwamen echter zo weinig patiënten dat het prompt een mislukking werd. In 1919 volgde de opheffing.

Het Groot-Seminarie van de Nederlandse Provincie van de Priesters van het Heilig Hart nam het gebouw over. Een deel van de filosofie-opleiding van het Groot-Seminarie van de genoemde Provincie kreeg er onderdak (1919-1922). Het huis bleef daarna tot midden 1927 leeg liggen.
In dat jaar kreeg het gebouw zijn definitieve bestemming: noviciaat voor de broeders (proefperiode voor kloosterlingen alvorens zij de geloften afleggen) en broederjuvenaat (gesloten onderwijsvorm om aspirant-kloosterlingen) op te leiden. De meeste aspirant-broeders volgden les op de ambachtsschool bij Huize St. Joseph.
In juni 1942 moesten de bewoners op last van de bezetter het huis verlaten. Na de oorlog kreeg het weer zijn oude bestemming. Het noviciaat werd enkele jaren later naar Helmond overgeplaatst.
In de volgende jaren groeide het aantal juvenisten erg snel. In 1957 waren er 61 aspirant-broeders. Men moest overgaan tot uitbreiding. Er was vooral behoefte aan goede gemeenschappelijke ruimtes: een kapel, een recreatiezaal en een eetzaal. Op 13 april 1963 ging de eerste spade in de grond voor het nieuwe gebouw dat achter het oude zou komen te liggen.
Het juvenaat zou nog blijven functioneren tot 1971. Het moest toen worden gesloten bij gebrek aan kandidaten.
In 1975 werd de Missieprocuur vanuit Rotterdam hier naar toe gebracht en in 1983 werd de communiteit uitgebreid met de communiteit van Huize St. Joseph. Tien jaar later verhuisde de Missieprocuur naar Breda.

jrg4blz130
Achterzijde van Huize St. Gerlach met de in 1963 gerealiseerde uitbreiding.

Momenteel wordt het huis gebruikt voor de vergaderingen van de Provincieraad, voor het internationaal overleg van de Provinciale Besturen van Noord-Europa, de Commissie Justitia en Pax, de dekenaten van Maastricht en omgeving, voor bezinningsdagen en voor de missionarissendagen. Bij het laatste krijgt de familie van de missionarissen informatie over het werk van hun broer, oom of neef in de missie. Ook is Huize St. Gerlach een thuisbasis voor missionarissen op vakantie en heeft Unicef er een depot gevestigd.
In Huize St. Gerlach vindt men tevens de jaarlijkse herdenking van de gefusilleerde Belgische verzetsstrijders plaats met een plechtige eucharistieviering in de kapel, een korte plechtigheid bij het monument en een koffietafel in de aula als slot.

Bronnen:
Brochure van Huize St. Gerlach
J. van der Venne: Geschiedenis van Heer, Maastricht 1957

Het geloofsleven

Ongeneeslijk zieken mochten geen lid worden
De broederschappen in onze parochie
door Jo Purnot

Inleiding
Tot een jaar of vijftig geleden speelden godsdienstige verenigingen een belangrijke rol in het geloofsleven van alle dag. Organisaties als Congregatie, Heilige Familie, Heilige Kindsheid en de Voorplanting des Geloofs klinken katholiek opgevoede ouderen nog bekend in de oren. Er was voor elke leeftijd en geslacht wel iets te vinden. Ook broederschappen speelden in de 19de en begin 20ste eeuw in onze parochie een rol van betekenis. In dit artikel zullen we een aantal broederschappen bespreken.

De Parochie
Vanaf 1266 (over twee jaar is dit 750 jaar geleden) vormde Cadier samen met Honthem één parochie, de parochie van de Heilige Kruisverheffing. Keer daarentegen vormde samen met Heer en Scharn de parochie Heer. Dat betekende dat Keerdenaren zich in Heer moesten laten dopen, trouwen en begraven (HeerderLijkweg). In 1803 werd Keer bij de parochie van Cadier en Honthem gevoegd. Later, in 1946 volgde ’t Rooth. Dit gebeurde op dringend verzoek van de Roothenaren die tot dan bij de parochie Margraten hadden behoord.
Verder maakte onze parochie tot 1840 deel uit van het bisdom Luik en van het aartsbisdom Keulen.
Onze parochie was wellicht een van de armste uit de omgeving. Niet vreemd als we weten dat de kerk vaker - op last van de protestantse autoriteiten die het in Cadier voor het zeggen hadden - werd gesloten en de kerkelijke goederen werden geconfisqueerd. Uit visitatierapporten (controles van de bisschop) weten we dat het kerkgebouw er in de 17de en 18de eeuw erbarmelijk slecht aan toe was.
Eindelijk werd de kerk in 1835 flink verbouwd en uitgebreid tot 184 zitplaatsen. Dat gebeurde op kosten van de Belgische staat, want ons dorp hoorde toen (1830 -1839) bij België.
In 1957 werd die oude kerk afgebroken en een nieuwe gebouwd. Tot zover de historie van de parochie.

2014blz107

Tekening van de oude kerk. Tekenaar niet bekend

Wat is een broederschap?
Een broederschap is een kerkelijk goedgekeurde vereniging die werken van godsvrucht verricht. De bisschop moet toestemming geven om een broederschap te mogen oprichten. Voor een aartsbroederschap is zelfs permissie van de Paus nodig. Naast zijn functie binnen het geloofsleven vervulde een broederschap ook een maatschappelijke rol binnen de dorpsgemeenschap. Het kwam de cohesie ten goede, maar zorgde ook voor nog meer sociale controle in deze kleine dorpsgemeenschap.

Een broederschap bestond uit: broedermeesters en gewone leden. Iedereen kon lid worden, ook mensen van buiten de parochie. Een uitzondering werd gemaakt voor ongeneeslijk zieken. Wellicht om te voorkomen dat mensen die de dood in de ogen keken nog gauw via het lidmaatschap van een broederschap een plaatsje in de hemel wilden bemachtigen. Daar trapte de parochiegeestelijkheid niet in. Enige hardvochtigheid kon de Kerk in het verleden niet ontzegd worden.

Welke broederschappen waren er in onze parochie?

In het parochie-archief komen we de volgende broederschappen tegen:
- de broederschap van de Heilige Rozenkrans
- de broederschap van het Allerheiligste (altijd-durige-aanbidding)
- de aartsbroederschap van de Heilige Familie
- de broederschap van het Hart van Jezus
- de broederschap van Sint-Blasius

De broederschap van de Heilige Rozenkrans
Oprichting
Deze broederschap werd op 7 oktober 1804 in onze parochie opgericht door pastoor Jean Jaspars. De oorsprong van de broederschap lag in 1571 bij de zeeslag van Lepanto (huidige Griekse plaats Náfpaktos). De katholieke vloot won toen van de Turkse vloot. De overwinning van het kruisbeeld tegen het kromzwaard, zoals men het later noemde, was volgens tijdgenoten te danken aan het bidden van het rozenkransgebed.

Organisatie en rechten en plichten
De broederschap van de Heilige Rozenkrans telde in onze parochie zes broedermeesters. In 1852 waren dat: J.W. Schreurs, P. Schreurs, J.A. Henzen, J.H. Brouwers, Egidius Braeken en L. van der Linden. Deze broedermeesters namen op de eerste zondag van de maand en op feestdagen van Onze-Lieve-Vrouw met brandende flambouwen plaats op het priesterkoor. Als ze verstek lieten gaan, moesten zij een geldelijke boete betalen.

2014blz109

De rozenkrans bestaat uit 5 grote en 50 kleine kralen en wordt gebruikt voor het rozenkransgebed. Dit gebed bestaat uit het bidden van het Onzevader (15 maal) en het Weesgegroet (150 maal) door de rozenkrans driemaal te doorlopen. Vaak doorloopt men de rozenkrans slechts eenmaal en bidt men in totaal 5 Onzevaders en 50 Weesgegroetje. Dit heet dan een rozenhoedje, maar wordt vaak gewoon 'rozenkrans' genoemd.

Als een lid van de broederschap van de Heilige Rozenkrans overleden was, moesten de broedermeesters met brandende toorts de overledene aan het sterfhuis afhalen en tijdens de uitvaart aanwezig zijn. Op kosten van de broederschap werd een Hoogmis opgedragen ter lafenis van de ziele. Bij overlijden van de pastoor, een broedermeester, de penningmeester of de secretaris zelfs twee Hoogmissen. Verschil moest er zijn.

Verder werd er één keer per maand een hoogmis opgedragen voor alle afgestorven leden. In de kerk stonden tabletten met de namen van de broederschapsleden.
De notulen van 1852 vermeldden dat de contributie van 50 cent per jaar werd teruggebracht naar 47 cent. Een paar jaar later zelfs naar 36 cent. De contributie werd op het eind van het jaar geïnd in een café. Van deze broederschap waren ook vrouwen lid.

2014blz110a

De vlag van de broederschap van de Heilige Rozenkrans toont aan de voorzijde: Maria met kind die aan Sint-Dominicus een rozenkrans uitreikt.
Op de achterzijde is een rozentak afgebeeld

 

 

De broederschap van het Allerheiligste
Oprichting
De broederschap van het Allerheiligste werd in 1804 ook door pastoor Jean Jaspars opgericht.
Organisatie en rechten en plichten
De broederschap telde zes broedermeesters: J. Schreurs, M. Schreurs, Gilis Braeken, P. Schreurs en L. Pirnaij. Zij moesten op de derde zondag van elke maand met brandende toortsen de kruisweg begeleiden. Voor de broedermeesters was in de kerk een speciale bank gereserveerd.

2014blz110

Eind 1800 schafte de broederschap een (nieuwe) vlag aan van witte zijde met om de afgebeelde kelk met hostie duivenranken en korenaren.
Bij gelegenheid van de sluiting van het eerste Nederlands Eucharistisch Congres in 1904 te Hasselt namen zeventig leden met hun vlag daar deel aan een grote optocht

 

Op 14 september, de feestdag van de Heilige Kruisverheffing, het patronaatsfeest van de parochie, stond het Allerheiligste 24 uur in de kerk uitgestald, van 6.00 uur ’s morgens tot de volgende dag 6.00 uur. In die tijdspanne moesten steeds minstens vijftien personen in de kerk zijn om het Allerheiligste te aanbidden. Hiervoor werd een lijst opgesteld met de namen van de parochianen en de vermelding van het tijdstip dat ze in de kerk verwacht werden. Tot 1913 was het oude kerkje in de avond- en nachtelijk uren schamel verlicht met wat kaarsen en enkele petroleumlampen. Sommige parochianen zullen die ambiance als spookachtig en andere als feeëriek ervaren hebben.

De aartsbroederschap van de H.Familie voor mannen
Oprichting
De broederschap van de Heilige Familie werd 1844 in Luik gesticht met medewerking van de paters Redemptoristen. Een paar jaar later werd de broederschap bij pauselijk decreet van Pius IX verheven tot aartsbroederschap.
Het doel was ontkerstening van de huisgezinnen tegen te gaan.
In onze parochie werd op 6 januari 1898 door kapelaan Johannes Voncken de broederschap voor mannen opgericht. Bijna elk huisgezin was vertegenwoordigd.

De broederschap was verdeeld in vier secties:

  1. Väörsjtraot: patroonheilige Sint-Blasius
    feestdag: 3 februari
  2. Echtersjtraot: patroonheilige Sint-Gerardus
    feestdag: 16 oktober
  3. Steenenweg: patroonheilige Sint-Antonius van Padua
    feestdag: 13 juni
  4. Honthem: patroonheilige Sint-Lambertus
    feestdag: 17 september

    Tijdens hun maandelijkse bijeenkomsten in de kerk hadden de leden van de Heilige Familie ieder een eigen plaats, zodat men in een oogopslag kon zien wie afwezig was. Van de broederschap van de H.Familie waren ook inwoners van ’t Rooth en Klein-Welsden lid.

Vlag
Kort na de oprichting van de aartsbroederschap van de Heilige Familie werd voor 225,35 gulden een vaandel aangeschaft. In 1905 maakten 68 leden met hun vlag een bedevaart per trein naar Scherpenheuvel en naar Averbode.

2014blz113

Fragment van een gedachtenisprentje.
Op het prentje werd vaak vermeld dat de overledene lid was van de Heilige Familie of een andere broederschap

Vereniging van Eer en Deugd
Tijdens een volksmissie  in mei 1914 werd, ter bestrijding van het zedenbederf, een Vereniging voor Eer en Deugd opgericht die verbonden was aan de aartsbroederschap van de Heilige familie. Daarbij deden 43 leden hun eerste toewijding. In de winter was er zelfs een bibliotheek voor de leden. Voor 2 cent kon men een boek twee weken lenen.

De broederschap van de Heilige Familie voor vrouwen
Tijdens een volksmissie (zie verderop) in januari 1906 werd een aartsbroederschap voor gehuwde vrouwen en weduwen opgericht. De patronessen van de drie afdelingen waren: de Heilige Monica, de Heilige Anna en de Heilige Elisabeth van Hongarije. Iedere vierde zondag van de maand na het middaglof was er een bijeenkomst. Ongetwijfeld was het merendeel van de vrouwen die daarvoor in aanmerking kwamen lid.

2014blz114

In 1889 richtte pastoor Waelbers al een congregatie voor joonkfersj (ongehuwde vrouwen) op.
De patroonheilige was de Heilige Agnes wier eeuwenoude beeltenis nu nog links op het priesterkoor staat

Volksmissies
Verschillende broederschappen werden opgericht na een Volksmissie. Die missies, meestal om de zeven jaar, waren een belangrijk onderdeel van het geloofsleven. Het waren meerdaagse oefeningen die uit godsdienstige plechtigheden, preken, en vooral uit boetedoening bestonden. Meestal verzorgden paters Redemptoristen hier de volksmissies, die als een ‘grote geestelijke schoonmaak’ beschouwd werden. Het waren dagen van gebed, boete en inkeer. Meestal waren het twee paters die retorisch zeer geschoold waren en die precies wisten hoe ze op het sentiment van de gelovigen moesten inspelen.

Een pater preekte over de hel, de duivel en de verdoemenis en probeerde zo de aanwezigen van hun zondigheid te overtuigen. Wat vaak aardig lukte. Daar tegenover stond de andere pater die preekte over barmhartigheid en een mooie Mariapreek voor zijn rekening nam. Op het eind van de Missie werd toegewerkt naar een grote biechtsessie. De kerk puilde dan uit; de biechtvaders maakten overuren. Secuur werd bijgehouden wie wel en wie niet de Missie bijwoonde. Afwezigen konden rekenen op een huisbezoek. Ook waren er aparte bijeenkomsten voor mannen en voor gehuwde vrouwen. Deze laatsten werden dan nog eens ‘fijntjes’ op hun huwelijksplicht gewezen. Volgens een zegsvrouw was dat vaak negen à tien maanden later te merken.

 

2014blz115a

Aan het eind van de missie werd het missiekruis in processie rondgedragen en werden prentjes uitgedeeld

Nog twee broederschappen

De broederschap van het Heilig Hart van Jezus
Dit broederschap werd opgericht op 29 juni 1903. Ook de vlag van deze broederschap is tijdens de jaarlijkse Bronkprocessie te bewonderen. De tekst op het vaandel luidt: Zoet Hart van Jezus, maak mijn hart gelijk aan de Uwe.

De broederschap van Sint-Blasius
Deze broederschap is opgericht in 1904 en in 1998 heropgericht. Het is de enige nog functionerende broederschap.

 2014blz115

Bronk 1999.
Vanaf links: Pierre Lemmens, Wino Mingels, Jacques Aussems, Sjef Vliegen, Sjeng Daemen, Lucien Vaessens, Sjef Beckers, Lowie Wijnen, Pierre Oostenbach, Boy Florack, Sjef Gilissen, Richard Speetjens, Hans Aussems, Jo Mingels, Frans Mingels, Jean Beijers.
Het Sint-Blasiusbeeld is afkomstig uit de Sint-Blasiuskapel aan de Rijksweg bij Blankenberg

De broederschap luistert nu nog de Bronkprocessie op en is aanwezig wanneer kinderen hun Eerste Heilige Communie ontvangen. Bovendien bij hoge feestdagen zoals Pinksteren en Pasen, bij het feest van de Heilige Kruisverheffing en natuurlijk bij het feest van hun eigen patroonheilige op 3 februari.

Ten slotte
Tijdens het Keerder Festival van 2006 organiseerde de Historische Kring een Open Dag in de kerk, waar alle kerkschatten te bezichtigen waren. Bij de voorbereiding ontdekten we in de kelder twee flink gehavende grote beelden van Sint-Gerardus en Sint-Antonius van Padua. Niemand wist nog waar de beelden vandaan kwamen. Maar dat is nu inmiddels duidelijk; het waren de patroonheiligen van twee secties van de aartsbroederschap van de Heilige Familie.

 

2014blz117

Links de Heilige Antonius van Padua en rechts de Heilige Gerardus van Majella

Het beeld van Antonius van Padua werd in 1905 geschonken door Elisabeth Lemmens gehuwd met Peter Heijnen. Het beeld van Gerardus van Majella werd een jaar later geschonken door het echtpaar Willem en Catharina Bessems-Sluijsmans

Bron:
Archief van de parochie van de Heilige Kruisverheffing Cadier en Keer.
Het Memoriaal van de parochie van de Heilige Kruisverheffing Cadier en Keer.

Onderdeel van een uniek “beschermd monument”

Kruiswegstaties gerestaureerd

Door Servé Overhof

In 1998 hebben de veertien in mergel opgetrokken kruiswegstaties in het park bij het Missiehuis een ingrijpende restauratie ondergaan. Zij vormen een onderdeel van een uniek monument en zijn dat ieder afzonderlijk al vanwege hun hoge leeftijd, hun exclusieve vormgeving en religieuze uitbeelding, hun ligging en materiële uitvoering. In juni 1995 werd het rijk geornamenteerde kruiswegpark officieel aangemerkt als een beschermd monument.

jrg1blz149

Een der kruiswegtableaus

Op gezaghebbende voordracht van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en met instemming van de Raad voor het Cultuurbeheer kende staatsecretaris A. Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bij die gelegenheid aan het complex “grote cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling” toe. Hij memoreerde voorts, dat diverse objecten in het park, bovenal de daarin geschilderde kruiswegstaties, “van bijzonder belang zijn voor de geschiedenis van de architectuur vanwege het toegepaste materiaal en de ornamentiek”. Tenslotte prees de bewindsman het algemeen belang van het kruiswegpark “wegens de architectonische gaafheid van de diverse objecten en de hoogwaardige kwaliteit van onder meer de parkaanleg en de kruiswegstaties”. Hij onderkende daarin “een zeldzaamheid, zowel typologisch als functioneel”.

Wanneer een der hoogste landsdienaren zoveel loftuitingen op één rij zet, moet het besproken object wel van bijzondere klasse zijn. Dat is “ons”kruiswegpark dus en daarmee kan de Keerder gemeenschap verguld zijn, de paters van het Missiehuis voorop. Inmiddels ontvangen rijkssubsidie voor herstel van de staties geeft daar nog een extra dimensie aan!

De kruisweg werd op 16 april 1895 ingezegend door deken W. Notermans van Wyck-Maastricht als gedelegeerde van bisschop Boermans. Twee jaar eerder was het Missiehuis in gebruik genomen onder de naam Collège Apostolique de Notre Dame de Lourdes. Het ging onderdak bieden aan studenten en docenten van een in Lyon opgerichte missiecongregatie: de Société des Missions Africaines, kortweg SMA genoemd.

De eerste bewoners van het Missiehuis waren hun moederland Frankrijk ontvlucht vanwege een daar heersende anti-klerikale stemming. Onder hen waren ook Elzasser priesterstudenten die het sinds 1870 al sowieso moeilijk hadden in Frankrijk te studeren omdat zij werden beschouwd als Duitsers.

Lourdesgrot

Bouwheer in Cadier en Keer waspater Gaston Desribes. Het is niet zo verwonderlijk, dat hij het te bouwen opleidingsinstituut onder de schutse plaatste van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Hij stamde uit de Zuidfranse plaats Arreau in het bisdom Tarbes, waartoe ook de bedevaartsplaats Lourdes behoort, en kende vanuit zijn jonge jaren de familie Soubirous waarvan dochter Bernadette in 1858 de Heilige Maagd meerdere malen in verschijning had gezien en gesproken. Nadat hij in Keer de beschikking had gekregen over een bouwterrein op Bakkerbösj bouwde pater Desribes eerst een grot naar het voorbeeld van die in Lourdes. Pas daarna werden de steigers opgetrokken voor het Collège Apostolique.

jrg1blz151

De Lourdesgrot in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw met op het vóórterrein zitbanken voor de te verwchten pelgrims

De Lourdesgrot in Keer ondervond van het begin al grote belangstelling en toeloop. Geestdriftig ijveraar voor de plaatselijke Mariadevotie was pastoor Andreas Waelbers. Hij ook schonk zijn vriend en confrater Desribes een gepolychromeerd bronzen Mariabeeld dat, evenals dat in de parochiekerk van Lourdes, was vervaardigd in atelier Raffl in Parijs. Pastoor Waelbers verbond aan zijn schenking de voorwaarde, dat de parochianen van Keer te allen tijde vrije toegang tot de grot zouden hebben. Mogen wij de Limburger Koerier van 3 mei 1892 geloven, dan is de overbrenging van het beeld vanuit de parochiekerk naar de grot een nimmer geëvenaarde plaatselijke manifestatie geweest. Enkele regels uit het krantenverslag: “ Een grootsche stoet werd geopend door de Mariakinderen van de parochie met het vaandel aan het hoofd, dan volgde een zangerskoor van meer dan 200 personen onmiddellijk voor de praalwagen die getrokken werd door 8 paarden en waarop het heerlijk schoone beeld van O.L. Vrouw van Lourdes aller blikken trok. Tachtig ruiters vormden een eerewacht, terwijl de harmonie van Heer de plechtigheid door haar melodieuze toonen nog verhoogde. Het aantal deelnemers aan de optocht wordt op 15.000 geschat”.


Links van de Lourdesgrot staat een onder het stof geraakte kapel, toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van Smarten. In deze kapel bevinden zich vijftien graven, waaronder die van pastoor Waelbers. Ooit was hier ook de stichter van het huis, pater Desribes, begraven. Jaren geleden is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de grafheuvel onder de Calvarieberg.

Bedevaartsoord
De Lourdesgrot kwam gereed in 1892, het Missiehuis in 1893 (na brand in 1954 herbouwd) en de kruisweg in 1895. De aanleg van de kruisweg past volledig in het stramien van “de heiligdommen”in Lourdes. Ook daar wordt terzijde van de Mariagrot het lijden van Christus uitgebeeld. In Keer dienen hiertoe veertien zeszijdige, van kantelen voorziene kapelletjes van mergelsteen. De afbeeldingen van de kruisweg zijn in hoog reliëf uitgevoerd en waarschijnlijk afkomstig uit het Franse atelier Union artistique de Vaucouleurs. Het eerste kapelletje bevindt zich achter een grote toegangspoort aan de weg Maastricht-Vaals, de laatste twee leiden naar een traditionele uitbeelding van de Calvarieberg. Deze beeldengroep overschaduwt de begraafplaats van overleden leden van de Nederlandse provincie van SMA, onder wie pater Gaston Desribes en de uit het Maastrichtse Wolder afkomstige missiebisschop mgr. H. Paulissen SMA. De grauw-grijze grafkruisen lijken weinig opbeurend voor hen die vanuit de aardse vergankelijkheid hoop koesteren op een blijde wederopstanding.

jrg1blz153

Weersinvloeden en ouderdom tastten in toenemende mate het behoud van de kruiswegstaties aan.

 

Er zijn tal van aanwijzingen dat Lourdesgrot en kruiswegpark voorbestemd zijn geweest een druk te bezoeken bedevaartsplaats te worden. Daarvan getuigen de brede toegangspoort aan de Rijksweg, de daarop aansluitende, duidelijk naar de grot gerichte weg, de aanwezigheid van een groot  vóórterrein en van een aangebouwde preekstoel. In de eerste helft  van deze eeuw is inderdaad sprake geweest van massale devotie-uitingen. Het bezoek is thans echter gereduceerd tot enkele tientallen die in de grot een lichtje komen aansteken en tot anderen die tijdens een wandeling, al dan niet op sanitaire excursie met hun viervoeter, in de grot beschutting zoeken tegen regen of felle zon. Allen zijn welkom: de stichter van grot en kruiswegpark heeft immers een eeuw geleden beloofd dat “die van Keer”er te allen tijde mogen komen…..

 

Mede dankzij monumentensubsidie kon in 1998 een noodzakelijke restauratie worden uitgevoerd. De rijkssteun dekt echter lang niet alle kosten.

Geloofsleven

Een gedicht over twee schilderingen in onze oude parochiekerk
B & B te C(adier)
door Jacques Aussems (Arensgenhout)

Poëzie over Cadier en Keer! Dat gebeurt niet vaak! Speciale aandacht dus voor het gedicht B & B te C, dat de Limburgse dichter Jacques Aussems schreef over twee heiligen, St. Bernardus en St. Blasius, die in onze voormalige parochiekerk afgebeeld waren op schilderstukken in de twee zij-altaren. Na de afbraak van de oude kerk in 1957 zijn beide zij-altaren, inclusief de schilderingen, waarschijnlijk verloren gegaan.(zie naschrift van de redactie).

Hier volgt het gedicht B & B te C(adier) van Jacques Aussems:

Voorwaar, een gul gebaar om kunst te geven
aan deze oude kerk van ’t Heilig Kruis;
altaren zijn met zwier tezaam geweven
tot golven, barstensvol verheven bruis *;     
haar schilderijen moeten mensen stichten *       
en abt Dubois wil zo Cadier verplichten *.   
    
Sint-Bernard knielt vol overgave neder,
vereert de Moeder Gods, de Moedermaagd;
en Zij beziet, ontwapenend en teder,
hoe deze monnik Haar om wijsheid vraagt;
hij wordt verhoord en zal Haar Lof bezingen
en met geschriften ook de kijkers dwingen *.    
 
En bisschop Blasius geneest de kranken,
zo krijgt een jongeling door hem weer lucht;
het volk zal hem voor al zijn daden danken,
patroon voor keel- en muzikantenzucht *;       
een keizer kan die volkse eer niet dulden
en laat de martelarenkroon vergulden *.     
    
Uit Godsdal werd hier schone kunst geschonken,
haar inhoud kwam uit ’t vrome Klare Dal;
wie deze boodschap tot zich neemt zal vonken
als vreugdevuur, dat nooit meer doven zal;
zo redden Blasius en Bernard zielen,
men ziet, uit eerbied, zelfs de paarden knielen.

Noten:
*bruis, hartstocht
*stichten, in godsdienstig opzicht verheffen
*verplichten, tot dankbaarheid houden
*dwingen, voortdurend aandringen
*-zucht, sterke uitademing
*vergulden, als goud doen glanzen

Toelichting van de auteur bij zijn gedicht
Het gedicht over Cadier is gericht op een tweetal prachtige schilderingen, die in de achttiende eeuw de zij-altaren sierden van de aan het H. Kruis gewijde kerk. Informatie hierover ontleende ik in eerste instantie aan Archeologische wandelingen door Limburg. CADIER, opgenomen in De Maasgouw van 21 juni 1884 (6e jg, nr. 223).
De schrijver meldt over deze schilderingen, dat de ene H. Bernardus voorstelt, die voor de Madonna is geknield. De schildering is gedateerd 1719 en is afkomstig uit de abdij van Val-Dieu (Godsdal). Op het schilderstuk komt ook het wapen voor van abt Dubois (drie bomen van sinopel op een veld van zilver met de spreuk Recte et fortiter ( Recht en moedig), die de schenker ervan geweest zal zijn. De schilder van dit doek is G. Lamine. Diens naam komt ook voor met hetzelfde jaartal 1719 op het schilderstuk van het andere zijaltaar en eveneens afkomstig uit Val-Dieu. Het stelt vermoedelijk Sint-Blasius voor, die vergezeld is van een raaf. Deze heilige wekt een kind uit de dood op. In het verschiet ziet men een paard dat voor hem knielt.

In De Monumenten van geschiedenis en kunst in Zuid-Limburg door W. Marres en J.J.F.W. van Agt (Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, ’s-Gravenhage, 1962) wordt o.m. vermeld, dat Jean Dubois abt van Val-Dieu was in de periode 1711-1749. De doeken zijn 209 x 107 m. en aangebracht in een getoogde lijst. Het linker stuk stelt het visioen van de H. Bernardus voor, het rechter de H. Benedictus, die een kind opwekt uit de dood.
 
2013blz124

De Cisterciënser abdij van Val-Dieu (in het Keerder dialect: Goeëdsdel (Godsdal).
Foto 1929, Katholieke Illustratie

De relatie van de H. Bernardus met de abdij Val-Dieu is duidelijk, omdat de abdij van Val-Dieu toebehoorde aan de Orde der Cisterciënsers en Sint-Bernardus ook lid van die Orde was. Het tweede schilderstuk in verband te brengen met de H. Benedictus lijkt minder aannemelijk, vooral ook omdat de voorstelling, namelijk het redden van een jongeling van of uit de dood, in de iconografie wel verband houdt met de wonderen toegeschreven aan de H. Blasius. Bovendien bevindt zich in de kerk van Cadier een 17e-eeuws borstbeeld van de H. Blasius met op de borst een oorschelpcartouche, waarin vroeger een relikwie van deze heilige geborgen was. Het is om die reden, dat in het gedicht gekozen is voor de H.H. Bernardus en Blasius, waarover de volgende toelichting.

De H. Bernardus is overal bekend met de toevoeging ‘van Clairvaux’, omdat hij in 1115 komende vanuit de moederabdij der Cisterciënsers te Citeaux, in de Absinth-vallei een open plek in het woud vond, besproeid door een heldere beek. Dit was het Klare Dal, waarnaar Clairvaux is genoemd. Hier bouwde hij een abdij en hij werd de eerste abt ervan. Tijdens de bouw schreef Bernardus zijn ontroerende Lof van Maria, een commentaar op het Evangelie van Sint Lucas, dat over de boodschap van de engel verhaalt. Hij wordt een beroemd prediker, o.m. van de tweede kruistocht. Sint-Bernardus sterft in 1153 en wordt al op 18 januari 1174 heilig verklaard.
(Uit:Met de heiligen het jaar rond door Dom J. Hyben O.S.B. e.a., Uitg. Paul Brand, Bussum, 1954).

2013blz125

Het Sint-Blasiusaltaar.
Fragment van het interieur van de oude parochiekerk.
Foto 1929, Katholieke Illustratie

 De H. Blasius was bisschop van Sebaste en werd onder keizer Licinius in 316 ter dood gebracht. Van deze heilige wordt verteld, dat hij een jongen die in doodsgevaar verkeerde omdat hij een visgraat in de keel had, wonderdadig heeft genezen. Daarom wordt hij vereerd als patroon tegen keelziekten. In de Vlaamse volksverering is Blasius ook vaak de patroon van de muzikanten. Wellicht omdat de naam van de heilige refereert aan het blazen op deze instrumenten. Velen kennen nog de zogenaamde Blasiuszegen, het kerkelijk gebruik, dat na 1600 in de R.K. kerk is ontstaan. Op 3 februari, de feestdag van de H. Blasius wordt deze zegen gegeven. De priester houdt twee gekruiste kaarsen (in de vorm van een X) onder de kin van de gelovige en bidt dat deze persoon op voorspraak van de H. Blasius vrij mag blijven van keelpijn en alle mogelijke andere ziekten.

 
Uit al deze gegevens is de inhoud van het gedicht opgebouwd en hierbij is rekening gehouden met de godsvrucht, die in de 18e eeuw in relatie tot dit soort beelden nog zo sterk aanwezig was.
De metriek en het rijmschema van mijn gedicht zijn globaal geënt op die van het gedicht Op de Schoonheid van Johan Moorman (1696-1743). De zesregelige strofen zijn jambisch van metriek en vijfvoetig. Het rijmschema is gekruist met een afsluitend paar en het rijm is afwisselend vrouwelijk en mannelijk met de beide laatste regels vrouwelijk (ababcc).

Over de auteur van het gedicht
Wie is deze dichter en wat is zijn relatie met Cadier en Keer? De in Beek woonachtige Jacques Aussems (een volle neef van onze Keerse Jacques Aussems) is in 1939 geboren als zoon van een gemeenteambtenaar en getogen in Bunde. In zijn jeugdjaren volgde hij de opleiding tot missiepater in het Missiehuis hier in Cadier en Keer en heeft daar goede herinneringen aan, vooral aan de culturele middagen onder leiding van ene pater Witsenburg. Tijdens de grote brand van het Missiehuis in 1954 was hij daar leerling en moest ijlings van zijn chambrette op de zolderverdieping naar buiten vluchten om aan het gevaar te ontsnappen; het instorten van het dak van de kapel maakte diepe indruk op hem. Jacques maakte de opleiding tot missiepater overigens niet af en stapte over naar het Veldeke-college in Maastricht. Daarna is hij gaan werken bij de gemeente Meerssen. De overgang was groot: Jacques, die gewend was aan mooie klassieke volzinnen, werd omgeturnd tot ambtenaar: langer dan tien woorden mochten zijn zinnen niet meer zijn. Dat voelde "alsof me de tanden uit de mond werden getrokken".

2013blz127
Kapel van het Missiehuis na de brand (1954)

Gelukkig kreeg hij bij de diverse gemeenten waar hij vervolgens werkzaam was (vooral Beek) ook veel met cultuurzaken te maken. Daardoor is hij zich steeds meer gaan verdiepen in de cultuurhistorie van Zuid-Limburg en schreef mee aan ongeveer twintig boeken over de geschiedenis van Beek. Vooral sinds zijn vervroegde pensionering kon hij zijn dichterlijke gaven gaan etaleren: hij schreef (en schrijft) vele gelegenheidsgedichten, ook 152 sonnetten naar Shakespeare in het Beekse dialect en componeert knappe chronogrammen.

Een van zijn poëziebundels, getiteld Een vlucht over Overmaze, is gewijd aan historische thema's over alle Limburgse dorpen, die in het Partagetractaat van 1661 worden genoemd en deel uitmaakten van de Landen van Overmaas. Daartoe bestudeerde hij de historie van elk dorp en begon te dichten: dan kump 't waal. Zo is ook onderstaand gedicht B & B te C ontstaan: hij zag de schilderingen omstreeks 1955 (dus nog in de oude kerk), bestudeerde later de voorstellingen erop en de herkomst van de doeken en schreef daarna dit gedicht.
Namens de redactie: Simon Peters

Naschrift van de redactie:
Volgens een notitie van Mathieu Spronck (va Sjiel va Nandsje) uit 1988 is het hoofdaltaar van de oude kerk overgeplaatst in de huidige nieuwe kerk, maar de beide zij-altaren niet. Een van deze zij-altaren zou teruggegeven of verkocht zijn aan de abdij van Val-Dieu (waar de drie altaren ook vandaan kwamen), maar onze speurtocht in Val-Dieu heeft vooralsnog niets opgeleverd: men weet daar van niets. Het andere zij-altaar werd in de nieuwe kerk geplaatst, links onder het oude oksaal (tegen de sacristie aan), maar op het moment van plaatsing (1958) was het bovenstuk met de schildering reeds verdwenen (verkocht door pastoor Frissen met medewerking van een amateur-antiek-handelaar). In 1962, begin januari, is dit altaar samen met de kerststal die ervoor stond totaal verbrand.

Drie reacties op onze oproep in ‘Oonder Os’ wezen ons in de richting van de kapel van de Broeders van de Beyaart in Maastricht, maar daarbij bleek het te gaan om een rustaltaar, dat door de familie Heusschen in de Kerkstraat alhier gebruikt werd voor de Sacramentsprocessie.

Met dank aan:
Sjef Ubaghs, José Schoenmmakers-Everaers, Jean Keulen, fam. Spronck-Beijers en Jean-Marie Fastré historicus in Val-Dieu.
Gebruikers
5
Artikelen
2075
Artikelen bekeken hits
9486816

Today 26

Yesterday 39

Week 280

Month 858

All 182404

Currently are 21 guests and no members online

Please publish modules in offcanvas position.

Free Joomla templates by L.THEME